Social
  • RSS feed
  • Twitter
  • Facebook
 

Ondergewaardeerde Liedjes


Een battle over Canada

Op 1 juli is het Canada Day! De dag waarop Canada in 1867 écht Canada werd. Een nationale feestdag die niet door elke Canadees zo wordt ervaren. Voor Ondergewaardeerde Liedjes is het natuurlijk een gouden gelegenheid om even stil te staan bij de muzikale rijkdom uit dit prachtige land.

Er is een rijtje rockbands en artiesten die iedereen wel kent: Neil Young, The Tragically Hip, The Band, Arcade Fire en Leonard Cohen. Maar is er veel meer. Dit zijn de Canadese knalplaten volgens de bloggers van Ondergewaardeerde Liedjes.

Keuze Annemarie Broek: Kate & Anna McGarrigle – Complainte Pour Sainte Catherine (1975)

Intiem

Toen ik rond 1976 voor het eerst het nummer Complainte Pour Sainte Catherine op de radio hoorde, was het alsof de bliksem insloeg. Wat een vreemde stemmetjes, wat een gek orkestje, wat een apart ritme. Boeiend, maar daarna compleet vergeten. Het was dan ook slechts een bescheiden hitje in de Nederlandse Top 40.

Enkele jaren later kreeg ik via mijn French Connection een muziekcassette. Het eerste nummer was Kiss And Say Goodbye en de stemmetjes herkende ik onmiddellijk. Het was de eerste elpee van Kate en Anna McGarrigle. Ook de overige nummers van het bandje kon ik wel waarderen.

De zusjes Kate en Anna waren al een aantal jaren actief in de Montrealse folkscene en van daaruit gingen zij zelf ook liedjes schrijven. Maar voordat ze zelf ook maar één nummertje hadden opgenomen, had Linda Ronstadt al in de hitparade gestaan met nummers van hun hand als Mendocino en Heart Like A Wheel. Daaraan ontleenden de zusters in 1975 de moed om ook zelf een elpee op te nemen. Er werkten heel wat beroemde sessiemuzikanten mee, bij voorbeeld Lowell George (ex-Frank Zappa, Little Feat), Bobby Keys (Stones, Keith Richards) en Andrew Gold  (hofleverancier van een aantal herkenningstunes voor TV-series). Niet de eersten de besten dus!

Kate McGarrigle was een een aantal jaren getrouwd met de Amerikaanse singer/songwriter/acteur Loudon Wainwright III; getuige het nummer Go Leave, dat op deze elpee staat, was het niet zo’n fijne verbintenis. Samen hadden ze twee kinderen, Rufus en Martha, die inmiddels ook bekend geworden zijn als singer/songwriters. Anna McGarrigle is nog immer getrouwd met journalist Dane Lanken; ze hebben ook twee kinderen, Sylvan en Lily.

Heart Like A Wheel is vele malen gecoverd. De versie van Linda Ronstadt wordt het meest geroemd, maar ook Rufus en Martha, The Corrs en onze eigen Alderliefste hebben zich eraan gewaagd. Die van Alderliefste vind ik nog de minst erge, voornamelijk omdat Kate en Anna hier zelf hun medewerking aan verleenden. Mendocino is ook al vaker gecoverd, maar weer geldt: er gaat niets boven de zingende zussen zelf! Alle uitvoeringen missen namelijk de intieme sfeer en de mooie, bijzondere en soms snijdende harmonieën die kenmerkend zijn voor de muziek van Kate en Anna.

Maar uiteindelijk gaat het over Complainte Pour Sainte Catherine waar ook bijna iedereen zich aan bezondigd heeft (onder andere Kirsty McColl en Marie Frederiksson). Prachtig liedje, met een beetje geheimzinnige tekst over een metrostation in Montreal. Niemand begrijpt eigenlijk wat de strekking is. Ze namen het al eerder op en daarom valt het een beetje uit de toon bij de andere liedjes van deze elpee. De grote kracht van  Kate en Anna is dat ze een heel ingetogen geluid voortbrengen, waardoor je als  luisteraar als vanzelf in hun intieme wereld wordt binnengetrokken. Je wilt stil zijn en luisteren. Die intimiteit ontbreekt bij alle coverversies.

Keuze Der Webmeister: The Pursuit Of Happiness – I’m An Adult Now (1986)

Idyllische jeugdherinneringen

Eind jaren ’50 emigreerden mijn ouders naar Canada, zoals zovele Nederlanders in de jaren na de oorlog. Dat emigreren ging in hun geval nog ouderwets vanuit de haven in Rotterdam, uitgezwaaid vanaf de kade door de voltallige familie, voor een bootreis van vele dagen. Eenmaal in Canada vonden mijn ouders werk en een bescheiden huis En er kwamen kinderen, waaronder dus ondergetekende.

Tot mijn zevende heb ik in Canada gewoond, maar muzikaal herinner ik me helemaal niets van die periode. Wel de lange strenge winters en de enorme hoeveelheden sneeuw die er soms lagen, de obsessie voor ijshockey waar ik als kleuter aardig mee besmet was geraakt, de hete zomers en de geur van dennenbossen, de uiterst vriendelijke hippies die in onze buurt woonden, het enorme uitgestrekte landschap, de shopping malls waar ik serieus ooit een keer in verdwaalde, en de regelmatige ritjes naar het vliegveld in Toronto wanneer er weer eens familie uit Nederland overkwam. Het leven was er wellicht simpel eind jaren ’60, maar iedereen leek tevreden en gelukkig, zeker in de ogen van een kleuter van zes.

Terug in Nederland bivakkeerden we de eerste maanden op de donkere zolder in het rijtjeshuis van mijn grootouders, een schril contrast met het onbezorgde leven in de eindeloze ruimte van Canada. Ik kwam halverwege het jaar op de kleuterschool, met allemaal nieuwe gezichten. Ik moest, kortom, heel erg wennen aan dit nieuwe vreemde land. Ergens in die periode liep ik van de kleuterschool naar het huis van mijn grootouders, en hoorde ergens op de de radio van werklui het nummer Chirpy Chirpy Cheep Cheep van Middle Of The Road. Een uiterst simpele Engelse tekst die ik als zesjarige zowaar verstond en ook min of meer dacht te begrijpen. Een lied dat me vanwege het Engels deed terugdenken aan Canada, en waardoor ik me even weer thuis voelde. Nog altijd als ik dit lied hoor roept dat altijd gelijk de smaak en geur van Ligakoeken bij me op. En het is mijn oudste muzikale herinnering, zover ik me herinner.

Bij al deze idylische jeugdherinneringen past natuurlijk maar één lied van Canadese makelij, en wel I’m An Adult Now, het in eigen beheer uitgebrachte debuutsingeltje van de Canadese powerpopband The Pursuit Of Happiness. Al jaren terug te vinden in de Snob 2000 keuzelijst, maar nog nooit tot de eindlijst doorgedrongen helaas. In 1986 was het een monsterhit in het toenmalige tehuis voor ondergewaardeerde liedjes, de Verrukelijke Vijftien, die sinds een paar weken gereïncarneerd in de zondagnachten van Radio 2. I’m an Adult Now bezingt de harde kanten van het opgroeien en volwassen worden, de problemen en verantwoordelijkheden die daarmee gepaard gaan afgezet tegen de onbezorgdheid van je kinderjaren.

Keuze Martijn Janssen: Daniel Lanois – The Maker (1989)

Muziekantenpareltje

Daniel Lanois is een naam die bij velen wel een belletje doet rinkelen. Als producer staat hij bekend om zijn atmosferische producties en hoe hij het beste in artiesten naar boven kan brengen. Die lijst met artiesten en albums zal in geen enkele muziekcollectie misstaan. Bob Dylan (Oh Mercy en Time Out Of Mind), U2 (onder andere The Unforgettable Fire, The Joshua Tree en Achtung Baby), Emmylou Harris (Wrecking Ball), Peter Gabriel (So) en Willie Nelson (Teatro), het zijn slechts enkele namen maar het is al een lijstje waar je u tegen zegt.

Eind jaren tachtig balde alle creativiteit samen. Want in korte tijd nam Lanois in de stad New Orleans het album Oh Mercy op van Bob Dylan, Yellow Moon van The Neville Brothers en zijn eigen debuutalbum Acadie. Hoewel verschillende grote namen meedoen is het geen producer’s allegaartje geworden met een waslijst van gasten voor elk nummer. Nee, dit is een echt singer-songwriter album, een geheel met een eigen geluid en eigen nummers. De stem van Lanois is net zoals zijn productie, warm maar ook een beetje zompig, net zoals de moerassen rondom New Orleans.

Jammer genoeg heeft het album qua hitlijsten nooit veel gedaan. Maar het nummer The Maker is in de loop der jaren wel opgepikt door een aantal andere artiesten, met covers van onder andere Emmylou Harris, Willie Nelson en zelfs de Nederlandse band Moke. En wellicht is dat nu ook de charme van Acadie, dat het zo’n pareltje is dat langzaam wordt geëerd door en doorgegeven aan anderen.

Keuze Marco Groen: Jeff Healey Band – Something To Hold On To (1990)

Blind Fiddler

Aan het eind van de jaren tachtig vielen vrouwen bij bosjes om bij de verschijning van Patrick Swayze. Zijn populariteit had hij voornamelijk te danken aan de miniserie North & South, Dirty Dancing en, iets later, Ghost. Allemaal producties die volkomen gericht leken te zijn op de genoemde doelgroep. De film Road House is hier een uitzondering op. Bij deze film draaide het voornamelijk om vechtersbazen, een kroeg, een rijke pestkop en… erg prettige muziek. Road House is een film waarbij verschillende klassiekers uit verschillende genres je om de oren vliegen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan On The Road Again (Canned Heat), Long Tall Sally (Little Richard) en Road House Blues (The Doors). Dat gegeven is al prettig, maar het wordt nog beter: al deze nummers werden ‘live’ in de kroeg van Road House (The Double Deuce) gespeeld door een artiest die op dat moment nog niet grote bekendheid genoot in ons kikkerlandje: Jeff Healey.

Jeff Healey kan iets dat sommigen (ik) nooit zullen leren: goed gitaar spelen. Het hebben van ogen helpt tijdens zo’n leerproces, maar mensen zoals Healey bewijzen dat het geen noodzaak is. Healey’s ogen werden op één-jarige leeftijd geamputeerd vanwege een tumor. Het weerhield hem er niet van een gitaarheld te worden. Het kan zelfs een voordeeltje hebben opgeleverd; het verliezen van een zintuig wil er nog wel eens voor zorgen dat andere zintuigen versterkt worden. De wetenschappelijke onderbouwing van deze bewering laat ik voor nu even in het midden. Het debuutalbum van The Jeff Healy Band was in ieder geval een succes. Zelfspot en een gezonde dosis humor was Healey ook duidelijk niet vreemd, want de blinde artiest had zijn album See The Light getiteld. Het was een tijdperk waarin de tenen wat korter waren en niemand hier aanstoot aan nam.

Zoals gezegd kreeg Healey hier in het moeras (Nederland) enige bekendheid na zijn optreden in Road House. Zijn tweede album, Hell To Pay haalde een keurige zestiende plaats in de Nederlandse Album Top 100. Gezien de gerenommeerde artiesten die acte de présence gaven op dit album is dit ook niet echt raar te noemen. Zo zijn er gastoptredens op te vinden van George Harrison (While My Guitar Gently Wheeps), Jeff Lynne (op hetzelfde nummer), Mark Knopfler (I Think I Love You Too Much), Paul Shaffer (u kent hem wellicht van David Letterman) en Bobby Whitlock (bekend van Derek & The Dominos; de band achter het nummer Layla),  Ook doet ene Steve ‘The Colonel’ Cropper een duit in het zakje met How Long Can A Man Be Strong. Evengoed, er staat genoeg werk op dat volledig op het conto van Healey zelf komt. Something To Hold On To springt hiervan het meest, huh… in het oog. Het is zo’n typisch nummer dat je na een luisterbeurt niet meer vergeet. Something To Hold On To is een lekker eendimensionaal nummer dat geen diepere lagen of bedoelingen lijkt te bevatten. Gewoon ongecompliceerde recht toe rechtaan-rock ‘n roil. En dat kan heel goed uitpakken.

In 2008 kwam er een bruut einde aan de muzikale carrière van Jeff Healey. In 2005 kreeg hij opnieuw kanker, dit keer in zijn benen; in 2007 waren zijn longen aan de beurt. Ondanks operaties, chemokuren en bestralingen stierf Jeff Healey in maart 2008 op 41-jarige leeftijd. Het toeval wil dat in diezelfde maand Patrick Swayze eveneens te horen kreeg dat hij alvleesklierkanker had. Swayze stierf in 2009 aan de gevolgen daarvan. De dood weerhield Healey er overigens niet van om nog even doodleuk een paar albums uit te brengen. Post mortum verschenen Songs From The Road en Last Call. Tevens bracht de platenmaatschappij nog een paar compilatie- en livealbums uit.

Keuze Jan-Dick den Das: The Tea Party – Halcyon Days (1999)

Een tijd van vreugde

The Tea Party was het eerste waar ik aan dacht bij deze battle. En laten we duidelijk zijn het gaat om de band niet om de politieke rechtse verzetsbeweging in Amerika. De band werd in 1990 opgericht en timmert sinds die tijd in dezelfde bezetting aan de weg. Nou oké, er was een onderbreking van een paar jaar, waar zanger Jeff Martin,solo ging. In 2011 kwamen de mannen weer bij elkaar.

Een driemansformatie die blues, rock spelen en daarbij ook invloeden uit het Midden Oosten niet schuwen. En juist dat laatste element sprak mij enorm aan toen ik de band voor het eerst live zag als voorprogramma van Queensryche. Plaats van handeling Ahoy, Rotterdam 3 februari 2000.

Het nummer Halcyon Days, is intrigerend, sfeervol, en verrassend het zou eigenlijk een klassieker moeten zijn. En iedereen weet hoe het gaat hele mooie nummers krijgen vaak niet die aandacht die ze zouden moeten krijgen. Als het niet wordt gedraaid op de radio zijn je kansen niet heel groot. En toch het is misschien ook wel een klassieker maar een in de categorie zwaar ondergewaardeerd. En eerlijkheid gebied mij te zeggen dat ik de band ook niet meer heel scherp op het netvlies had. Totdat…………..deze battle zich aankondigde.

I can’t explain, but this disdain remains
Some treason I can’t reason
They left me here for dead, my dear
Barely breathing, but I’m still breathing

Halcyon Days is een periode in de winter waar het weer rustig is, wat volgens de overlevering staat voor rust en voorspoed, een tijd van vreugde. En als mens ben je daar in wezen altijd naar op zoek en zou je het ook iedereen toe willen wensen.

Now I see a light
It’s shining from above
I think they’ve finally come
The halcyon days

The Tea Party zelf zijn nog steeds springlevend, toeren nog volop en hebben in december 2019 een  EP afgeleverd genaamd  Black River. Na alle Corona-shit van de afgelopen tijd heb ik wel weer zin een feestje. En dan vooral in The Tea Party want, dat werd weer duidelijk door deze batte het is al te lang geleden dat ik ze gezien en gehoord heb.

Keuze Stefan Koopmanschap: Do Make Say Think – The Landlord Is Dead (2000)

Het verhaal dat met deze muziek verteld wordt is meeslepend en boeiend

Het was eind jaren 90 dat de post-rock ineens explodeerde. Met name Godspeed You! Black Emperor zorgde ervoor dat, in ieder geval in mijn bubbel, iedereen het erover had. Alleen ik kon niet zo heel veel met GY!BE. Het was me te moeilijk, te donker, ik weet het niet. Het trok me gewoon niet zo. Mijn vrouw (toen nog vriendin) daarentegen was helemaal verkocht. Al snel kwamen er steeds meer albums van artiesten gerelateerd aan GY!BE in huis. En het trok me allemaal niet zo. Tot ik ineens iets hoorde waar ik kippenvel van kreeg. Wat me zo enorm greep.

Het was muziek van een band die ook hun albums uitbracht op het label Constellation Records. Ook een Canadese band (blijkbaar was deze sound vooral hip in Canada). Het ging om Do Make Say Think. Wat me vooral greep was The Landlord Is Dead. De lichte gitaarmelodie in combinatie met de prachtige dromerige blazers greep me bij de keel en liet me niet meer los. Het spelen met het volume. Harder, zachter. Het verhaal dat met deze muziek verteld wordt is meeslepend en boeiend. En ik snapte niet waarom iedereen liep te dwepen met Godspeed You! Black Emperor terwijl dit er ook was. Dit was toch zo veel beter?

De ‘massa’ was het niet met me eens. Ik zag Do Make Say Think op een avond in de Ekko in Utrecht en hoewel het hele concert goed was was het wederom The Landlord Is Dead wat door merg en been ging en wat mij compleet omver blies.

Toegegeven, jaren later kreeg ik de mogelijkheid om GY!BE eens live te zien en, wijsheid komt met de jaren?, ik heb een prima avond gehad en genoten van de muziek. Maar ik blijf van mening dat Do Make Say Think, die toch een beetje in de schaduw bleef van Godspeed, eigenlijk beter is.

Keuze Erwin Herkelman: Conjure One ft. Sinead O’Connor – Tears From The Moon (2002)

Het dance-avontuur van Sinead O’Connor

Het leek wel of ik Sinead O’Connor hoorde. Maar het nummer dat dan kennelijk gesampled was, dát herkende ik niet. Wat was het dan? Zou het gewoon een zangeres zijn die qua stem heel veel op de Ierse leek? Ik kon het me bijna niet voorstellen, haar geluid was zó uniek, dat kón toch haast niet missen? Aan de andere kant kon ik me ook niet voorstellen dat de grote Sinead O’Connor zich zou lenen voor het inzingen van een trance-nummer van een mij onbekende artiest.

Maar toen ik het nummer opzocht, werd duidelijk dat dit toch écht Sinead O’Connor betrof. Zij had wel degelijk haar vocalen geleend voor dit nummer. En de onbekende artiest bleek toch niet zo’n onbekende artiest te zijn. Achter Conjure One ging namelijk een Canadese producer schuil die ook lid was geweest van de Front Line Assembly. Een gezelschap dat wordt gezien als een van de pioniers van de elektronische muziek. Daarnaast was hij een van de producers achter Delerium. Een dance-act die in 1999 de monumentale trance-klassieker Silence uitbracht.

Een aantal jaren daarvóór had hij de Front Line Assembly echter al verlaten. Hij had een studio opgericht in Amsterdam met als doel op korte termijn een solo-album uit te brengen. Maar door het vele remix- en producerwerk dat hij ondertussen oppakte, én natuurlijk het ongekende succes van Delerium dat tussendoor kwam, zag zijn solo-album echter pas het licht in 2002.

Maar dat was misschien ook wel net het geluk. Want niet lang daarvóór was voor Sinead O’Connor een nieuw avontuur begonnen. Een remix van Mike Push, destijds ook een grote naam in de scene, van Troy (Phoenix From The Flame) was als single uitgebracht en een flinke clubhit geworden, vooral in de Verenigde Staten. Het had zelfs een nominatie in de wacht gesleept voor een International Dance Music Award. En dat smaakte kennelijk naar méér. Naar nieuw materiaal: Tears From The Moon. Die ík toch het fijnste vind klinken in de Tiësto-remix.

Keuze Remco Smith: Wolf Parade – I’ll Believe In Anything (2005)

Heimwee naar Festivals

Nu de lockdown langzamerhand weer wordt beëindigd is het tijd voor reflectie. Wat heb ik nou absoluut niet gemist in tijden van Corona- Covid 19 en waar heb ik grote heimwee naar.

Persoonlijk vind ik enige fysieke afstand prettig. Het kennelijk noodzakelijke drie keer op wangen zoenen kan mij gestolen worden. Het geven van handen bij een ontmoeting: ik kan zonder. Kwestie van gewenning. En het gezicht in plooi houden bij een zweterige of plakkerige hand, is niet meer nodig. Zo bezien is er wel het een en ander waar je best zonder kan, of op zijn minst met een beetje minder.

Wat ik echt, echt, echt mis is concertbezoek. Ik had er best wel wat in mijn balboekje, waaronder Paul McCartney in de Goffert. Het is maar de vraag of die nog weer gaat komen. Wat ik nóg meer mis, zijn de concerten met ondergewaardeerde liedjes. In ondergewaardeerde zalen als Rotown. Rotown heeft al gemeld dat concerten met inachtneming van 1½ meter onhaalbaar is dus dat duurt nog wel even. Ik denk dat dat er in 2020 niet meer in zit.

Wat ik nog meer mis is festivalbezoek. Ik had dit jaar na meerdere keren Best Kept Secret een bezoek aan Down The Rabbit Hole in gedachten, maar dat is er in 2020 niet van gekomen. Het leuke aan festivals als deze is niet de headliner. In vier keer BKS heb ik meer dan de helft van de keren de headliners niet eens gezien. Bij festivals als deze moet het voor mij gaan om de onbekende pareltjes, die tot voor kort aan mij voorbij waren gegaan en waar ik na een uur concert opeens voor het leven fan van ben. Bij BKS is dat bij iedere editie meermalen gelukt: King Gizzard & Lizard Wizard, Jo Goes Hunting, Thomas Azier, Kim Janssen, Explosions In The Sky en Marlon Williams, om een willekeurig aantal te noemen, waren voorafgaand aan de betreffende edities voor mij onbekend en gaven prachtige concerten.

Je ziet het in de tent gebeuren. Publiek dat langzaam binnendruppelt, elkaar aanstotend: Ken je dit? Neuh, wat op Spotify stond was wel oké. Ben benieuwd. Waar vervolgens een band zijn stinkende best doet om het afwachtende publiek voor zich te winnen. Als dat lukt is dat niet minder dan magie. In 2016 stond ik met open mond naar een stel voor mij nog onbekende Canadezen te kijken. Het concert was al prachtig. Tijdens I’ll Believe In Anything had ik kippenvel tot op mijn tenen. In mijn broekzak trilde mijn mobiel. Mijn goede vriend Maikel, die aan de andere kant van het publiek naar hetzelfde concert stond te kijken. WOW stond er op het scherm. Dat was geen woord teveel gezegd.

Keuze Guido de Greef: Kate & Anna McGarrigle – Le Bambocheur (2005)

Ik luister alles van de familie Wainwright, zei ze. Ze keek er verliefd bij, terwijl ze aan de nieuwe CD  van Rufus dacht
Alles?, vroeg ik.
Alles, Loudon en Martha. Allemaal geweldig, bevestigde ze.
En Kate en Anna McGarrigle?, informeerde ik.
O, die. Die zingen toch zo vals?, zei ze.
Vals?, riep ik verontwaardigd. Nee, juist mooi.

Ik werkte op de muziekafdeling van de bibliotheek en had vaker dit soort gesprekken met klanten. Ik hield me doorgaans wat op de vlakte, wat niet m’n sterkste kant is, maar de zusjes McGarrigle beledigen, dat ging me te ver. Ik plukte het titelloze debuut uit de bakken. Die plaat met de enige hit van de dames, Complainte Pour Ste. Catherine dat, hoe Canadees, over de taalstrijd tussen Frans en Engels gaat. Het is hun bekendste album.

O, die lp ken ik wel, zei een oudere collega bij de bibliotheek, type verstokte hippie.
Die draaiden we heel vaak in het buurthuis, ging hij verder, maar na een tijdje was ik ‘m spuugzat. Ik kon ‘m niet meer horen. Hebben we een joint op de elpee gelegd terwijl hij draaide.

Het fijne van werken op de muziekafdeling van een bibliotheek is dat je gratis CD’s kunt lenen. En omdat je als bibliotheek ook een publieke functie hebt, is de collectie verrassend breed. Zo stond ook de cd La Vache Qui Pleure uit 2004 in de schappen. Ik leende die CD. Zouden de zusjes McGarrigle het nog een beetje kunnen? Het antwoord op die vraag liet zich raden.

Ik wilde de CD graag hebben, maar kon er in Nederland niet aan komen. Een vriend van me studeerde op dat moment in Canada. Ik stuur hem vaker op onmogelijke opdrachten (ooit ging hij in een buitenwijk van Graz op zoek naar een CDd van het obscure Oostenrijkse duo Attwenger, wat ‘m trouwens is gelukt) en dit leek me een mooie nieuwe queeste. Al keek de verkoper wel vreemd toen hij op de muziekafdeling van een groot warenhuis in Toronto naar Kate & Anna McGarrigle vroeg. Ze hadden ergens nog wel een bakje ‘Franstalige Canadese muziek’.

Ik ben ‘m daar nog altijd dankbaar voor. La Vache Qui Pleure is een prachtig album. De liedjes klinken alsof de tijd in Acadië stil is blijven staan. Alles klinkt krakkemikkig in liedjes als Petite Annonce Amoureuse en Ah Tournesol. Dat hoor je het beste in Le Bambocheur, met een gammele, bijna valse viool. Daarover zingt Kate al even onvast over haar liefde voor een schuinsmarcheerder (un bambocheur). Het kraakt en piept, de zang klinkt overstuurd. Een goede producer had die onvolkomenheden gladgestreken. Een heel goede producer laat de foutjes zitten.

Ik had de zusjes McGarrigle graag een keertje live gezien, maar na La Vache Qui Pleure zijn ze nog maar één keer in Nederland geweest. Kate overleed in 2010.

Keuze Willem Kamps: Black Mountain – Stormy High (2008)

Hard en gruizig

Waarom precies weet ik niet, maar wanneer het over Canadezen gaat, plopt vanzelf de oorlog in m’n achterhoofd. En de Canadezen dan niet als strijders, maar juist als bevrijders, en gevoelsmatig kwamen ze daarbij een stuk gezelliger over dan de Amerikanen. Trees had dan ook een Canadees, Sjaan geen Amerikaan. Het zal een zekere bescheidenheid zijn, de doorsnee Amerikaan vreemd, hun zuiderburen van groter, grootst en sterker, sterkst, nog afgezien van het Make America Great Again-geschreeuw. Een Canadees is van een andere slag en dat hoor je ook terug in de muziek, net dat extra beetje eigenzinnig- en verfijndheid, waarmee zij dichter bij ons, de Europeanen, staan.

Mooi voorbeeld daarvan is Black Mountain, een op het eerste oor samengeraapt gezelschap uit de contreien van het Canadese Coevorden, Vancouver. Hun muziek? Discogs omschrijft het als een combinatie van Blues, Psychedelia, acid Rock, and The Velvet Underground. Een vooral donker, hard en gruizig geluid, waarin echo’s doorsijpelen van punk en new wave. Niet zo gek want oprichter en gitarist Stephen McBean begon als twaalfjarige al een punkbandje, Jerk Ward, en evolueerde met bands en muziekstijl via Gus, Ex Dead Teenager en het duo Jerk With A Bomb tot Black Mountain, dat inmiddels zijn vijfde langspeler heeft uitgebracht.

Met Florian Saucer Attack had de band in 2016 een ‘hit’ in Pinguin’s Graadmeter: drie weken bovenaan. Echt commercieel succes is Black Mountain vooralsnog vreemd, maar ze doen het goed genoeg om al zestien jaar muziek te maken zonder concessies. De combinatie van heavy gitaarriffs, de zwevende mellotron, de beukende drums, de analoge Moogsynthesizer, de lijzige zang van McBean en het geëxalteerde stemgeluid van Amber Webber: maak me ‘s nachts maar wakker.

Lekkere riffs, daar zit McBean’s kracht. Zo kende Mothers Of The Sun de riff van het jaar 2016 volgens poprecensent Robert van Gijssel van De Volkskrant, maar ik kies voor die in Stormy High. Met dat nummer leer je in iets meer dan vier minuten het geluid van Black Mountain, de bevrijdende Canadese rockrevelatie, kennen, te doorgronden en lief te hebben. Voel je net als Trees.

Keuze Tricky Dicky: The Pack AD – Yes I Know (2017)

Even wat anders

Vlak na de Tweede Wereldoorlog besloten mijn vader’s zus en haar man plus twee kleine kinderen naar Canada te emigreren. Daar waren verschillende redenen voor: de hoge werkloosheid, de woningnood en de teleurstelling  in de onveranderde Europese politiek. Bovendien animeerde de politiek onder aanvoering van Willem Drees het actief en ook Juliana deed een duit in het zakje door te zeggen dat de snelle bevolkingsgroei en de beperkte oppervlakte aan beschikbare grond een krachtdadige bevordering van de emigratie vereisen. Nederland had toen 10 miljoen inwoners. Eigenlijk is er weinig veranderd. Anno 2020 hebben we bijna twee keer zoveel inwoners, is er woningnood, werkeloosheid, veel (verborgen) armoede en voedselbanken, hobbelen we van crisis naar crisis ten koste van de belasting betalende burgers en hebben we met de E.U. een politiek gedrocht geschapen.

Mijn oom en tante eindigden in Vancouver en in 1986 ben ik naar ze toe gegaan. Ik had ze en mijn neef en nicht enkele keren in Nederland ontmoet, maar ik was nieuwsgierig en dacht serieus na over emigratie. Vancouver bleek een Europees aandoende stad gelegen aan de Pacific met een schitterend achterland. Samen met mijn neef en nicht ben ik wezen varen en heb heerlijk geskied op Whistler. Een leuke meid ontmoet, maar bij terugkomst in Nederland bleek de emigratie nogal wat voeten in de aarde te hebben en gebonden aan vele regels. Om een lang verhaal kort te maken, ik heb uiteindelijk besloten het niet te doen. Er zijn dagen dat ik er spijt van heb, maar tegelijkertijd heb ik weer veel andere mooie dingen gedaan.

Toch wilde ik daarom voor een band uit Vancouver kiezen en kwam uit bij The Pack AD. Een garage-rockband bestaande uit slechts twee dames die gezamenlijk een muur van geluid optrekken waardoor je het idee hebt dat er minstens twee keer zoveel op het podium staan. De muziek zwerft tussen blues, psychedelica, new wave en punk: een mix van The White Stripes, The Kills en The Black Keys. Ze hebben sinds hun oprichting in 2006 acht albums en twee EP’s uitgebracht. Ze schijnen een sensatie op het podium te zijn. Ik geloof het.

Keuze Alex van der Meer: Gord Downie – Bedtime (2017)

Rust zacht

Het land Canada spreekt aan, met name ook vanwege indrukwekkende artiesten. Neil Young is inmiddels een Amerikaan, maar voor mij blijft het één van de toppers uit Canada. Ik zou graag eens over hem schrijven. Net zo goed dat ik graag eens The Band zou willen behandelen, of anders weer een keer Kathleen Edwards, Ron Sexsmith, Joni Mitchell of Leonard Cohen.

Genoemde namen zitten muzikaal gezien op de top van Mount Logan, maar daar hoort in ieder geval nog zeker een andere act bij, de band The Tragically Hip. Deze band begon in 1984 en is uiteindelijk gestopt in 2017. Op geen enkele manier was The Hip een standaard rockband. Ook al was de muziek van deze act geworteld in de recht-door-zee rock-traditie, er was altijd ook sprake van eigenzinnigheid. In elk nummer van de band voel je de aanwezigheid van een spitse laag van inhoud en persoonlijkheid. Ooit zag ik deze band live. Dat moet ergens begin jaren ‘90 zijn geweest. Het was nog in het oude Tivoli in Utrecht. Vanaf het balkon zag ik een zeer geïnspireerde band, met een frontman die wel heel erg opging in de muziek, zonder bedachte pose, zijn ziel duidelijk zichtbaar. Ik herinner het me nog als de dag van gister. Eigenlijk had ik zo’n ‘presence’ zelden gezien. Dat ik sindsdien een zwak heb voor de band is een understatement.

How you would cry
And I’d come back
Yeah, I’d come back
And lift you up
Sit back down with you
Try to start all over again
Start slowly rocking again
Start all over again

De frontman van de band was Gord Downie. Hij overleed op 17 oktober 2017, tien dagen later kwam postuum zijn laatste solo-album uit. Introduce Yerself is een prachtalbum, al kost het me moeite om het in geheel in één keer te beluisteren. De muziek is niet te moeilijk, maar ook hier ervaar je de diepte. Het verhaal van zijn verloren strijd met kanker maakt het dat het me niet lukt de muziek – als het ware – rustig om me heen te laten dwarrelen. Simpelweg genieten van de muziek is haast niet mogelijk, ondergaan en voelen, dat is het. Het pianonummer Bedtime is voor mij verder nog erg speciaal omdat het zo liefdevol gaat over een vader die zijn kindje in slaap wiegt en naar bed brengt. Het is een bekend en vertrouwd ritueel, maar het voelt hier zo essentieel. Alsof het iets is waar de hele wereld uiteindelijk om draait. Het nummer is – net als de zanger zelf, en net als zijn band – ondanks schijnbare eenvoud niet te onderschatten en uiteindelijk onschatbaar waardevol.

Keuze Joop Broekman: Metz – Dry Up (2019)

De marteling duurt voort

Het is de vrijdagavond tijdens Motel Mozaique 2018. MoMo-junkie Michiel en ik hebben er al wat acts op zitten als we Rotown binnen komen. Heel erg op tijd voor Metz, en ik heb Michiel misschien wel ingeprent dat hij deze band echt moet zien. Ik heb ze twee jaar ervoor al meegemaakt op dezelfde plek, en eindigde toen in de moshpit. Het was een geweldig optreden, maar ik verwacht nu nóg meer. En ik heb me toch een partij zin in gitaargeweld, na een drukke werkweek. Eerst nog even de weirdo’s van Warmduscher doorstaan.

Rond kwart voor twaalf slaat gitarist en zanger Alex Edkins zijn eerste noten aan tijdens de soundcheck. Het geluid overstemt ruimschoots de pauzemuziek. Michiel pakt alvast zijn oordoppen. De mijne liggen nog thuis, het verstand gaat op nul en een laatste biertje door de keel. Als de zaterdag officieel begint, trapt Metz af met The Swimmer. Het sein voor een uur lang genadeloos gebeuk op alle menselijke zenuwen. Om mijn gehoor een beetje sparen sta ik centraal bijna vooraan. In een grote zaal sta je dan nog redelijk veilig. Voor wie echt nog nooit in het Rotterdamse Rotown is geweest: zo vlak voor het podium is de moshpit waaraan geen ontsnappen mogelijk is, tenzij je stijf aan de zijkant geplakt staat. Al gauw ben ik veruit de oudste in de pogonaise. Michiel komt ook nog een paar keer voorbij gesprongen. Het optreden komt in mijn Top 10. Ergens na 02.00 stap ik op mijn fiets, nog lang niet opgedroogd. De oren suizen nog na, maar ik heb wel een nieuw bandshirtje gescoord.

Eind 2015 blogde ik al eerder over Metz, en dat ging vooral hoe ik hun tweede album (II) beleefde. Mijn kennismaking met het Canadese trio. De band komt uit Ottawa, en bestaat naast Edkins uit Chris Slorach op bas en Hayden Menzies op drums. Opgericht in 2008 duurt het even voor ze vier jaar later het juiste zetje in de rug kregen door een platendeal bij Sub-Pop. Hun titelloze debuut uit 2012 doet het meteen goed in Indie-land. Met II komen ze drie jaar later pas echt goed binnen vallen. Soms denk ik dat Kurt Cobain zo had willen klinken met Nirvana. Dan is II een beetje te vergelijken met Nevermind, bijna net zo gepolijst. Niet dat de band het zo ervaart, maar voor Strange Peace (2017) wordt Steve Albini er bij gehaald. De perfecte man om het noise-en hardcoregedeelte in de punkrock van Metz nog verder mooi in te kleuren. Vorig jaar verscheen compilatie Automat en de band bracht ook regelmatig singles uit. Misschien heb je ze vorige zomer nog gezien in Amsterdam tijdens het Loose Ends festival, waar ze het qua geluid van iedereen wonnen.

Keuze Jeroen Mirck: Klô Pelgag – Rémora (2020)

Zuigkracht

Canada is een land van extremen. Dat begrijp je pas als je Canadezen kent (check) en ooit in het land bent geweest (check). Denk vooral niet dat Canada eigenlijk een soort V.S. is, gelet op artiesten als Neil Young, Drake, Bryan Adams en Alanis Morrissette. Canada is compleet anders, al is het maar omdat er twee talen worden gesproken: Engels en Frans. Beide taalgroepen verschillen behoorlijk van elkaar en worden nog aangevuld door de ‘First Nations’, een allegaartje aan oorspronkelijke bewoners die tal van eigen talen spreken.

Voorafgaand aan deze Canada-battle zocht ik contact met mijn Canadese vriendin Natasha Cloutier, bekend als DJ Natashka met als specialisatie Franstalige muziek. Ze dreigde onze vriendschap op te zeggen als ik Céline Dion zou noemen, dus doe ik dat maar niet. Als tips noemt ze de vroege Franstalige rock-opera Starmania, met onder meer het dansnummer Ce Soir On Danse à Naziland van Nanette Workman. Stoer en sexy is het Franse werk van Rufus Wainwright. En luister ook zeker eens die gekke hit Tassez-vous De D’là van Les Colocs, een reggae-nummer over een drugsverslaafde die overlijdt na een overdosis.

Aangezien ik vind dat een Canada-battle eigenlijk voor vijftig procent uit Franstalige muziek zou moeten bestaan, kon ik zelf niet anders dan iets ‘Frans’ uitkiezen. Dat brengt me bij de jonge singer-songwriter Klô Pelgag, die dit jaar haar derde album heeft uitgebracht, getiteld Notre-Dame-Des-Sept-Douleurs. Ze klinkt een beetje als Kate Bush of de bekende Canadese zangeres Diane Dufresne.

De eerste single van dit album, Rémora, is vernoemd naar een vis die zich vast zuigt aan grotere vissen. De zangeres zegt er zelf het volgende over: The song is about dependency to a toxic, bloodsucking relationship, to which you hang on even though it drags you down to the bottom of yourself. Eventually, you have to heal from it.

De bijbehorende videoclip probeert zo’n verstikkende relatie te visualiseren. Regisseur Baz (een vriend van Pelgag) koos voor de gekke, parasitaire relatie tussen een artiest en haar publiek en entourage. Bizar is de video zeker, net als de theatrale muziek zelf. Eigenzinnig en uitdagend. Reden genoeg om er eens nader kennis mee te maken.

 
 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.