Vorig jaar bestond Ondergewaardeerde Liedjes 10 jaar en daaruit ontstond het idee om de volgers op Twitter en eventueel andere sociale media verzoekblogs in te laten dienen. Iets buiten het jubileumjaar was het dan zover en vorige week werd de oproep gedaan. Het resultaat was geweldig; binnen een uur stroomden de meest obscure, snobistische aanvragen binnen. Van singer-songwriters tot carnavalskrakers en van redelijk bekende Indie tot onbekende protestpunk. Er was keuze genoeg en zelfs zoveel keuze dat niet ieder verzoek kon worden ingewilligd, maar we kwamen een heel eind. Dank aan alle aanvragers, het was een geslaagd experiment!

Keuze Quint Kik: The Sonics – The Witch (1965)

Oerknaller

Some folks like water
Some folks like wine
But I like the taste
Of straight strychnine

Wat waren dat voor malloten, die de consumptie van rattengif propageerden als wezenlijk alternatief voor reguliere genotsmiddelen? Nou, The Sonics dus, uit Tacoma, Washington. Met de broertjes Parypa, die de lessen gitaarvervorming van The Kinks naar het volgende niveau tilden, de snerpende saxofoon van Rob Lind en de genadeloze drumroffels van Bob Bennett. En natuurlijk de oerschreeuw van zanger Gerry Roslie, om het af te maken. Ik leerde ze in eerste instantie kennen via de heruitgave eind jaren ’90 van de vier CD’s tellende box Nuggets – Original Artyfacts From The First Psychedelic Era 1965-1968. Een historisch document met regionale Amerikaanse hits, waarmee samensteller en Patti Smith-gitarist Lenny Kaye de eerste was die de geboorte van garagerock documenteerde.

Het nummer Strychnine figureerde daarnaast ook op het eerste deel van Born Bad – Songs the Cramps Taught Us, een liefdevolle reeks gewijd aan de platenkast van het echtpaar Lux Interior en Poison Ivy. De hilarische liner notes bij deze bloemlezing een beetje vreemd, maar wel lekker maken die compilaties met van de pot gerukte rockabilly, doowop en garagerockparels een must op zichzelf. Over The Sonics, wier Strychnine de Cramps onder handen namen voor hun debuutplaat Songs The Lord Taught Us, lezen we het volgende: They were formed in an orgy of distortion and gibberish. The Sonics were faster and meaner than all the rest of the 60s punk crowd. They refined their attack by practising ‘Louie Louie’ backwards and forwards in the forest until they were banned for killing trees.

Punt van orde: op de oorspronkelijke Nuggets-dubbelelpee uit 1972 presteerde Kaye het The Sonics volstrekt over het hoofd te zien. Met de box uit 1999 maakte hij die fout echter meer dan goed: de band mocht maar liefst vier keer acte de présence geven, meer dan welke andere band. En niet een beetje terecht ook: nummers als Strychnine, Psycho en Cinderella zijn protopunk van ver voor de tijd van de alom als godfather beschouwde Iggy Pop (horen is geloven: The Sonics zijn zelfs oerknaller dan den Igster). Ronduit beangstigend is het visitekaartje en allereerste Sonic’s single The Witch. Waar veel garagerockboegbeelden het misogyne voorbeeld van de Stones kopieerden en jeremieerden over hoe slecht ze wel niet werden behandeld door hun meisje, deed Roslie er een schepje bovenop:

She got long black hair
And a big black car
I know what you’re thinking
But you won’t get far

She gonna make you itch
‘Cause she’s the witch

Geïntroduceerd door een economische, maar o zo effectieve roffel van Bob Bennett komt de heks aangevlogen op haar ‘bezemsteel’. Over een onheilspellend baslijntje van Andy Parypa en een moppie sax van Rob Lind slingert een half hysterische Roslie de ene naar de andere waarschuwing op je af: Mocht ze ’s nachts bij je aankloppen, verstop je achter de bank! En zeg niet dat ik je niet heb gewaarschuwd!! Larry Parypa probeert haar nog met een paar welgemeende licks van zich af te slaan, maar die wegstervende hellekreten van Roslie doen weinig goeds vermoeden: het is al te laat…

Keuze Hans Dautzenberg: The Triffids – Kelly’s Blues (1987)

Worsteling

Jaaaa, beste vrienden, welkom welkom in ons theater. Welkom welkom bij het rrrad van fortuin, uw warme wekelijkse wandeling van doorwrochte stukjes muziekkennis. Deze week staat úw keuze centraal in dit paleis van het sentiment, het is u tweet, wij schrijven week. Ja, ja komt dat zien, komt dat lezen! Enn…roept u maar! Ik hoor….The Triffids. Dat is een mooie keuze, zeker zeker. Hebben we die? Kunnen we dat? Jawel hoor! Take it away!

Even terug. We laten het kermisachtige u roept, wij draaien achter ons en verplaatsen ons naar het wijdse West-Australië. De plek waar The Triffids vandaan komen, de band die kortstondig in de jaren 1980 wist door te dringen tot de favorietenlijstjes van de Goede Smaak van de serieuze popliefhebbers. Drie albums – Born Sandy Devotional, In The Pines en Calenture – waren daarvoor verantwoordelijk. We zoomen in op Calenture.

Calenture, in het Spaans calentura, is een term voor de manifestatie van een tropenziekte, mogelijk malaria gerelateerd. Kenmerken zijn het bevangen zijn door hitte, koortsigheid en delirium. Misschien is tropenkolder een goeie term? De titel is goed gekozen voor het 4de album van The Triffids. Verlangen, eenzaamheid, gekte, depressie: het album staat vol met liedjes die zonder probleem als illustratie bij het Handboek psychologische stoornissen kunnen doorgaan. Het ene moment zijn we op zoek naar verlossing (Bury Me Deep In Love), dan weer duiken we hard en scherp melancholisch in een depressie, zoals in Kelly’s Blues. Een rauw lied over verlatenheid en verlies in een verhaal van iemand die niet aan  mistroostigheid kan ontsnappen. Soms denk ik dat het gaat over gevoelens na een verloren liefde, maar het kan ook gaan over wegzinken in een depressie? Wat maakt het uit, het resultaat is onbereikbaarheid en dat gevoel wordt op een indringende manier vertolkt. Boos en machteloos tegelijk.

Wie The Triffids zegt, zegt David McComb. Hij is de man achter de intense emotionele of zelfs spirituele liedjes van de band. Afgaande op de teksten was hij een getroebleerd mens. Misschien is gevoelig een betere omschrijving. In de muziek vond hij als tiener zijn expressie. Kunst als een manier om te ontsnappen. De bevrijdende do it yourself praktijk van de punk gaf de ruimte om ongebonden en zonder aan conventies te hoeven voldoen, zelf het wiel uit te vinden: de resultaten verschenen op cassettebandjes.

De reputatie van de band groeit en in 1985 vinden we ze terug in Londen, waar het tweede album wordt opgenomen. The Triffids worden omarmt door de muziekpers. Voor In The Pines zoeken ze de eenvoud van een Australische schaapscheerdershut en nemen de muziek op met een 8-sporenrecorder. Calenture is dan weer veel meer geproduceerd. Er zal nog één (5de) album volgen, waarna de band uit elkaar valt. David McComb gaat solo verder. Hij worstelt met alcoholisme en misbruik van amfetamine en heroïne en ontwikkelt een hartaandoening. In 1996 ondergaat hij nog een succesvolle harttransplantatie, maar in 1999 overlijdt hij, 36 jaar oud, aan de gevolgen van zijn verslavingen

Keuze Jeroen Mirck: Sonic Youth – Sugar Kane (1992)

Snoepje voor elke fijnproever

Mijn favoriete album van Sonic Youth is Dirty uit 1992, waarop de band een symbiose wist te vinden tussen hun gruizige noise-punk en lekker in het gehoor liggende grunge, de muziekstroming die net in opkomst was. Een nummer dat alles in zich had om een instant-hit te worden (maar dat niet werd) is Sugar Kane.

Geffen, de nieuwe platenmaatschappij van Sonic Youth, verwachtte veel van de band, maar het album Dirty kon niet wedijveren met het succes van Nirvana’s Nevermind. Wel is het album een bandklassieker geworden, met als deze derde single van het album. Superstrakke riff, spannende opbouw en – ook niet onbelangrijk – een opvallende videoclip.

Hoe meer grunge kun je het hebben: in de muziekvideo zien we de band spelen te midden van een modeshow van grunge-kleding. Niet zomaar een modeshow, want zangeres Kim Gordon had haar goede vriend Marc Jacobs hiervoor gestrikt. Deze befaamde couturier had net dat jaar een speciale Grunge Collection gemaakt voor vakgenoot Perry Ellis. De video, geregisseerd door Nick Egan, biedt een dynamisch kijkje achter de schermen. Opvallend is de hoofdrol op de catwalk voor de jonge actrice Chloë Sevigny, twee jaar voor haar doorbraak in de controversiële speelfilm Kids van Larry Clark. Naar verluidt heeft de band ook geprobeerd om Drew Barrymore te strikken voor de clip.

Waar gaat Sugar Kane over? Over Marilyn Monroe! De titel verwijst namelijk naar Sugar Kane Kowalczyk, de naam van Monroe’s personage in haar beroemde film Some Like it Hot uit 1959. In de liner notes van een latere verzamelaar zegt de band er zelf over: The song is inspired by the notion of emotional contact we feel for celebrities on the edge and our desire to ‘save’ them. Met beroemdheden ‘op het randje’ wordt natuurlijk naar drugsgebruik verwezen, een belangrijk onderliggend thema in dit nummer – en uiteraard veel vaker in de rockmuziek. Logisch ook, want Monroe was een grootverbruiker. Hoe dan ook: Sugar Kane is een snoepje voor elke fijnproever.

Keuze Edgar Kruize: Mother Love Bone – Stargazer (1992)

Hedonist

Deze Twitter Request-battle is lollig, maar ook lastig. Want ik weet dat Arjan Boon (@1969arjan) Stargazer van Mother Love Bone heeft uitgekozen, maar ik heb geen idee waarom hij specifiek dit Mother Love Bone-nummer zo geweldig vindt. Behalve dan dat het een geweldige track is natuurlijk, dat staat buiten kijf. Wat ik wel kan doen is mijn eigen Mother Love Bone-herinneringen delen.

In de jaren ’90 overspoelde de grunge de jeugdcultuur en ik ging daarin volledig kopje onder. Machtig vond ik het, al die bands uit Seattle en omstreken en al die kruisverbanden die tussen al die bands te leggen waren. Voor mij was de absolute spil in mijn muzikale grungebeleving de soundtrack van de film Singles, waarop vrijwel al die bands (minus Nirvana) samenkwamen. Op die soundtrack viel me één band op: Mother Love Bone. Die band deed me ook al de oren spitsen in de commercials voor MTV’s Headbangers Ball, waarin zowel This Is Shangrila als Crown Of Thorns (afhankelijk van de vertoonde spot) van de band voorbij kwamen. Het rockte, rollde en had een heerlijke glam en knipoog in de muziek. Een knipoog die bij al die doodserieuze Seattle-bands behoorlijk ontbrak.

Ik was al bekend met het tragische verhaal van frontman Andrew Wood. Huisgenoot van Soundgarden’s Chris Cornell en een notoire hedonist, wiens drugsgebruik hem uiteindelijk fataal werd. Als eerbetoon kwamen oud-bandleden Stone Gossard en Jeff Ament samen met Cornell en enkele andere bevriende muzikanten. Het eerbetoon werd het machtige Temple Of The Dog-album. Dat album kon ik al dromen in 1992, maar het was gek genoeg niet in me opgekomen om ook eens terug te gaan naar de bron. Dat kwam dus uiteindelijk pas na die soundtrack van Singles en de Headbangers Ball-spotjes, die ik woordelijk mee zong.

Het oeuvre van Mother Love Bone (bestaand uit de EP Shine en het album Apple) is destijds samengebald op de 2CD Mother Love Bone. Een set die over de hele linie misschien niet de meest sterke liedjes bevat, maar waarop Andrew Wood wel uitblinkt met een bravoure in zijn stem en een aanstekelijke arrogantie die de luisteraar doet geloven dat hij écht een wereldster is. Dat verkoopt werkelijk alle tracks op het album volledig. maar er staan ook enkele heel goede nummers op. Voor mij is het absolute prijsnummer anthem Chloe Dancer/ Crown Of Thorns. Stargazer zit daar voor mij gevoelsmatig kwalitatief dicht op, maar muzikaal zijn het ook ontegenzeggelijk broertjes van elkaar. Ik heb zelfs het idee dat we Stargazer moeten zien als een vervolg op Crown Of Thorns, daar laatstgenoemde is geschreven en opgenomen toen Wood vanwege zijn drugsgebruik aan de kant was gezet door zijn grote liefde Xana Lafuente, tevens ontwerpster van zijn extravagante podiumoutfits. Later kwamen ze weer bij elkaar en dit nummer klinkt als eerbetoon en (getuige de laatste zin) smeekbede die daaraan vooraf ging. She gets me higher than anyone, I miss her so, zing Wood en even verderop:

Stargazer won’t ya kick with me… again

De wens om af te kicken is er dus… maar we weten het trieste einde ook en dat geeft Stargazer toch die extra laag mee die het tot een van de hoogtepunten in het Mother Love Bone-werk maakt. Maar nu ben ik vooral ook heel benieuwd naar Arjans verhaal!

Keuze Vincent van der Vlies: Jeff Buckley – Grace (1994)

Talent(enjacht)

Eigenlijk heeft Jeff geen geheimen natuurlijk voor de gemiddelde ondergewaardeerde liedjeslezer. Zoon van Tim, aanstaande van Joan, verdronken in de Mississippi etc. Oh en natuurlijk ook vooral bekend van die ene cover die hoog in de Top 2000 staat. Zijn album Grace is gelauwerd en bewierookt. Ook op dit medium is al de nodige aandacht besteed aan hem, onder andere in een vader en zoon Buckley battle. En toch was er een tweet nodig om ons te vragen om Grace zelf te behandelen. En er waren meerdere gegadigden, maar ik mocht er mee heengaan.

Maar vergeet niet dat het niet alleen over Jeff Buckley dan gaat. Want hoe briljant de persoon ook was, hij heeft het niet alleen gedaan. Dus dit gaat ook over gitarist Gary Lucas. De intro en daarmee eigenlijk de voornaamste riff zijn niet van Buckley zelf maar zijn gebaseerd op Lucas’ nummer Rise Up To Be (welgeteld 2905 streams schoon aan de haak). En die riffs zijn nu precies wat gitaarmuziek zo goed kan maken: het klinkt vrij simpel qua melodie en het is niet bijster moeilijk om te spelen, maar kom er maar eens op deze tonen in een 6/8e maat te componeren. Het is voor mij poëzie voor de oren.

Maar die oorstrelingen komen ook niet vanzelf en zonder hulp. Daarvoor moeten we Andy Wallace op onze knietjes bedanken. Het geluid van de Telecaster van Buckley komt zo mooi naar voren op het album, met als hoogtepunt wat mij betreft bij de introverte solo van die ene cover. En dat is eigenlijk wel grappig als je bedenkt dat producer Andy Wallace daarvoor met name hiphop artiesten had gedaan en recentelijk met name bekend was van Slayer, Sepultura, Nirvana en Rage Against The Machine. Het enige wat nog wat meer naar voren had mogen komen was het basgeluid, want als je bijvoorbeeld een live opname van Grace luistert, dan hoor je ineens hoeveel basloopjes Mick Grøndahl in het nummer verstopt heeft.

Voor de rest is het natuurlijk ook Jeff Buckley die dit nummer zo goed maakt. Na die intro begint hij te zingen over niks vrezen, omdat je niks hoeft te vrezen als je een onvoorwaardelijke liefde achter je hebt staan. Hear hear.

Een tijd geleden, ik weet niet meer wie het zei, hoorde ik iemand verzuchten dat de talentenjachten op televisie van tegenwoordig alleen maar dezelfde eenheidsworst produceerde qua zangers en zangeressen. Het kwam er op neer dat stemmen als die van Bob Dylan, The Beatles en Jimi Hendrix nooit zouden zijn doorgebroken als die het hadden moeten hebben van dergelijke talentenjachten. Hetzelfde geldt waarschijnlijk voor Jeff Buckley. Hij heeft niet het meest toegankelijke stemgeluid denk ik, maar is daarmee naar mijn mening juist een van de meest herkenbare stemmen in het alternatieve rock circuit. En die stem komt zo goed naar voren naarmate het nummer vordert en hij met ijle uithalen het nummer tot een climax laat komen. Hier zit zoveel karakter in, zoveel persoonlijkheid. Dit is gewoon zo goed, ik kan er niet bij met m’n verstand dat dit geen vast kracht is in die ene zogenaamde lijst der lijsten en dat het zo lang geduurd heeft voordat iemand ons er op wees dat dit nummer behandeld moest worden. Dus dank @originals dat je ons er op wees en dat ik hierdoor ongegeneerd een van m’n favoriete nummers kon behandelen.

Keuze Guido Antunes: New Radicals – Maybe You’ve Been Brainwashed (1998)

Verademing

Wat hebben Santana & Michelle Branch’s Game Of Love, Ronan Keating’s Life Is A Rollercoaster en  Sophie Ellis Baxtor’s Murder On The Dancefloor gemeen? Al deze nummer zijn geschreven door Gregg Alexander. Het is een naam die bij vrijwel niemand een belletje doet rinkelen. Zijn artiestennaam is ietsje bekender: New Radicals. En zelfs als jij zijn bekendste nummers laat horen beseffen mensen niet wie de uitvoerende artiest is. Logisch eigenlijk want eigenlijk maakte hij maar een album onder de naam New Radicals. Het in 1998 uitgekomen Maybe You’ve Been Brainwashed  Too? Wat mij betreft een verademing.

De productie was helder en groots, net als de wat mij betreft iconische hoes. De energie was enorm. Tracks  klonken als een zomerdag. You Get What You Give was de doorbraaksingle in Nederland, Someday We’ll Know was de follow up die door het grote publiek minder gewaardeerd werd. Voor mij zijn er op dit album zeker zes tracks die ik keer op keer kan opzetten. Wat een debuut. Of toch niet. Zijn eerdere albums waren onder zijn eigen naam en deze plaat was eigenlijk ook een veredeld soloalbum. De medemuzikanten bleken inwisselbaar te zijn, maar om te spreken met het eerste nummer Mother We Just Can’t Get Enough van dit heerlijke open geproduceerde album. Wanneer ik met mijn ligfietsje door het Westland toerde voelde ik alle vrijheid die een zomerdag bij mensen kan oproepen.

Gregg bleek toch echter meer plezier te halen uit het schrijven en produceren dan uit het toeren en is zich daar op toe gaan leggen. Zie de bovengenoemde voorbeelden. Voor Joe Biden kwam deze band nog even bijeen in het kader van zijn inauguratie en bracht daar You Get What You Give ten gehore.

En dan het titelnummer van dit inmiddels bijna een kwart eeuw oude album. Een titel die bedacht was voordat dokter en professor Google hun praktijk openden en mensen ertoe aanzette om kritisch te blijven. Tegenwoordig dus zeer relevant. En een goede reden om lekker te luisteren en weg te dromen op deze heerlijke muziek. Met de kraakjes van het vinyl of nieuwerwets op een streamingdienst blijft het de moeite waard.

Keuze Alex van der Meer: Pekka Streng – Puutarhassa (2001)

Smeuïg met urgentie

Twittergebruiker @BGFM3 (Het sauzenkabinet) raadde ons aan iets te schrijven over Puutarhassa van Pekka Streng. Ik kende het nummer niet. De naam van de artiest vond ik echter direct al wel passend. Ik had namelijk besloten streng te zijn in mijn keuze, in de zin dat ik had bedacht voor deze battle te schrijven over een nummer waar ik persoonlijk nog niet bekend mee zou zijn. En het moet gezegd, daar heb ik dus helemaal geen spijt van gekregen. Puutarhassa bleek namelijk een excellente track, van een bijzondere muzikant.

Singer-songwriter Pekka Streng heeft naam gemaakt als een van de vroege spilfiguren van de Finse psychedelische folkmuziek. Hij maakte echter slechts twee albums, Magneettimiehen Kuolema (1970) en Kesämaa (1972). Een derde album zou gebaseerd gaan worden op het boek In De Ban Van De Ring van Tolkien, maar het lukte hem nooit dit project op te gaan nemen. In 1975, toen hij zesentwintig was, overleed hij. Als je de nodige research over hem doet, dan kom je steeds het verhaal tegen dat hij wist dat hij ernstig ziek was en dat de dreiging van een vroegtijdige dood van invloed was op zijn teksten en zijn muziek. En misschien hoor je dat ook qua geluid wel terug in het nummer Puutarhassa. Ondanks dat deze track een smeuïge latin jazzgroove heeft voel je toch ook urgentie. Hier wordt waanzinnig fijn gemusiceerd, het nummer swingt en bespeelt subtiel je emoties.

Mijn Fins is niet zo goed, maar ik heb gegoogelde redenen om aan te nemen dat je Puutarhassa kunt vertalen als in de tuin. Het is uiteraard jammer dat de taal wat lastig kan klinken voor ongeoefende oren. Desondanks heeft Streng bewezen dat niet alleen in Finland zijn muziek na al die jaren nog wordt gewaardeerd, ook elders zijn er liefhebbers te vinden. Van wat ik van hem heb gehoord tot nu toe kan ik beamen dat het zeer de moeite is om zijn – te beperkte – oeuvre te gaan ontdekken.

Keuze Freek Janssen: The Cooper Temple Clause – Been Training Dogs (2002)

Ondergewaardeerde band die ik compleet heb gemist (en velen met mij)

Laten we beginnen met een bekentenis. Ik had graag There, There van Radiohead geclaimd; ik kan over elk nummer van Radiohead wel een betoog schrijven, zeker over dit pareltje.

Maar nee, meneertje Janssen was te laat. Ik kon nog kiezen tussen Sneeuwscooter Boy van René Karst en nog een paar tracks. En hoezeer ik mijn oud-collega Tiel ook had gegund dat ik verplicht een aubade zou moeten brengen aan een skihutliedje; suddenly something happened.

Ik zette het liedje op. Wat. Is. Dit?! Waarom had niemand mij hier eerder op gewezen? Het klonk alsof de gitarist en drummer van Tool een liedje hadden opgenomen met Mark Lanegan – god hebbe zijn ziel. Met een accent alsof die zanger uit dezelfde stad komt als Suede.

Verder onderzoek. Hebben wij hier nog nooit over geschreven? Google says no; een keer stond The Cooper Temple Clause in de keuzelijst van de Snob 2000, en niet eens met dit nummer:

Damn it. Als zo’n band zelfs nooit is opgemerkt door de snobistische bloggers van Ondergewaardeerde Liedjes, dan is er wel sprake van Ondergewaardeerdheid met een grote O. Wat research leert dat ze door sommigen wel worden gezien als helden; Under The Radar Mag (klinkt als Ondergewaardeerde Liedjes in het Engels) noemt het album waar Been Training Dogs op stond one of THE greatest albums to be released this century.

Compleet gemist. Dankjewel, Mirella!

Keuze Martijn Janssen: Moloko – Familiar Feeling (2003)

Het laatste zetje

Soms moet je gewoon een zetje in de goede richting krijgen om nieuwe dingen te ontdekken. Dat duwtje van de duikplank of de dansvloer op. Zo was voor mij Moloko lang een relatief onbekende band. Ja, ik had hun album Things To Make And Do en vond dat geweldig, maar voelde toch niet de behoefte om veel verder in hun oeuvre te duiken. En toen veranderde de wereld begin 2020. Nee, het is niet zo dat ik als bijwerking uit het niets een onstuitbare neiging kreeg om naar Moloko te luisteren, maar mijn muziekinteresses verschoven wel een beetje. Zoals ik al eens eerder aanhaalde, ik raakte meer geïnteresseerd in remixen, waaronder die van Moloko. Die zijn soms tamelijk vermakelijk en briljant, dat u het weet. Niet veel later volgden ook de voor mij nog ontbrekende albums, waaronder Statues.

Het openingsnummer – en ook eerste single – van dat album is Familiar Feeling. Het is een nummer dat heerlijk organisch klinkt. Voor een duo dat begon in de electronica/triphop hoek is het geluid flink veranderd. Het doet wat denken aan The Time Is Now van hun vorige album. De basgitaar komt losjes over, het ritme heeft iets Latin-achtigs en het lijkt zo groots aan te voelen. De structuur daarentegen heeft wel meer weg van de dance, want het klinkt toch niet als een traditioneel liedje. Op de albumversie lijkt het zelfs meer een muzieknummer als onderdeel van een groter geheel, met het lange intro dat mooi crescendo gaat. Ik wil het niet direct een dance-epic noemen, waar Twitteraar Frank Tol wellicht naar verwijst in zijn tweet waarin hij dit nummer aandroeg. Maar het is inderdaad meer dan een simpel deuntje dat in hetzelfde stramien blijft.

Het vertrouwde gevoel waar de tekst naar verwijst is dat beroemde onderwerp ‘De Liefde’. De relatie tussen de twee hoofdpersonen had altijd zo moeten zijn. Dat vertrouwde was er gewoon. Maar je merkt dan wel op, het gaat over ‘had moeten zijn’ en ‘het was er’. Dat was de situatie waarin de twee bandleden Róisín Murphy en Mark Brydon zich bevonden. Naast bandleden waren ze ook geliefden. Vlak voor de opnamen van het album Statues eindigde hun liefdesrelatie. Na de tour om het album te promoten volgde ook het laatste zetje voor de band. Moloko werd ontbonden. Het gevoel was weg.

Keuze Annemarie Broek: Radiohead – There There (2003)

Tussen droom en nachtmerrie

(binnengekomen via Ondergewaarde Liedjes Instagram stories)

Ik heb de ondankbare taak op me genomen om, na alles wat er hier al over Radiohead is gepubliceerd, nog iets te melden over deze groep, met name het nummer There There uit 2003. Moet ik nog iets toevoegen aan alle woorden die al aan Thom Yorke en zijn mannen zijn gewijd? Een poging.

De connectie met de popmuziek was ik al vanaf 1975 een beetje kwijtgeraakt, zo loopt het soms in het leven, met de beslommeringen van een baan, een eigen huis, een relatie enz. Later kwam daar nog mijn studie bij, mét een fulltime baan én een stage, dus ik had geen tijd voor televisie of radio. Toch zette ik op een onbewaakt moment in 1997 de televisie aan om per ongeluk te belanden in een TV-registratie van een concert dat mij meteen in zijn ban had. Muziek met heel veel elektronica en een dwingend ritme. Ik nam me voor de naam van die band te onthouden. Radiohead. Later vond ik een clip van die band met veel klaaglijk gezang, waarin ik mijn eerste impressie bepaald niet terugvond. Zal dus vast wel een ander bandje geweest zijn, bedacht ik mij.

De oproep van afgelopen maandag bracht Radiohead weer terug in mijn geheugen. Ik las namelijk dat deze formatie in de loop der tijden nogal wat stijlwisselingen had gepleegd. Na enig graafwerk begon ik toch iets van die vroegere herinnering te herkennen.

Radiohead is inmiddels een band van formaat. Die in 1993 nog op klein(er)schalige festivals optrad, zoals Beeckestijn Pop (Velsen) en Bevrijdingspop waar je toen nog gewoon naartoe kon lopen zonder hekken en controle aan de poorten. Daarna traden ze op in de Melkweg, Paradiso en festivals als Pinkpop. Nu vullen ze met gemak de Heineken (nu AFAS live) en de Ziggo Dome. De samenstelling van de band is opvallend constant. De leden kennen elkaar al vanaf de lagere school en er gaan geen verhalen over botsende ego’s en andere groepsperikelen.

Radiohead kwam vanaf 1992 in het vizier met nummers als Creep, Street Spirit en het door mij ontdekte Paranoid Android. Daarna wierpen zij zich helemaal op het maken van elektronische muziek. Ze nodigden ook onbekende kunstenaars uit om beelden te creëren bij hun muziek.

In 2003 kwam hun album Hail To The Thief uit, met daarop het hypnotiserende nummer There There. Sferische muziek, tussen droom en nachtmerrie. Met een prachtige clip waarin Thom Yorke een woud verkent en op sprookjesachtige taferelen stuit. Zowel de muziek als het begeleidende filmpje werden hoog gewaardeerd door pers en publiek. Voor mij een reden om alsnog nader kennis te maken met hun muziek.

Keuze Mirjam Geertsma: Apoptygma Berzerk – Shine On (2008)

Berserk gaan

Omdat voor deze battle de lezers alle liedjes uitgekozen hebben kon ik gewoon een naam uit een lijstje kiezen. Ik heb gekozen voor Apoptygma Berzerk met Shine On. Waarom? Ik heb, denk ik, nog nooit van deze band gehoord heb en de naam intrigeerde mij. Wat voor muziek zou daar achter zitten? Volgens de Engelse wikipedia zijn de twee woorden die de bandnaam vormen willekeurig gekozen. Voor het eerste deel zou dat nog op kunnen gaan. Een apoptygma is een onderdeel van de Griekse peplos (vrouwenjurk). Om precies te zijn dat deel wat over de schouder geplooid wordt. Wat berzerk betreft geloof ik dat niet zo. Dit is een band uit Noorwegen. Berzerk gaan is een oude traditie uit het noorden. Berserkers (ber=beer en serk=huid)  waren Vikingkrijgers gekleed in berenvellen die voor de strijd een ritueel met muziek, zang, dans en waarschijnlijk de nodige middeltjes die de waarneming en gedachten vervormden, hielden. Het gevolg daarvan was dat ze berserk gingen op het slagveld. Vechtend met ontbloot bovenlijf en ware doodsverachting waren de berserkers gevreesde tegenstanders. Nu ja dat waren de verhalen. Het is niet zeker of ze echt bestaan hebben en inderdaad mede met vliegenzwam dronken.

Apoptygma Berzerk maakt gebruik van synthesizers en gejaagde elektronische beats maar wel gewoon met gitaren en een echt liedje bij de muziek. Zelf noemen ze het futurepop. Het nummer Shine On uit 2005 staat op de CD You And Me Against The World. De eerste CD die meer richting Indiepop ging. Zie je op oudere nummers de zanger nog met geblondeerd haar en een zonnebril, hier heeft hij zwart haar en make up. En zie ik daar een bekend figuur door de video heen dwarrelen? Ja het is een bekende, Audun Angel van The Kovenant. Hun CD Animatronik heb ik een periode heel vaak geluisterd en nu nog. Bij voorkeur in de auto want dat rijd zo lekker door….

Ook kan ik mij een houten dansvloer die begon te golven onder het enthousiasme van een paar honderd enthousiaste mensen herinneren in de Tai (bestaat helaas niet meer) in Utrecht. Terug naar het nummer Shine On. Het is een cover van een band die House Of Love heet. Deze band heb ik destijds helemaal gemist en als je het origineel beluisterd terecht. Deze jaren ’80 band heeft de tand des tijds niet doorstaan wat mij betreft. Hoewel ik de melodieuze koorknaapachtige zang wel kan waarderen. Maar zing dan ook iets lelijks en gemeens zoals Morrissey van The Smiths dat zo goed kan doen. Dat houd mooi het evenwicht, maar dat terzijde.

Apoptygma Berzerks versie is leuker, frisser maar tegelijk ook duisterder en het klinkt fijn gejaagd. Die versie is duidelijk beter in mijn oren. Wat Apoptygma Berzerk betreft (ik noem ze vanaf nu trouwens APOP zoals de band en de fans dat doen want dat typt wat sneller) onbekend maakt onbemind. Wat men niet kent kan men ook niet waarderen. APOP kende ik niet maar na het een en ander geluisterd te hebben is dat onterecht. Dit is gewoon een leuke band. Het oudere werk lekker gejaagd en met meer elektronische geluiden en het nieuwere werk nog steeds gejaagd maar wel fijn poppy en aanstekelijk. Dat shi shi shi shine on zit nu al dagen in mijn hoofd.

Keuze Ton van Hoof: Silversun Pickups – Lazy Eyes (2008)

Lui oog

Lui oog. Wikipedia verwijst naar Amblyopie en de eerste zinnen op die pagina luiden als volgt: Amblyopie of een lui oog is een neurovisuele ontwikkelingsstoornis. De aandoening wordt gekenmerkt door een onderontwikkeling van verschillende visuele vaardigheden zoals o.a. gezichtsscherpte, oogbewegingen, oogsamenwerking en stereoscopisch dieptezicht. In geval van lui oog of amblyopie is het oog zelf overigens volkomen gezond maar is het oog gedurende het neurovisuele ontwikkelingsproces in de prille kindertijd door een bepaalde amblyopie-veroorzakende factor neurologisch slecht geïntegreerd geraakt.

Ingewikkelde taal, maar het komt neer op het feit dat beide ogen niet op centrale punten in de oogkas staan, wat in de praktijk onhandige situaties op kan leveren. De schrijvers dezes tekstuele kleinood heeft inmiddels legio voorbeelden, variërend van beschamend tot hilarisch. Maar goed, terug aan mijn keuze uit de aangedragen keuzes voor de twitterbattle: Lazy eye van Silversun Pickups uit 2006.

Ik weet nog goed waar ik deze song voor het eerst hoorde. Tijdens het ontvouwen van de vouwwagen op camping Zutendaal in het Belgische Zutendaal, op het steenworp afstand van Maastricht. StuBru stond aan, toen destijds zeker de belichaming van de belgische muziekcultuur, en Christophe Lambrecht (één van de mooiste stemmen van de belgische radio, helaas overleden in 2019) draaide dit nummer. Ik stopte mijn activiteiten acuut met die vermaledijde voortent (het is leuker om mensen een vouwwagen op te zien zetten dan er zelf eentje opzetten kan ik je verzekeren), en echtelijke onenigheid tot gevolg. Dit moest ik even goed beluisteren. Wat een opbouw, wat een climax, wat een energie.

Echter had ik toen niet volledig gevangen door de tekst, want op dat moment waren er andere prioriteiten. De vouwwagen moest opgezet worden, er kwam (hoe kan het ook anders) een bui aan, we bleven tenslotte in de lage landen. Later heb ik de tekst beter beluisterd en wel de conclusie voor mezelf moeten trekken dat deze tekst zou gaan over verwachtingspatronen, misvattingen en teleurstellingen daarin. Onderwerpen die later tijdens mijn burn-out periode ook erg persoonlijk werd, naast het luie oog. Een levensplaatje voor mij dus.

Een schril contrast met de muzikale begeleiding, maar wel op meerdere vlakken dé song van mijn toenmalige vakantie, en tot op de dag van vandaag, mij tekstueel met de beide voeten aan de grond houdt, maar ook een overdosis aan energie geeft. Erg bijzonder.

Keuze Remco Smith: Amos Lee – El Camino (2010)

Als een warme deken of een lentezonnetje

In mijn CD-kopende periode was Plato aan de Meent in Rotterdam mijn supplier. Mijn dealer. Heel regelmatig was ik daar te vinden, met name op zoek naar de Midprice aanbiedingen waarvan ik niet had gedacht dat ik die nodig had, maar die bij de eerste blik toch om aankoop riepen. Plato was een typische platenzaak, beetje muffig, ongeïnteresseerde mensen achter de balie. Inmiddels is daar een zaak voor herenkleding gevestigd, niet alles beter wordt blijkt maar weer. Bij binnenkomst meteen links stond een houten tafel waar de nieuwe releases lagen en de midprice platen waarvan Plato kennelijk vond dat de argeloze CD-koper die nodig had. Tijden lang lagen ze naast elkaar mij aan te staren: Agnes Obel en Amos Lee, beiden met hun eersteling. Obel keek me vanaf de tafel nogal dwingend aan, zoals mijn dochter van negen dat ook kan. Lee wat aarzelender. Ik had nog nooit muziek van hen gehoord maar zij trokken mij steeds als een magneet aan. In een opwelling heb ik hen op eenzelfde dag doof gekocht. Beide platen bleken het op vakanties heel goed te doen. Rijdend van het vakantiehuis naar een pittoresk dorpje of de start van een bergwandeling, waren Obel en Lee een hele fijne soundtrack.

Het knappe aan de muziek van Amos Lee is de verraderlijke lichtheid ervan. Het is muziek die aan je kan ontsnappen. Muziek die aan je voorbij gaat. Maar als je Amos Lee echt de aandacht geeft die hij verdient, vallen de prachtige melodieën, de zorg voor de instrumentatie en zijn warme stem op. Het is muziek om je in te wentelen, muziek als een warme deken of een lentezonnetje. Muziek als troost.

Ik heb de eerste plaat uit 2005 pas in juni 2011 gekocht (ik ben zo’n nerd die de datum van de aankoop bij heeft gehouden om de muziek als een soort van soundtrack van mijn leven te beschouwen). 2011 was ook het jaar van Mission Bell, de vierde plaat van Lee. Voor mij was die onder de radar gebleven, ten onrechte. De stem van Lee klinkt wat zwaarder dan op zijn eersteling, een laagje nicotine op de stembanden. De mooie melodieën en het verhalende in zijn liedjes zijn gebleven, zo blijkt uit het fraaie El Camino.

Keuze Halbe Kroes: Arcade Fire – City With No Children (2010)

Laat het kind in je naar buiten

In 2010 komt het schitterende album The Suburbs uit van de Canadese band Arcade Fire. Fijn dat er toch een nummer van hen in deze battle mag verschijnen, erg vereerd dat ik hier iets over mag schrijven. Arcade Fire heeft een poos hoog in de bovenste regionen van de Snob 2000 gestaan, zelfs 2 jaar op rij op 1 met hun orkestratie van Rebellion (Lies). City With No Children is derhalve nooit genoemd, zelfs niet in de in 2018 verschenen battle over de band.

De thematiek op het album is gestoeld op de levenservaring van de gebroeders Butler, Win & Will. Opgegroeid als mormonen in de buitenwijken van Houston, Texas (VS), voelde hun jeugd aan alsof ze in een andere wereld leefden dan anderen in diezelfde stad. Het voelde vaak als een gevangenis waarin zelfontplooiing vaak niet mogelijk was. Mede tegengehouden door de leefstijl die de mormoonse cultuur erop nahoudt en mede door de geografische ligging van de buitenwijk. In City With No Children komt dit heel duidelijk naar voren. 

I feel like I’ve been living in a city with no children in it
A garden left for ruin by a millionaire inside
Of a private prison
I feel like I’ve been living in a city with no children in it
A garden left for ruin by and by, as I hide inside
Of my private prison

De rest van het album is ook doordrenkt van soort gelijke teksten. De nummers hebben vaak als doel om de luisteraar te laten zien dat het leven waarin de kids Butler opgroeiden niet het meest ideale was. Er bestond geen mogelijkheid om leeftijdsgenoten te leren kennen vanuit buiten de gemeenschap. Daarnaast was de buitenwijk neergezet om voor de rijkeren een mooie plek te creëren waarin kinderen vaak niet in het plaatje pasten. Hierdoor was het bijvoorbeeld niet mogelijk om jeugdliefdes te beantwoorden, niet mogelijk om sociale ontplooiingen te verkrijgen.

Maar ik beloof u, het komt goed met de beide heren. Op het moment dat Will Butler (toetsenist en zanger) bekend maakt niet meer in de band te zitten, brengt in maart 2022 Arcade Fire nieuw materiaal uit, waarop elke liefhebber lang heeft zitten wachten. Win Butler (leadzanger en bandleider) is nog steeds gelukkig getrouwd met medeoprichter van de band, Regine Chassagne. Beide broers hebben de liefde gevonden, prachtige nummers geschreven. Veel mensen beïnvloed met hun muziek en teksten. Zoals Win het omschreef: zodra je volwassen wordt, ben je vaak niet meer bezig met geïnspireerd raken of hip en uniek te blijven, alleen nog maar zorgen dat je baas tevreden blijft, geld blijft binnenstromen en rekeningen worden betaald. De hang naar nostalgisch terug kijken op de gebrekkige jeugd zorgt wel voor dit schitterende nummer. Gelukkig blijft het kind zorgen voor inspiratie.

When you’re hiding underground, the rain can’t get you wet.

Keuze Tricky Dicky: July Talk – Summer Dress (2012)

Kans!

Eén blik om de Twitterlijst was voldoende voor mij. Ik had Summer Dress van het Canadese July Talk al eens gedraaid in het Snobuur. Een retegoede track waarvan ik niet snap waarom dit niet hoog in de Snob 2000 staat. Maar ja, het is mijn ervaring dat meerdere tracks die ik waanzinnig goed vind niet aanslaan. Heb ik een vreemde smaak? Of ben ik kritischer dan het gemiddelde?

Mijn smaak voor muziek is in de zeventiger definitief gevormd en heb dus inmiddels heel wat te horen gekregen (en soms te verduren). Ik loop dus pas echt warm voor muziek wanneer het iets nieuws is of radicaal anders, maar een lekkere aanpassing van de stijlen uit mijn jeugd zijn niet te versmaden. July Talk voldoet aan alle voorwaarden. Radicaal nieuw, maar toch vertrouwd oud. Kennelijk ben ik niet de enige, want alle drie albums (July Talk, Touch en Pray For It) haalden een Juno award op. De band werd in 2010 opgericht nadat de twee vocalisten elkaar in een bar in Toronto leerden kennen en zijn rap uitgegroeid tot een van de groten met een geweldige livereputatie. Van Punk en Blues tot Indierock en Pop. Ze zijn dus moeilijk in een hokje te passen. We’re not interested in pissing people off.  We’re just interested in messing with expectations.

Ik kan natuurlijk ook nog een heel verhaal over de schoonheid van zomerjurkjes houden, want ik ben niet blind voor de sensualiteit van een schaars maar goed geklede vrouw. Maar daar heb ik ooit al eens een blog (hier) over geschreven en dat was in een ander tijdperk.

Terug naar het onderwerp: Summer Dress. Over smaak valt niet te twisten, maar ik krijg de indruk dat het merendeel van Nederland nog nooit van de groep gehoord heeft (met uitzondering natuurlijk van degene die het lied aandroeg) en dan is het moeilijk een oordeel te vellen of te erkennen hoe goed ze zijn. Ergo, dit is een eerste aanzet. Pak die kans!

Keuze Guido de Greef: Kendrick Lamar – King Kunta (2015)

Spreekbuis

To Pimp a Butterfly van Kendrick Lamar fascineert me. Het is een vat vol tegenstrijdigheden. De productie is luchtig, maar de thematiek is zwaar. Er zijn veel gastoptredens, maar de plaat klinkt niet rommelig, eerder gefocust. De samples zijn mellow en jazzy, maar de toon is melancholiek. De eerste regel van de plaat is een statement: every nigga is a star. En dan die titel. Waarom zou je iets dat al prachtig is, een dier dat z’n volmaakte versie van zichzelf is, oppimpen?

Ik kan niet over King Kunta schrijven en het niet over het bijhorende album To Pimp A Butterfly hebben. Lamar werd geïnspireerd tot het schrijven van het album na een bezoek aan Zuid-Afrika. King Kunta is op die plaat de sleuteltrack. De song is een eerbetoon aan de legendarische, tot slaaf gemaakte Kunta Kinte, rond 1750 geboren in het huidige Gambia. Z’n verzet tegen de slavenhouders is zo vermaard dat het de basis vormde van de roman Roots. Z’n opstandige houding ging zover dat slavenhouders hem een ultimatum stelden: of hij werd gecastreerd, of z’n linkervoet werd geamputeerd. Kunta koos het laatste.

Everybody wanna cut the legs of him, Kunta
Black man taking no losses

Lamar verplaatst het strijdtoneel van Kunta Kinte, die ondanks de oppressie blijft vechten voor z’n vrijheid, naar het Amerika van de jaren tien. Het Amerika van politiegeweld tegen de zwarte bevolking en de Black Lives Matter-beweging. Het Amerika van American footballspeler Colin Kaepernick die een storm van kritiek over zich heen kreeg omdat hij uit protest knielde tijdens het Amerikaanse volkslied (Kaepernick is gesignaleerd met een T-shirt met Kunta Kinte). Net als King Kunta heeft Lamar moeten vechten voor z’n bestaansrecht. To Pimp A Butterfly gaat daarmee over bevrijding en loskomen van je afkomst, in dit geval Compton. Op het album ontpopt hij zich als de spreekbuis van z’n generatie.

Er is iets voor te zeggen om Lamar als belangrijkste rapper van de afgelopen tien jaar te zien. Hij heeft een enorm historisch besef, en Lamar’s literaire teksten worden dermate hoog gewaardeerd dat hij in 2018 als eerste rapper ooit de Pulitzer-prijs won, al was dat voor z’n volgende album Damn. Het kan niet anders of To Pimp A Butterfly heeft daarbij de voorzet gegeven.

Keuze Alex van der Heiden: Julien Baker – Rejoice (2015)

Een gevoel van geborgenheid is voldoende

Ik was erg blij dat iemand Julien Baker wilde in deze Twitter Request. Zij staat al een tijdje op mijn nominatie om me verder in te verdiepen en dit was het juiste zetje in de rug. De keuze voor het nummer Rejoice is wat mij betreft dubbel bonus, want dat nummer is alles waar Julien Baker voor staat. Inclusief een klein onderdeel dat ik persoonlijk minder mooi vind, namelijk een glijpiep over de snaren. Er zal vast een officiële benaming zijn voor het geluid, maar ik word altijd enorm afgeleid door het glijden van de vingers over de snaren van het ene naar het andere akkoord. Echter met de kracht en overtuiging van haar boodschap, lukt het om me over deze kleine irritatie heen te zetten.

Julien Baker is een queer singer-songwriter uit een Christelijk gezin in Amerika. Aangezien er nogal wat vooroordelen bestaan (ook onder de bloggers van Ondergewaardeerde Liedjes) over ‘gelovigen’, ben ik altijd blij wanneer er artiesten zijn die bepaalde stereotypen ontkrachten. Zo ook Julien Baker die prima haar lesbische geaardheid kan combineren met haar geloof en zoals dat gelukkig ook prima kan in de kerk waar ik met regelmaat naartoe ga. Maar niet alleen dit vooroordeel weet zij te ontkrachten. Net zoals ieder mens kennen ook christenen twijfels, vraagtekens en ervaren zij verdriet en/of depressiviteit. Baker geeft daar op een schitterende wijze vorm aan. Veel van haar nummers hebben een donker randje en raken deze thema’s, of gaan zelfs nog explicieter verder in de richting van (drugs)verslavingen en zelfmoord.

Het nummer Rejoice is zo’n nummer. In dit nummer wordt haar vertrouwen op God, of ‘een god’ op de proef gesteld. Waar is die God en waarom antwoordt hij of zij mij niet? zegt ze in een interview dat over dit nummer gaat. De titel die ze heeft gekozen bij dit nummer is daarom natuurlijk erg treffend. Rejoice is typisch een woord dat veel voorkomt in evangelische liedjes die in kerken worden gezongen en gespeeld. Letterlijk vertaald zegt het ‘verheug je’ of ‘word blij’. Maar ja, wanneer je vol met gevoelens van falen en twijfel zit en daarnaast last hebt van de nodige verslavingen, dan kun je je suf verheugen, maar dan is een gevoel van geborgenheid misschien wel voldoende. Juist daarom is Julien Baker een geweldige artiest.

Keuze Klaas Kloosterman: I Hate Myself Because – Fck Me (2020)

Maar

Ondergewaardeerde liedjes vroeg de achterban op Twitter over welke liedjes er nog geschreven diende te worden. Naast een enkel obligaat verzoek (Grace van Tim Buckley kun je moeilijk nog een ondergewaardeerd liedje noemen) kwam men met opmerkelijke keuzes op de proppen.

Mij spreekt het gesuggereerde I Hate Myself – Fck Me direct aan. Hoewel ik er tot gisteren nooit van had gehoord, wil ik graag aan dit destructief verzoek voldoen. De combi I Hate Myself en Fck Me komt lekker binnen. Naam artiest en titel van het lied liggen mooi in één lijn en weerspiegelen perfect het gevoel waar elke gezonde jongen uit de polder met enige regelmaat mee worstelt. Het gevoel van walging omtrent de eigen persoon resulterend in de wens te willen worden overreden door a ten ton truck.

I Hate Myself, Fck Me! is de gedachte die zich opdringt bij jou als je het niet goed kunt zetten als je vriendje net iets meer heeft dan jij. Iets meer succes. Iets meer vriendinnetjes. Iets meer talent. Iets meer vrijheid.

I Hate Myself, Fck Me!, de gedachte die zich opdringt bij de man op de beer als hij de laagste van de laagste streken uithaalt om het leven van zijn buurjongen tot een hel te maken.

I Hate Myself – Fck Me! is de gedachte die rest voor de man die geen vriend meer over heeft. Slechts kennissen die bang zijn voor hem. En profiteurs die menen een graantje mee te moeten pikken van zijn wangedrag.

I Hate Myself – Fck Me! is voor de man die uiteindelijk oplost in het grote niets.

Als ik het liedje opzoek blijkt de band niet I Hate Myself, maar I Hate Myself Because te heten: een niet onbelangrijk detail, maar vooruit! Het liedje gaat ook helegaar niet over hel en verdoemenis.

I fucked up, that’s so fucking true
I should not have fallen in love with you

Er is dus nog hoop. Zelfs voor de man op de beer!

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.