Loop vandaag een gemiddelde puberkamer binnen en het zal opvallen dat de popidolen van vroeger in veel mindere mate, of niet aanwezig zijn. Ja, er zullen heus uitzonderingen zijn, maar het idool van vandaag zit in de smartphone van iedere puber en kan op ieder gewenst moment opgeroepen worden. De bloggers die voor het grootste deel uit de vorige eeuw komen hadden als puber vaak een poster van hun idool boven het bed, of elders in de kamer. Om je mee te identificeren, om verliefd op te zijn, of om over een zelfde toekomst te dromen. Over welke posters het ging leest u in onderstaande battle.

Keuze Annemarie Broek: Pat Boone – April Love (1958)

Veelzijdig talent

Laat ik eens een klein onderwerpje nemen, dacht ik optimistisch. Pat Boone met het nummertje April Love uit 1958. Mijn muzikale smaak was nog traditioneel in de lijn van mijn ouders. Ik was daarbij ook nog tamelijk gehoorzaam. Mocht in mijn kamertje geen foto ophangen van een destijds beroemde overgelopen spion (wat was dat een knappe man!), maar een portret van de Amerikaanse crooner Pat Boone kon wel door de beugel.

Patrick Charles Eugene Boone (1 juni 1934) is een zeer veelzijdige zanger, acteur, schrijver en TVv-persoonlijkheid, die tussen 1954 en 1964 Elvis Presley in populariteit naar de kroon stak. Naast zijn zoete tienerliedjes als Bernardine en Love Letters In The Sand bracht hij in een enigszins aangepaste versie ook onvervalste rock & roll nummers, denk aan Ain’t That A Shame, Tutti Frutti en Good Rocking Tonight. In de ogen, liever de oren, van menig tiener konden die geen genade vinden, omdat hij de scherpe randjes van de rock eraf gehaald had. Maar mannen als Little Richard waren hem innig dankbaar omdat hun nummers dankzij zijn zoetgevooisde versie onder het grote publiek bekendheid kregen.

In 1997 bracht Boone bij wijze van grap het album In A Metal Mood: No More Mr. Nice Guy, met daarop een aantal heavy metal covers. Hij trad daarbij op in een zwart leren pak. Dat kostte hem zijn werk bij Gospel America, maar later mocht hij weer terugkeren.

Boone speelde een rol in vele films, die echter (hij was een Reborn-Christian) heel vaak een religieus thema hadden. Datzelfde geloof zorgde ervoor dat hij levenslang trouw bleef aan zijn echtgenote, Shirley Foley. Ook na lang zoeken kwam ik geen enkel schandaaltje op het spoor.

Dit jaar nog, Boone is inmiddels 88 jaar oud, speelde hij een grote rol in de reli-film The Mulligans (betekenis: de tweede kans). En dan heb ik het nog niet gehad over de tientallen boeken die hij schreef met adviezen voor opgroeiende jongeren.

Keuze Marcel Klein: Earth & Fire – Voice From Yonder (1975)

Universeel thema

Op mijn kamer bij mijn ouders thuis hingen altijd posters. Vaak werden ze snel weer vervangen door andere en in mijn herinnering hingen er dus veel, maar kort. Ongetwijfeld uit de Popfoto of de Hitkrant, maar ook veel uit Voetbal International en ook van Formule 1 wagens.

Over voetbal- of autoposters gaat het hier nu niet. Wel over muzikanten. Ik weet dat ik een poster van The Police had hangen, die nadat een klasgenoot was langs geweest opeens verdwenen was. Het was nog een hele toer om die terug te krijgen, en dat klasgenootje is niet meer in huize Klein te zien geweest. Maar als het over muziek gaat, herinner ik mij in ieder geval een poster van Jerney Kaagman, waarschijnlijk zoals veel van de jongens van mijn leeftijd en daarboven. Ik leerde Earth & Fire (en dus ook Jerney) kennen toen ze een grote hit scoorden met Weekend. De leren outfit die ze daarbij droeg is natuurlijk overbekend. Via een Greatest Hits-elpee die ik op een rommelmarkt kocht, leerde ik ook de oudere hits kennen en die spraken mij nog meer aan.

In de periode 1971-1975 bracht de band een aantal uitstekende albums uit.  Daarna ging men (ongetwijfeld onder druk van platenmaatschappijen) meer de commerciële kant uit en dat leidde dan wel tot Top 40 succes, maar ook uiteindelijk het einde van de band. De gebroeders Koerts wisten in ieder geval in de beginjaren fantastische nummers te maken. De stem van Jerney was nog wel eens een beperking, maar uitstekend geschikt voor de nummers van Earth & Fire.

In 1975 verscheen hun laatste echte goede album, voordat de commercie echt werd toegelaten in hun muziek. Voice From Yonder is een interessant nummer. Veel toetsen, tempowisselingen en duo zang. Een track die raakt en ook een mooi voorbeeld is van de muziek van die band. Dit is nog eens andere koek dan Weekend, Het nummer gaat over de vraag wat er na de dood is en de schrijver filosofeert hoe het zou kunnen wezen. Een universeel thema, maar met name de muziek is interessant. De band Earth & Fire is internationaal nooit echt doorgebroken, maar met deze albums had dit zeker gekund.

Helaas zijn inmiddels al enkele leden overleden en tobt Jerney met de gevolgen van Parkinson.  Maar de muziek, en zeker die uit de beginperiode, moet blijven klinken.

Keuze Der Webmeister: Luv’ – U.O.Me (Theme from Waldolala) (1978)

Reeds!

Toen ik een jaar of 10 oud was werd ik misdienaar in de plaatselijke Rooms-Katholieke kerk, zoals veel jongens in mijn buurt. Ik durf zelfs te stellen dat ik een behoorlijk fundamentalistische misdienaar was, want leeftijdsgenootjes die niet naar de kerk gingen sloegen we gewoon in elkaar. Het was in principe een vrijwilligersbaantje, maar ieder jaar mochten alle misdienaartjes als beloning met meneer Pastoor met de bus mee naar de Efteling, dat toen nog een wat groot uitgevallen speeltuin was. Na afloop kregen we een puntzak friet en een Sneeuwwitje: bier met 7-up. Meneer Pastoor die alcohol schenkt aan 10-jarige jongetjes: nu zou het journaal er waarschijnlijk mee openen, maar halverwege de jaren ’70 was dit volstrekt normaal.

Als fundamentalistische misdienaar hing er boven de deur van mijn jongenskamer uiteraard een kruisbeeld. Verder hing er een poster van het PSV elftal dat in 1978 de UEFA-cup won en dáár weer naast een poster van meidengroep Luv’. Mijn slaapkamer muur was daarmee een prachtige afspiegeling van het kantelpunt waarin niet alleen mijn eigen pubertijd zich bevond, maar waarschijnlijk ook de gehele maatschappij op dat moment, de ontzuiling in het bijzonder. Jezus hing er doodleuk naast Patty Brard, en niemand vond dat raar.

Nu hing die poster van Luv’ daar niet vanwege Patty Brard, maar uitsluitend vanwege de lokale Brabantse schoonheid José Hoebee. In tegenstelling tot Patty Brard en de derde Luv’ dame Marga Scheide zag José er niet uit als een internationaal supermodel. José was het schoolvoorbeeld van de aantrekkingskracht van de girl next door, ze zag er op een natuurlijke manier haast terloops knap uit. Iemand zonder kapsones die gewoon bij mij in de straat had kunnen wonen. Ze woonde in werkelijkheid een paar dorpen verderop, wat haar ook iets aanraakbaars gaf. Misschien was dat het ook wel: Patty en Marga waren compleet onbereikbaar voor me, vrouwen van een andere planeet welhaast, maar bij José dichtte ik mezelf als 10-jarige nog wel een kansje toe. Op het einde van het clipje hieronder ziet u trouwens nog meer 10-jarige jongetjes uit die tijd wiens hoofd op hol werd gebracht.

Luv’ brak in 1978 door als de huisband van de komisch VPRO-serie Het Is Weer Zo Laat, over de louche nachtclub Waldolala, met Dolf Brouwers in de hoofdrol. Onderstaande Theme From Waldolala was niet hun grootste hit, maar het heeft dat edgy Wim T Schippers-sausje dat het in mijn ogen onderscheidt van al hun overige dertien-in-een-dozijn-deuntjes.

Met het ontluiken van de eerste onzedige gevoelens voor José besloot ik dat het tijd was om vrijwillig uit het paradijs te stappen. Ondanks een glorieuze carrière die voor me in het verschiet lag binnen de RK Kerk – volgens kenners had ik zelfs Bisschop kunnen worden – hing ik mijn Misdienaargewaad aan de wilgen en koos voor de muziek.

Keuze Marco Groen: Urban Heroes – 1980 Has Just Begun (1980)

Immaculate

Als jong jochie was ik veel te klein om een uitgeknipte poster op het plafond boven mijn bed te hangen. Ze hingen dan ook gewoon met plakband aan de kast. Nu was ik in de periode die net vooraf gaat aan het puberschap ongezond idolaat van Kim Wilde, maar in de tijd die daar weer aan vooraf ging was ik juist niet bezig met de dingen die ik van juffrouw Wilde zo leuk vond. Zo kon het dus gebeuren dat er voornamelijk afbeeldingen van bands aan de meubels hingen, die voor het grootste deel uit mannen bestonden. Zo vond ik de verkleedpartijen van Adam & The Ants intrigerend. Ook de pseudo Vikingen van Tenpole Tudor vonden op deze wijze hun weg richting de draaideurkast. Allemaal voornamelijk vanwege hun outfits, de muziek ging ik pas later leuk vinden. Een uitzondering hierop was de Haagse band Urban Heroes. Zo rond mijn tiende à elfde levensjaar had ik al in de gaten dat hier bijzonders mee aan de hand was. Nu had ik natuurlijk niet de leeftijd waarop ik het bijzondere karakter van de band kon benoemen, dus ik noemde het simpelweg ‘goed’. Vooral een liedje als Habadaba Riwikiwi deed hierbij wat voorwerk; na enige oefening kon ik het zowaar meebrullen. Geen idee wát ik zong, maar volgens mij weet de band dat ook niet. Het waren bijzondere teksten, niet in de laatste plaats door de merkwaardige vocale uithalen van zanger Evert Nieuwstede. Uithalen die ik vanzelfsprekend uit mijn hoofd leerde en nadeed. Prrrr tsj tsj ah uh, ah uh..

Het duurde jaren voordat ik erachter kwam dat de Urban Heroes hét Nederlandse exponent van de New Wave was. Bovenop die zojuist door mij ontdekte muziekstijl kwam ik tot de conclusie dat ze aan ‘vleugjes’ deden. Een vleugje reggae, een vleugje rock, een vleugje ska… Het uiteindelijk product was ook op latere leeftijd zeer hoorbaar, waarbij mijn persoonlijke voorkeur kwam te liggen bij Who Said…. het debuutalbum. Hierop zijn een aantal nummers te vinden die de tand des tijds prima doorstaan. Dit geldt bijvoorbeeld voor Get It, Da Da, We Are Urban Heroes en het (zeer stereotyperende) Saturday Nights In Peking. Het was 1980 en een nieuwe tijd brak aan. Totaal onverwacht, want volgens de Hagenezen (of zijn het Hagenaren?) was het maar zeer de vraag of de mensheid 1980 überhaupt zou halen. Bepaalde interpretaties van de kwatrijnen van Nostradamus kwamen op een zeer chagrijnig antwoord: niet. De wereld zoals wij de kennen zou in 1980 niet meer bestaan, aldus de Franse voorspeller.

Hij zat er naast. De Urban Heroes waren daar zó enorm blij mee, dat ze dit heugelijke feit in hun tekst verwerkten. 1980 Has Just Begun werd het nummer gedoopt. Een lekkere meezinger, hoewel ik ze nooit live heb mogen aanschouwen. In mijn optiek een nummer over een zonnige toekomst, samenhorigheid en een afrekening met het duistere verleden. En daar mag best wel eens over gezongen worden. Luister naar Evert.

Keuze Jeroen Mirck: Culture Club – Victims (1983)

Popidool

Als jonge puber had ik een muur vol posters uit Hitkrant en Popfoto. Van alles hing ertussen: van Elvis tot Mike Oldfield, van Duran Duran tot Motörhead. Zelfs onze eigen Lisa Boray hing aan mijn slaapkamermuur, zwoel kijkend vanonder een zorgvuldig omgeknoopte bandana. Toch was er slechts één popster waarvan ik meerdere posters had hangen: Boy George, de voorman van Culture Club.

Ik was ook als tiener al een muzikale omnivoor, maar Culture Club raakte bij mij een gevoelige snaar. Van die band kocht ik mijn allereerste single (Do You Really Want To Hurt Me uit 1982) én een jaar later mijn allereerste album: Colour By Numbers. En hoewel ik rond die tijd ook helemaal smolt voor Prince, was Boy George toch echt mijn allereerste popidool.

Zoals dat wel vaker gebeurt met jeugdsentiment, kan het vaak de tand des tijds niet doorstaan. Daar waar Prince altijd hoog in mijn muzikale pikorde is blijven staan, zakte Culture Club daar al snel weer uit weg. Het hielp daarbij natuurlijk niet dat de band al in 1986 uiteenviel door interne conflicten. In retrospectief was het natuurlijk ook wel echte rechttoe-rechtaan eighties-pop, maar toch verdient de band meer credits dan dat. Zo was Culture Club voor een Britse band uitermate soulvol en klonken de albums uitermate veelzijdig. Bovendien was het gedurfd dat George zo openlijk gay durfde te zijn – ook al zagen wij pubers dat nog helemaal niet.

Een hoogtepunt uit het oeuvre van de band is een klassiek gearrangeerde ballad Victims, afkomstig van het tweede album Colour By Numbers, dat nog altijd in mijn platenkoffer zit. Een stemmig, zeg maar gerust somber nummer waarin piano en strijkers een ijle hoofdrol spelen. De boodschap is om sterk te blijven in moeilijke tijden, maar eronder verstopt zitten verwijzingen naar de geheime liefdesrelatie tussen zanger Boy George en drummer Jon Moss. Pikant, niet alleen vanwege het taboe rondom homoseksualiteit in de jaren tachtig, maar ook omdat de breuk van de twee uiteindelijk ook tot het einde van de band zou leiden.

Victims is een gelaagde compositie die bij vlagen meer op klassieke muziek lijkt dan op popmuziek. Culture Club was een commerciële band, maar stak hiermee echt zijn nek uit. Ook de videoclip, geregisseerd door Godley & Creme, was een kunstwerk, met een decor waarvoor de bouwers drie dagen nodig hadden om het neer te zetten. Voor mij als jeugdige fan was dit nummer het ultieme bewijs dat Culture Club meer was dan een hitmachine. Het waren veelzijdige artiesten, die mijn muzikale horizon hebben verbreed. Om die reden koester ik de band nog steeds, ook al hangen er al bijna vier decennia geen posters van Boy George meer aan mijn slaapkamermuur.

Keuze Alex van der Heiden: Warlock – I Rule The Ruins (1987)

Fijn om naar te kijken voor het slapen gaan

Eigenlijk heb ik al eens een blog geschreven over dit onderwerp. En daarnaast heb ik Doro nog een keer belicht gedurende een winterthema richting de Snob2000. Het betrof twee keer een blog over Doro de voormalige zangeres van Warlock. En omdat de poster werd opgehangen toen ik ongeveer 13 of 14 was, gaan we terug naar de Warlock-tijd. Ik permiteer me daarom ook nog één keer over deze zangeres te schrijven, want ik snap dat het met deze derde blog enigszins pathetisch begint te worden.

Warlock dus. Een Duitse band met Doro Pesch in de hoofdrol. Die hoofdrol is ook zo sterk dat zo’n beetje de gehele bandbezetting meerdere keren is gewijzigd en uiteindelijk ontstaat er gedoe rondom het ‘eigendomsrecht’ van de naam Warlock, waarna Doro onder eigen naam is verder gegaan.

Ik vond en vind Triumph And Agony echt een geweldig album en het brengt me helemaal terug bij de puber van destijds. De albums voorafgaande aan deze waren wat minder gepolijst en misschien dat de echte metal-puristen wat af zijn gehaakt op Triumph And Agony; ik niet in ieder geval. Ook al zit het album vol clichés zoals het nummer All We Are…Toch kan ik enorm genieten van de strakke riffs en ik vind dat het beste tot zijn recht komen in het nummer I Rule The Ruins. Ik herinner me uit die periode niet al te beste recensies over dit album. Een opmerking die ik me voor de geest kan halen ging over het nummer Für Immer en luidde: Für Immer is half Duits, half Engels, maar ja zijn niet alle nummers dat? Waarmee de recensent duidde op het Duitse accent van Doro die grote gelijkenis vertoont met een band als Scorpions. Toch zou ik zeggen; draai het gewoon en maak kennis met lekkere vette jaren ’80 metal.

Zoals gezegd heb ik dus al enkele blogs aan Doro gewijd en zal dit de laatste zijn. Ze was een bijzonderheid in de door mannen gedomineerde Metalwereld. Verder vond ik haar een knappe vrouw in de tijd dat ze in Warlock zong en daarom vond deze 14 jarige het heel fijn om naar te kijken voor het slapen gaan. Ik weet niet eens meer waar ik de posters vandaan haalde, maar ik vermoed dat deze uit de Aardschok/Metal Hammer kwamen.

Keuze Guido de Greef: Roxette – Joyride (1991)

Stoer

Misschien kwam het door het spleetje tussen de tanden van zangeres Marie Fredriksson. Of door haar blonde kuif. Of het was het land van herkomst, übercool Zweden, thuishonk van goede kinderseries én Dr. Alban. Nee, het was veel simpeler dan dat. Het was de pure popmuziek: vrolijk, ongecompliceerd, maar niet te lief. Perfect voor een jongetje dat ook zo graag vrolijk, ongecompliceerd en niet te lief wilde zijn.

Hello, you fool, I love you
C’mon, join the joyride

En wat wilde ik graag die Joyride joinen. Look Sharp!, Joyride en Tourism had ik op cassettebandje. Een interview met Roxette in de Taptoe bewaarde ik als ware het een relikwie. Ik kocht de CD-singles van How Do You Do!, Queen Of Rain en Almost Unreal en hield de hitlijsten nauwlettend in de gaten of ‘mijn’ Roxette was gestegen. Toen Fading Like A Flower op nr. 19 binnen kwam in de Top 40 wist ik zeker dat het een nr. 1 hit zou worden, wat het niet werd.

Op m’n dertiende mocht ik, met m’n oudste zus en haar vrienden, naar het concert van Roxette in Ahoy. M’n eerste echte concert, de poster hing ik boven m’n bed. Een dag later kopte NRC Stoer Roxette met brave muziek. Ik was beledigd door het woordje ‘braaf’, al verzekerde m’n vader me dat het echt geen slechte recensie was.

Ik was vooral fan van de stoere Roxette: Dangerous, The Big L., Sleeping in My Car, Joyride. Jammer dat het juist de ballads zijn waar de band tegenwoordig om bekendstaat, hoe graag ik It Must Have Been Love, Spending My Time en Listen To Your Heart ook meezing.

Het is bij dat ene concert van Roxette gebleven. Toch ben ik altijd naar ze blijven luisteren; je moet nooit je jeugdliefdes verloochenen. Als een liedje op de radio komt gaat het volume omhoog, en ze zijn ruim vertegenwoordigd in m’n Deezer-playlist Zwöden. Ik was verdrietig toen Marie Fredriksson eind 2019 na een jarenlange strijd tegen kanker overleed.

Met Roxette werd het zaadje van m’n liefde voor popmuziek geplant. Die muziekliefde gaat veel verder dan de Zweedse hitfabriek, al blijf ik een zwak houden voor goed gemaakte pop, bij voorkeur van de hand van Max Martin. Het klopt wat een recensent ooit over Joyride schreef: geef een kind een CD van Roxette en hij is voor de rest van z’n leven verslaafd aan popmuziek.

Keuze Mersad Rebronja: Shania Twain – (If You’re Not In It For Love) I’m Outta Here! (1995)

Postergirl

Toen ik nog heel jong was en dan bedoel ik vroege basisschoolleeftijd, ergens zo eind jaren ’90, was ik helemaal gek van Man! I Feel Like A Woman van Shania Twain. That Don’t Impress Me Much volgde al gauw. Jong als ik was kwam ik erachter dat er twee verschillende versies waren van That Don’t Impress Me Much. Destijds kon ik dat natuurlijk helemaal niet goed uitleggen. Nu wel, want van het album Come On Over zijn verschillende versies uitgebracht waaronder een internationale versie en een Amerikaanse versie. Bij ons was de internationale versie overal verkrijgbaar maar de Amerikaanse versie niet.

In die tijd – zo snel is de wereld in korte tijd veranderd – kon je niet zoals nu gemakkelijk een CD online bestellen dus reed ik met mijn moeder samen naar een van de grootste platenzaken in de buurt, in Delfzijl. Die zaak heette Bij Peter weet ik nog, inmiddels bestaat hij niet meer. De beste man wist veel van muziek en hij wist met mijn gebrekkige uitleg ook precies wat ik bedoelde. De Amerikaanse versie van Come On Over werd besteld. Het was niet precies bekend hoe lang de CD onderweg zou zijn. Dit kon vrij snel zijn maar het kon ook zes weken duren. Uiteraard was ik een heel geduldig jongetje en moest mijn moeder elke week met mij op en neer naar Delfzijl (25 kilometer heen en terug).

Uiteindelijk werd het zes weken op en neer maar toen was de CD dan toch écht binnen. De Amerikaanse versie van Come On Over met de bekende roodkleurige cover (in Nederland was dat paars/blauw). De platenboer vond mijn enthousiasme zo leuk dat ik van hem een hele grote staande (oké hij kon niet boven mijn bed) winkelposter van Shania meekreeg. Dat was een prachtige poster van stevig karton en hij heeft echt jaren in mijn kamer gestaan. De CD moest natuurlijk meteen op de terugweg naar huis worden opgezet en hij is daarna volledig grijsgedraaid. De moeite van mijn moeder was dus niet tevergeefs.

Tegenwoordig vind ik Shania Twain nog steeds leuk. Het is natuurlijk ook gewoon briljante country en countrypop. Hoewel ze commercieel zeer succesvol was heeft ze in Nederland weinig hits gehad. Ik schreef daarom enige tijd geleden al een blogje over haar. In Nederland hoor je gewoon weinig country. Rock voert altijd de boventoon. Vooral de albums The Woman In Me, Come On Over en Up! zijn echt giganten. Het begon met The Woman In Me. Dat album maakte Shania een pionier van de moderne countrymuziek. In Nederland zou de doorbraak pas met het album Come On Over volgen dus van The Woman In Me werd geen enkel nummer hier een hit. In Amerika is het album in 2000 al meer dan 12 miljoen keer over de toonbank gegaan en ook in Canada, Australië en het Verenigd Koninkrijk werd het een succes. De rest van de wereld werd pas veroverd toen Come On Over uitkwam.

(If You’re Not In This For Love) I’m Outta Here! was een van acht singles van The Woman In Me. Het is gewoon een heerlijk countrynummer met Shania op haar best. Het nummer is geschreven door Shania Twain en Mutt Lange. Stilistisch was het nummer een keerpunt voor Shania vanwege het hardrock randje, handgeklap in het refrein en de zelfverzekerde songtekst waarin Shania Twain de avances van iemand zonder problemen neerslaat. Ze straalt internationale aantrekkingskracht uit en laat ook haar potentieel als sekssymbool zien. De dance remix was inspiratie voor de Berlijnse dansgroep Real McCoy om een cover van het nummer op te nemen. De officiële muziekvideo is niet eens enorm vaak bekeken en is de Mutt Lange Mix. Die knalt er ook heerlijk uit, maar het origineel is mijn favoriet. Zet vooral het hele album eens op.

Keuze Tricky Dicky: Frank Zappa – The Grand Wazoo (Think It Over) (2007)

Nadenkertje

In alle eerlijkheid kan ik mij niet herinneren dat ik een poster boven mijn bed had hangen. Wel eentje op de kastdeur, maar dat was uit nood geboren. In de Muziek Express (of was het Popfoto?) zat een poster van David Cassidy die over het gat paste die ik er met tennisvoetbal in had geschopt. Het was in alle haast dát of uitleggen waarom er een gat in zat. Ik had wel een sticker van Robert Plant van Led Zep op de pick-up geplakt. Dat was gelijk ook de laatste keer, want eigenlijk vond ik dat (een) zonde. Alle stickers gingen daarna op de binnenhoes van de desbetreffende elpee van de zanger(es) of band. Telt een uitgestalde (wisselende) elpeehoes overigens ook als poster?

In mijn pubertijd (begin jaren zeventig) zat ik twee maal per week in de gezellige kleine lokale bioscoop, waar ik voor een prikkie binnenkwam (ƒ 5). Soms hielp ik de eigenaar achter de bar in de pauze en als dank kreeg ik af en toe een filmposter mee en zo kwam onder andere Once Upon A Time In The West op de muur, maar voornamelijk vanwege de mooie tekening.

Tegenwoordig hangen er in mijn ‘mancave’ wel twee posters. Afwisselend Bruce Springsteen (Amsterdam, 1975) en Johnny Cash (met een opgestoken middelvinger) en de andere is natuurlijk van Frank Zappa ten tijde dat hun tweede album Absolutely Free uitkwam. En aangezien het alweer meer dan een jaar geleden is dat ik over de man en zijn muziek heb geblogd was de keuze gemakkelijk. Ik heb voor een een postuum album gekozen; in 2007 en veertien jaar na zijn overleden werd Wazoo uitgebracht. Een dubbelaar met een compleet concert uit 1972 dat tevens na een jaar de terugkeer van Zappa op het toneel betekende nadat hij in Londen door een gestoorde fan van het podium gegooid was.

Het concert wordt voornamelijk met zijn vrijwel instrumentale elpees The Grand Wazoo en Waka/Jawaka gevuld. Het openingsnummer is The Grand Wazoo (Think It Over) en alhoewel het een adaptie van het ‘originele’ Grand Wazoo is klinkt het totaal anders. Steviger en gevarieerder. Waarschijnlijk door de nieuwe bezetting van de liveband, want in vergelijk met het studio-origineel een paar maanden eerder zijn alleen slidegitarist Tony Duran en trompettist Sal Marquez nog aanwezig.

De hoes is een parodie op Salvador Dali’s Slavenmarkt met de verdwijnende buste van Voltaire, dat een hele mooie poster zou zijn. Zo eentje waar je elke keer weer wat nieuws in ziet. Net zoals de muziek van Zappa.

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.