Er zijn in 2021 circa 950 musici overleden. Soms onbekend, maar ook bekenden zoals Dusty Hill, Lee ‘Scratch’ Perry, Jim Steinman, Don Everly, Charlie Watts en meesterproducer Robbie Shakespeare. Wat opvalt is dat sinds corona het aantal jaarlijks met meer dan 50% gestegen is.

In deze traditionele eerste battle van het jaar zetten we er een aantal in de spotlights.

Keuze Annemarie Broek: Gerry & The Pacemakers – You’ll Never Walk Alone (1963)

Aangedaan

Gerry Marsden werd geboren en groeide op in een Liverpool’s arbeidersgezin. Als vijfjarige ging hij – helemaal spontaan – op het dak van een schuilkelder staan en begon hij een in die dagen populair liedje te zingen. Het applaus dat hij daarmee oogstte bij toevallige voorbijgangers smaakte zo goed, dat hij besloot later in de muziek te gaan.

Na een mislukte carrière als profbokser maakte hij zijn oude voornemen waar. Hij startte samen met zijn broer Freddy een beatgroepje, Gerry & The Pacemakers. Onder de vleugels van Brian Epstein en George Martin behaalde de groep een aantal grote successen: How Do You Do It (door The Beatles al afgewezen), I Like It – met als balladintermezzi  You’ll Never Walk Alone, Don’t Let The Sun Catch You Crying en Ferry Cross The Mersey, I’m The One, It’s Gonna Be Allright en Pretend. Gezellige pianopop met aanstekelijke, maar eenvoudige melodietjes. Daarna werd het allemaal wat minder en in 1966 viel de groep uit elkaar. Gerry ging op de Britse televisie als acteur aan de slag.

Het nummer You’ll Never Walk Aalone werd in 1985 opnieuw opgenomen; de opbrengst was bestemd voor het steunfonds van de Bradford City stadionramp, waarbij ruim vijftig mensen omkwamen. Sindsdien is dit hét voetbalvolkslied voor alle spelers en liefhebbers van het voetbalspel. In 1989 voltrok zich wederom een ramp in een Brits voetbalstadion met bijna honderd doden. Daarom bracht Marsden wederom een nieuwe opname uit van een oude hit: Ferry Cross The Mersey, gesteund door beroemde muzikanten als Paul McCartney, Holly Johnson en StockAikenWaterman. Don’t Let The Sun Catch You Crying werd vervolgens een grote hit in Amerika. Deze laatste drie liedjes zijn voor eeuwig aan Gerry Marsden verbonden, terwijl de aardige, simpele pianohitjes de tand des tijd jammer genoeg niet hebben doorstaan.

In 2003 werd hij door zijn inspanningen voor de slachtoffers van de onderscheiden voetbalrampen onderscheiden met een MBE, een onderscheiding die aan meer musici (onder andere The Beatles) was uitgereikt.

Gerry Marsden zelf bleef zijn hele leven lang trouw aan de muziek, hoewel hij in 2018 aankondigde met optreden te stoppen. Dat lukte niet helemaal, want een filmpje uit 2019 laat een optreden zien van de toen al 77-jarige Marsden, die zwaar ondersteund door de leden van Take That het podium wordt opgehesen om nog éénmaal You’ll Never Walk Alone te vertolken. Het overwegend jonge publiek gaat uit zijn dak en brult de tekst woordelijk mee. Gerry’s jongensachtige grijns is er nog, maar zijn stem is hoorbaar aangedaan door ouderdom en ziekte.

Keuze Martijn Janssen: The Marvelettes – The Hunter Gets Captured By The Game (1966)

Ontsnappen aan de val

Het is niet zo lang geleden dat op deze site nog een blog verscheen over The Marvelettes. Helaas is in de tussentijd een van de lead-zangeressen van die succesvolle Motown groep, Wanda Young, op 78-jarige leeftijd overleden. Vanaf het moment dat de groep in 1961 bij Motown tekende was Wanda erbij en zij was het ook die het spreekwoordelijke licht uitdeed toen de groep in 1971 uit elkaar viel. In het begin was ze een van de achtergrondzangeressen maar in 1965 werd ze naar voren geschoven als lead-zangeres. De groep ging ook meer samenwerken met Smokey Robinson, die de liedjes ging schrijven en produceren. Hiermee brak een nieuwe periode van succes aan voor de meidengroep.

Smokey Robinson gaf de groep een wat volwassener geluid en ook de liedjes zelf waren wat minder frivool dan voorheen. The Hunter Gets Captured By The Game laat dit goed horen. Het onderwerp is nog steeds de liefde maar het spel wordt nu verfijnder gespeeld. Ook muzikaal zit het nummer knap in elkaar. De sfeer is subtieler, verleidelijker. Er wordt een spanning opgebouwd. Mede hierdoor werd de single een grote hit in de Verenigde Staten.

Nu de gloriejaren van Motown steeds verder achter ons komen te liggen heb ik het gevoel dat hun soulmuziek tegenwoordig steeds minder gewaardeerd wordt. In de jaren zestig en begin jaren zeventig kwamen er aan de lopende band muzikale pareltjes uit hun studio. Je mag de hoge productie misschien dan ook lopende band werk noemen maar de kwaliteit lag erg hoog. Echter, niet alleen album tracks en singles die niet hoog in de hitlijsten kwamen lijken nu steeds meer te worden genegeerd, maar ook de grote hits. The Hunter Gets Captured By The Game werd later nog gecovered door uiteenlopende artiesten zoals Blondie, Grace Jones en Massive Attack maar is nu nog maar zelden te horen. Hopelijk vallen sommige luisteraars nu wel ten prooi aan dit pareltje.

Keuze Annemarie Broek: Vanilla Fudge – You Keep Me Hangin’ On (1967)

Tim Bogert, begenadigd en vooruitstrevend bassist

In 1968 luisterde in vaak naar Ad Visser’s radioprogramma Superclean Dreammachine. Hij liet zijn publiek daarin kennismaken met de nieuwste Undergroundmuziek. Dit met omfloerste stem en min of meer verstaanbare, min of meer magische teksten. Veel van de ‘moeilijke’ muziek vond ik onaantrekkelijk, maar op een avond hoorde ik iets heel bijzonders. You Keep Me Hangin’ On, maar dan een tikkeltje anders dan The Supremes en Motown dat bedacht hadden. Het nummer sloeg in als een bom; gelukkig had Ad Visser dit netjes afgekondigd zodat ik de naam van de band kon onthouden. Vanilla Fudge, nogal snoeperig eigenlijk.

Hemel en aarde heb ik moeten bewegen om in het kleine IJmuiden die elpee te kunnen kopen. De hoes viel wat tegen. Er stond een foto op van vier deftige studentjes, die je niet direct van uiterst progressieve muziek zou verdenken. Maar de muziek was meeslepend – het was mijn mooiste en meest gedurfde aanschaf tot dan. Enfin, door de loop van het leven was ik mijn band met de muziek een beetje kwijtgeraakt totdat ik toevallig People Get Ready hoorde, in de originele versie van Curtis Mayfield. Dat nummer kende ik al in de versie van Vanilla Fudge en zo was deze band meteen weer terug in mijn actieve herinnering.

Eén van de leden van de groep was bassist Tim Bogert. En wat mijn zeventienjarige oren niet hoorden door de eenvoud van mijn koffergrammofoontje, was de aparte, verfijnde en snelle structuur die hij in zijn partijen legde. Ik hoorde deze op 1 januari 2022 dus voor het eerst, ruim 50 jaar later. Niet alleen was Bogert een begenadigd en vooruitstrevend bassist, maar ook bracht hij een mooie flexibele tweede stem in. De groep speelde samen tot 1970, waarna nog verschillende wedergeboortes volgden. In 2004 speelde de groep nog in Rockpalast, maar helaas niet meer helemaal in de originele bezetting.

Tim Bogert werd in 2010 het slachtoffer van een motorongeluk, waarna hij zeer tot zijn spijt niet meer kon optreden. Hij overleed op 13 januari 2021 aan de gevolgen van kanker.

Keuze Tricky Dicky: The Moody Blues – The Story In Your Eyes (1971)

Zinloze remaster

Altijd een liefhebber van The Moody Blues geweest. Mooie platenhoezen ook, maar hun mooiste lied in mijn oren is The Story In Your Eyes. Een uptempo nummer met scherp gitaarwerk. Strak drumwerk van Graeme Edge, mede-oprichter van de band in 1964. Hij overleed in 2021. De band zelf bestond sinds 2018 niet meer. In mijn oren een echte studioband, want live vond ik de zang van Justin Hayward nooit overtuigen.

The Story In Your Eyes is slechts drie minuten maar de opbouw maakt het superspannend. Grappig genoeg was het toen der tijd als bonus bedoeld, maar het bleek de ‘earcatcher’ voor het album en een stevige hit. Het staat op hun album Every Good Boy Deserves Favour; de eerste letters van elk woord zijn een geheugensteuntje voor het leren lezen van noten (E G B D F). In 2008 werd er een remaster van het album uitgebracht, maar die raadt ik niemand aan. De pit is uit het album gehaald en helemaal uit The Story In Your Eyes. Het klinkt mat en saai, doordat de mellotron en de samenzang naar voren zijn gehaald, maar dit ontkracht het lied. Hoe dat door de leden van The Moody Blues goedgekeurd kon worden is mij een raadsel. Er zou een verbod op remasters moeten komen of een ban voor de producers die dit op hun geweten hebben. Gelukkig heb ik het origineel in de kast staan.

Keuze Hans Dautzenberg: War – The World Is A Ghetto (1972)

Mix van stijlen

Morris ‘B.B.’ Dickerson (Torrance, Californië 1949) vervult als bassist van de band en als zanger van gezichtsbepalende liedjes als The World Is A Ghetto en The Cisco Kid een sleutelrol in de hoogtijdagen van 1970’s funk formatie War. Vanaf medio jaren 1990 speelt hij in de band Lowrider.

Dickerson speelt al in een proto-versie van War, de doo-wop groep The Creators, samen met zijn oom Howard Scott. The Creators brengen wat singles uit, maar blijven verder onopgemerkt. In die tijd – we hebben het over de eerste helft jaren 1960 – is Engelsman Eric Burdon (Newcastle upon Tyne, 1941) een gevierde ster. Met zijn band The Animals heeft hij in 1964 een mega hit met The House Of The Rising Sun. In de paar jaar daarna scoort hij nog meer hits met Don’t Let Me Be Misunderstood, We Gotta Get Out Of This Place en It’s My Life. In 1966 valt de oorspronkelijke bezetting van The Animals uiteen.  Na paar versies van Eric Burdon & The Animals, waaronder één met Andy Summers (later van The Police), zet de Engelsman in 1968 een punt achter de band en gaat op zoek naar een nieuwe uitdaging.

B.B. Dickerson zit in die periode op Hawaii en mist daarmee de omzetting van The Creators in The Nightshift. Wanneer zijn vervanger Peter Rosen overlijdt aan een overdosis, pakt hij de basgitaar weer op en keert terug in de band. In 1969 ziet producer Jerry Goldstein (als lid van The Strangeloves en medeauteur van I Want Candy, dat later bekend door onder andere Bow Wow Wow geworden is) Nightshift optreden in een kleine club in Los Angeles. Hij komt met het idee om de band te koppelen aan Eric Burdon. Het idee van Goldstein slaat aan. Burdon neemt Nightshift min of meer over, hij past de bezetting aan en bedenkt een nieuwe, actuele naam. In 1970 ligt het eerste album in de winkel: Eric Burdon Declares ‘War’. Meteen scoort de band een flinke hit met de funky jam/rap Spill The Wine. De band heeft dat jaar ook nog de twijfelachtige eer om een dag voor diens overlijden, met Jimi Hendrix op het podium te staan. Een tweede album volgt snel (Black Man’s Burdon), waarna Eric Burdon er onverwacht de brui aan geeft.

War overleeft probleemloos het vertrek van de ster. Sterker nog: de periode 1971-1977 kan worden gezien als de glorietijd van de band. Mede onder leiding van Dickerson ontwikkelt de band haar eigen geluid verder tot een soepele mix van Funk, Latin, Rock, Soul en R&B. Geheel in de tijdgeest combineert War de ‘urban’ muziekmix, met dito teksten. Met succes, er worden meerdere top tien hits gescoord met nummers als The Cisco Kid, The World Is A Ghetto, Why Can’t We Be Friends, Gypsy Man en het onweerstaanbare Low Rider.

B.B. Dickerson verlaat de band in 1979. War ploetert zich door de jaren ’80 in steeds wisselende bezettingen en met wisselend succes. In 1996 doen de nog levende oorspronkelijke leden een poging om War van Goldstein los te koppelen. Het getouwtrek leidt tot op de oprichting van de band Lowrider, waarin ook B.B. Dickerson terugkeert. Lonnie Jordan blijft als enig oorspronkelijk lid van War bij Goldstein.

Dickerson overlijdt op 2 april 2021, 71 jaar oud in Long Beach. De herinnering aan War wordt na verloop van tijd levend gehouden doordat samples van het werk van de band worden gebruikt door onder andere Beastie Boys, Stereo MC’s en The Offspring.

Keuze Halbe Kroes: Chick Corea – Spain (1972)

Zo licht als een veertje

De zomer van 1941 kenmerkte in Nederland een hittegolf met temperaturen van boven de dertig graden. Een Spaanse zomer kunnen we wel stellen, midden in de oorlog die de wereld in zijn greep hield. In diezelfde zomer werd Chick Corea geboren in Chelsea, Massachusetts. Een stad van 40.000 inwoners verbonden door de Tobin Bridge over de Mystic River richting Boston. Een stad die gekenmerkt werd en nog steeds wordt door de hoge aantallen inwoners met Latijns-Amerikaanse achtergrond.

De jeugdjaren groeide hij op omgeven door Jazz. Thuis door zijn trompet-spelende vader met dixieland. Op de platenspeler werd het werk van Charlie Parker, Bud Powell en Dizzy Gillespie beluisterd. Zijn vader leerde hem al snel om piano te spelen, wat hem wonderbaarlijk goed afging. Vanaf zijn 4e levensjaar tot aan zijn debuut-LP in 1968 werd hij beïnvloedt door grote namen als Monk en Gershwin maakte hij meer en meer vrije stijl jazz, avant-gardistisch. Dat was ook de tijd dat hij werd getekend door het fameuze Blue Note label. Toen hij in 1971 zich samenvoegde bij het collectief Return Forever, kwamen deze inmenging van stromen goed tot zijn recht. Ook de invloed van zijn geboortestad werd zichtbaar op de platen die toen uitgebracht werden.

Het nummer Spain is dan ook een klinkend voorbeeld van hoe flamenco, salsa, hardbop-jazz en ook de blues bij elkaar komen. Chick Corea’s kenmerkende pianospel komt zeer duidelijk naar voren en de Spaanse invloeden in de thematiek geldt tot op de dag van vandaag als een jazz-standaard. Het komt uit in 1972, op het album As Light As A Feather en wordt alom geprezen.

Dankzij het werk van hem ben ik zelf de jazz meer gaan waarderen en ook andere artiesten gaan beluisteren. Artiesten waar hij ook zelf mee samen werkte zoals op Bitches Brew van Miles Davis. De jazzwereld heeft afgelopen jaar een grote naam verloren, voor velen misschien onbekend maar voor velen ook een gerespecteerde naam. Chick Corea bleef tot aan zijn dood in 2021 muziek spelen, ideeën maken voor vernieuwende platen en samenwerkingen opzoeken. Een echte gentleman volgens de muziekwereld, een ware kunstenaar naar mijn bescheiden mening.

Keuze Willem Kamps: John Miles – Rebel (1976)

De club van 72

Een triest bericht op 5 december 2021: John Miles dood. Ook dood. Wéér een. De lijst van overleden muzikanten wordt langer en langer. Vroeger trad er af en toe eentje toe tot de club van 27, maar in deze jaren zijn de musici van toen inmiddels allemaal pensioengerechtigd en ja, dan valt er steeds vaker eentje in zijn graf. John Miles kwam er overigens wat later bij, op z’n 27ste. Terwijl er op die leeftijd juist een eind kwam aan de schitterende carrières van Jimi, Janis, Jim en Kurt, begon ie toen voor John pas echt, en om eerlijk te zijn: het werd ook niet zo schitterend.

Zoals velen begon John Errington vroeg met gitaarspelen, zat hij in verschillende bandjes en bracht als John Miles zijn eerste solowerk uit, een versie van Come Away Melinda. Eigenlijk was hij, anders dan in zijn thuisland, voor ons een one-hit-wonder, want noem eens een ander nummer van hem dan Music. Nou? Ook op langspeelgebied valt hier weinig te memoreren: alleen zijn debuut Rebel, succesvol dankzij zijn hit Music en de productie door Alan Parsons. Music zelf is en blijft natuurlijk een klassieker, zelfs met een simpele tekst die een bedenkelijk Sinterklaasrijmniveau amper ontstijgt.

Music was my first love
And it will be my last
Music of the future
And music of the past

Het zijn vooral de melodie, het arrangement en natuurlijk het onderwerp die het tot die klassieker maakten. Het lied is qua compositie vergelijkbaar met Bohemian Rhapsody van een jaar eerder, al zit die ingenieuzer in elkaar. Dat John zelf niet zo veel succes kende deerde hem overigens niet. Hij speelde met Tina Turner, Jimmy Page en Joe Cocker en werd meermaals gevraagd door Alan Parsons voor de albums van diens Project. Ook deed hij jaarlijks mee met The Night of the Proms, de concertserie door West-Europese landen met een mix van pop en klassiek, waar zijn Music elke keer weer een van de hoogtepunten was.

Het is natuurlijk overbodig om Music op Ondergewaardeerde Liedjes onder de aandacht te brengen. Die waardering is er alom. Nee, John Miles heeft gewoon meer gedaan, wat helaas altijd in zijn eigen schaduw is blijven staan. Luister eens naar Pull The Damn Thing Down, eveneens een majestueuze minisymfonie, en dat hij ook een (glam-)rocksong met kop en staart kon schrijven bewijst hij met de titeltrack van Rebel, al stopt ie ook daar een heerlijk strijkje in. Misschien minder beroemd en berucht, maar met zijn toetreding tot de club van 72 (Ritchie Havens, Joe South, Deke Leonard, Cilla Black, Henry McCullough, Barry Ryan, Alan Lancaster) staat ie toch in een mooi rijtje.

Keuze Alex van der Meer: Lee Perry & The Full Experience – Disco Devil (1977)

Sonische trillingen

Eind augustus 2021 overleed Lee ‘Scratch’ Perry op 85-jarige leeftijd. De alles behale prozaïsche artiest was bij leven al een legende. Als geen ander was hij betrokken bij de ontwikkeling van Jamaicaanse muziek. Hij was een beetje gek, maar zeker ook geniaal. Reggae zonder hem had anders geklonken en hij stond voor een belangrijk deel aan de basis van Dub. Zijn geest werkte anders dan bij de meeste anderen. Naar eigen zeggen leerde hij muziek begrijpen toen hij de sonische trillingen van stenen kreeg te horen. Geluid stond bij hem centraal, het was een obsessie.

Als producer was hij actief voor onder andere The Congos, Bob Marley & The Wailers, en zat hij zelf bij The Upsetters. Zijn invloed denderde ook door andere genres heen; hij werd ook buiten Jamaica vereerd. Onder andere de single Complete Control van The Clash is door hem geproduceerd. Hij heeft verder samengewerkt met The Orb. Ook vanuit de Hiphop ontving hij veel waardering. Het is bijvoorbeeld de stem van Perry die de track Dr. Lee, PhD van de Beastie Boys zo memorabel maakt.

De nalatenschap van Scratch is een groot en een groots oeuvre. Als producer en als artiest. Aan de ene kant maakt dat het lastig slechts één track uit te kiezen om hier voor het voetlicht te laten treden. Aan de andere kant, er zullen weinig nummers voor velen zo herkenbaar zijn als Disco Devil. Dit oneindig lekkere nummer is een herbewerking van de hit uit 1976 van Max Romeo met de naam Chase The Devil. Ook dát nummer is door Perry geproduceerd, en mede door hem geschreven. Het is typisch zo’n classic met verschillende versies waar ook fanatiek door verschillende artiesten samples uit zijn gehaald. Wellicht is het meest aansprekende voorbeeld daarvan terug te vinden in het nummer Out Of Space van The Prodigy.

Keuze Quint Kik: Raffaella Carrà – A Far L’Amore Comincia Tu (1977)

Boegbeeld

Vlak voordat de wereld kennis maakte met Covid, hadden wij als gezin een camping in Italië geboekt. Dat was voor het eerst: tot dusver was de reis altijd naar Spanje gegaan, maar mijn vrouw wilde eens wat anders. Mijn ouders sleepten mij en mijn zus jarenlang naar de Costa Brava, de hare drongen juist steeds dieper door tot ‘de laars’. Mijn link met Italië was beperkt, maar niet geheel afwezig: mijn opa zaliger bewerkte ooit de tekst van een volksliedje uit de jaren 30, La Piccinina, tot Kleine Jodeljongen. Manke Nelis had er een Top 10-hit mee; Ik Ben Zo Blij (Dat Mijn Neus van Voren Zit en niet Opzij) van Johnny en Rijk is de andere claim-to-fame van opa, maar dat is voor een andere blog.

Italië dus: het eten schijnt zelfs in wegrestaurants uitmuntend te zijn, de koffie verkeert er op hoog niveau en de smaken ijs gaan je fantasie ver te boven. Ik vond het allemaal best, ik was al bezig met het samenstellen van een playlist Viva L’autostrada, voor onderweg. Gevuld met kitscherige ballades, het betere soundtrackwerk van Morricone, Italo Disco met lots of Fun Fun en David Bowie’s Ragazzo Solo, Ragazzo Sola (Space Oddity, in een mediterraan jasje). En natuurlijk A Far L’Amore Comincia Tu, kortweg Libelei (nog korter weg: Skopje, zoals ik altijd dacht dat het nummer heette. De Macedonische hoofdstad speelt echter geen rol in dit nummer, dat is een hardnekkig misverstand).

De reisplannen voor Italië gingen de ijskast in en bleven daar in 2021. Om het drama compleet te maken overleed in mei de componist van mijn favoriete ballade I Treni di Tozeur – collegablogger Alex van der Meer schreef vorig jaar een puik blog over deze Franco Battiato – twee maanden later gevolgd door de zangeres van Libelei/Skopje: Raffaella Carrà. Met alleen ‘zangeres’ doe ik haar te kort. Zo was ze in haar jonge jaren geen onverdienstelijk actrice, die onder meer in films tegenover Marcello Mastroianni en Frank Sinatra belandde. In de jaren zeventig verruilde ze de filmwereld voor presentatieklussen op televisie en vergaarde ze ook buiten de Italiaanse landsgrenzen bekendheid.

De rest van Europa maakte definitief kennis met haar via A Far L’Amore Comincia Tu, in mijn oren een bizarre kruising tussen Le Freak van Chic (alleen al dat lekker funky gitaarloopje van het intro) en Ring Of Fire van Johnny Cash (de mariachi-trompetten uit de coda). Tekstueel een uitgesproken feministisch nummer, waarin Carrà vrouwen opriep om in de liefde zelf de touwtjes in handen te nemen en aan hun man kenbaar te maken hoe zij zich als goed minnaar in bed hadden te gedragen. Behalve voorvechter van vrouwenrechten zou ze ook uitgroeien tot boegbeeld van de LHBTI-gemeenschap, eentje die in 2017 zelfs een World Pride Award ontving voor haar verdiensten.

Was ze in Italië mateloos populair in alle gelederen van de samenleving, in Nederland lijkt iedereen haar vergeten. Zo biedt de Top 2000 de laatste 20 jaar geen plekje voor haar. Toen die voor het eerst werd uitgezonden had ze op plaats 1726 even mogen rondsnuffelen in de zelfverklaarde schatkamer van de popmuziek. De remix die Bob Sinclair van Far L’Amore maakte, leverde in 2011 hooguit een bescheiden notering op, maar bij ons geen blijvende belangstelling. En dat is jammer, want van een popidool en pleitbezorger van LHBTI-rechten ineen kun je er ook buiten het land van de Paus niet genoeg hebben. Van mij krijgt ze in elk geval een ereplaats in de playlist, waarmee ik komende zomer alsnog hoop te gaan cruisen over de autostrada.

Keuze Guido de Greef: Kris de Bruyne – Castelli Di Cannero (1978)

Eiland van de doden

Ik kende Kris de Bruyne al zonder ‘m te kennen. De Belgische zanger is verantwoordelijk voor Amsterdam, misschien wel het mooiste liedje ooit over de hoofdstad geschreven, voor eeuwig geassocieerd met een kaasreclame.

Dat de Bruyne de zanger van Amsterdam was leerde ik pas later. Later is: nadat Vic van de Reijt een compilatie onder de titel Surivlaams! samenstelde. Drie CD’s die voor twee derde uit Vlaamse en voor één derde uit Surinaamse songs bestaan. De Bruyne stal op die verzamelaar mijn hart met z’n relaas over de spookachtige Castelli Di Cannero. Gruwelt u even mee met de openingsregels?

Met afgehouwen handen
M’n voeten gebonden en bloot
Met een hart van steen, een mank linkerbeen
M’n hersens als gloeiend lood
M’n ogen vastgesloten
Vernederd, ontmand en verkracht
Zo gleed ik langzaam dieper in
Een nare droom vannacht

Wat het liedje zo goed maakt, is dat de Bruyne die macabere tekst zingt over een vrolijk wiegend walsje. Akoestisch met gitaar en mondharmonica: Dylanesk. Vederlicht bijna, alsof de dood niet snel genoeg kan komen, of een aanlokkelijk vooruitzicht is. Je zingt het zo mee. De Bruyne schreef het eind jaren zeventig, een zware tijd voor de zanger. Hij verloor kort na elkaar twee broers. Castelli Di Cannero leek roemloos als B-kantje te eindigen, maar kwam in 1979 alsnog op een elpee terecht. Daarna zegde de zanger de muziek vaarwel en ging door Amerika reizen. Halverwege de jaren tachtig maakte hij een comeback.

De Castelli Di Cannero bestaan echt. Het zijn drie kleine eilandjes in het Lago Maggiore met de ruïnes van een kasteel uit de vroege zestiende eeuw. Vanwege de strategische ligging op de grens van Zwitserland en Italië is er eeuwenlang om gevochten. De broers Mazzardi terroriseerden vanuit het kasteel de omgeving, totdat ze door de hertog van Milaan werden vermoord. Natuurlijk spookt het er; zelfs een leek ziet dat het er niet pluis is.

In de beschrijving van De Bruyne lijken de Castelli Di Cannero op een bardo, een tussenfase waar zielen verblijven die nog niet weten dat ze zijn overleden. Een plek met feesten die je voor onmogelijk houdt, maar waar de zanger zich zeer bijzonder thuis voelt. Bij het overlijden van De Bruyne kan ik niet om deze song heen. Al is het maar om de slotregels:

Ik wil dat er na mijn dood gezongen wordt
Maak het feest niet te lang, niet te kort

Keuze Jan-Dick den Das: Jim Steinman – Bad For Good (1981)

Bad for Good

Indrukwekkend vond ik het toen ik het voor het eerst zag. Een picture disc, of te wel een langspeelplaat waar de hoes ook op stond afgedrukt. Het was ergens in een dancing, op een zondagmiddag in Emmeloord. Ik moet zo’n 14 jaar zijn geweest, op zondagmiddag ging je naar de dancing dat was in die tijd normaal in de polder en bier drinken trouwens ook. Het nummer wat door de speakers knalde was de grote hit, de sensatie van dat moment. Meat Loaf met Paradise By The Dashboard Light. Wie kent het niet.

Het was de tijd dat een single die het goed deed een aanleiding was om ook het album aan te schaffen. In dit geval Bat Out Of Hell. Een schitterend album nog steeds, bombastisch, opera-rock, wall of sound: alles werd uit de spreekwoordelijke kast getrokken. En ook tekstueel was het drama optima forma, geen gelukkige liefdes maar gebroken harten, pijnlijke affaires, dat soort werk. En bij nadere bestudering van het album bleek niet de zanger hier verantwoordelijk voor te zijn maar ene Jim Steinman. Geboren in 1947 en dit jaar overleden in april. Een man met het vermogen om muziek en tekst prachtig met elkaar te laten verweven, en zich daarbij verzekerd van muzikanten die het kunstje meer dan goed verstonden, denk daarbij aan Roy Brittan pianist in The E street Band, Todd Rundgren een alleskunner.

Hij was niet alleen verantwoordelijk voor hits van Meat Loaf maar ook Bonnie Tyler en Celine Dion maakten dankbaar gebruik van zijn talent. In 1981 bracht Jim Steinman het album Bad For Good uit, het album zou eigenlijk worden in gezongen worden door Meat Loaf en ook onder zijn naam worden uitgebracht. Stemproblemen van de beste man zorgen ervoor dat Jim Steinman het zelf voor het grootste gedeelte inzong en ook onder zijn naam uitbracht. En ik vond het toen en nu nog steeds een lekker album, veel nummers zijn later alsnog door Meat Loaf op het album Bat Out of Hell II uitgebracht.

In de maand dat Jim Steinman overleed besteedde het tijdschrift The Rolling Stone hier aandacht aan, en terecht natuurlijk. Een artikel met de passende titel: From Meat Loaf To Celine Dion: 10 essential Jim Steinman Songs. En wat je er ook van vindt, hij heeft zeker grote invloed gehad en ook optimaal gebruik gemaakt van invloeden van andere zoals Phil Spector’s wall of sound. Ik las ooit ergens dat iemand het edelkitsch noemde, maar dat wel van de hogere kwaliteit en zo is het.

For the good of the action and a race in the dark
For the good of the fire in your soul
For the good of the rock and the roll in your heart
For the good of getting out of control
For the good of believing in a life after birth
For the good of your body so bright
For the good of the search for some heaven on earth
For the good of one hell of a night, for the good of one hell of a night

Keuze Remco Smith: Grace Jones – Nightclubbing (1981)

Vernieuwer in de popmuziek

De grote vernieuwers in de popmuziek zijn de producers geweest. Alle aandacht gaat naar de mensen op de cover van de plaat of de mensen op het podium, maar die zijn grotendeels schatplichtig aan de mensen die in de studio aan de knoppen draaien. In 2021 is daarvan een hele grote ons komen te ontvallen: Robbie Shakespeare van het producersduo Sly & Robbie. Voor de argeloze muziekliefhebber doet de naam Sly & Robbie misschien niet meteen een bel rinkelen. Zeker niet als je wat weinig hebt met muziek uit Jamaica: Reggae, Dub. Reggae was voor mij toch altijd de muziekstijl geweest waar ik wat omheen ben gelopen. Niet vervelend, zeker in de zomer, maar op het eerste gehoor wat eenvormig. Dat UB40 na hun eerste paar geweldige platen (Signing Off, met Food For Thought, Present Arms met One In Ten) groot is geworden door Reggae als Olvarit op te lepelen, heeft ook niet echt geholpen. Mijn muzieksmaak verkokerde zich in de jaren ’90 naar muziek van blanke mannen met gitaren.

Dat is best jammer, want op die manier heb ik in de jaren ’90 best veel hele goede muziek misgelopen. Shabba Ranks bijvoorbeeld, of het geweldige Murder She Wrote van Chaka Demus & Pliers. Vintage Sly & Robbie, zeker als je met aandacht naar de ritmesectie luistert. Die haast jazz-achtige baslijn, hobbelend als een pingpongbal. Vet aangezet, minimaal gevolgd door de kale drum.  Een prima instapliedje en een uitnodiging om in de gigantische collectie liedjes te duiken waar Sly & Robbie als producersduo, sessiemuzikanten en ritmesectie bij betrokken waren. Die catalogus besloot een periode van veertig jaar, al vanaf de jaren ’70. De doorbraak zou zijn geweest Right Time van The Mighty Diamonds uit 1976. Ook toen al: kale summiere drum met een hobbelende baslijn. De invloed van Sly & Robbie loopt door tot nu aan toe en is genre-overschrijdend. Dat blijkt uit de schier eindeloze lijst van mensen waarmee Sly & Robbie heeft gewerkt: Simply Red, Bob Dylan, Britney Spears, Madonna, No Doubt, Paul McCartney en Mick Jagger (Just Another Night).

De doorbraak voor het grote publiek als producersduo was in 1981. Sly & Robbie werden gevraagd om mee te werken aan het nog steeds spectaculair klinkende Nightclubbing van Grace Jones. Het warme van de ritmesectie contrasteert prachtig met de kille stem van Grace Jones. Nightclubbing is al weer veertig jaar oud, maar klinkt nog fris en fruitig. Die hele plaat is fantastisch: Pull Up To The Bumper, I’ve Seen That Face Before. Luister deze fenomenale plaat nog eens goed en let dan vooral op de bas en drum. De conclusie moet dan zijn: met het overlijden van Robbie Shakespeare is een hele grote muzikant en producer heengegaan. Hij is 68 jaar oud geworden.

Keuze Alex van der Heiden: Bronski Beat – Screaming (1984)

Pijn

Steve Bronski, die geboren werd als Steven William Forrest, was samen met Larry Steinbachek en Jimmy Sommerville verantwoordelijk voor de band Bronski Beat. In een eerdere blog over Wham! heb ik al eens het volgende gemoireerd: laat even het volgende op je inwerken; in 1980 was het niet meer verboden in het Verenigd Koninkrijk om uiting te geven aan je homoseksualiteit. Weliswaar 13 jaar eerder al in het landsdeel Engeland, maar alsnog…. Kijk vervolgens even naar het jaartal dat hierboven staat. Wat een strijd moesten de mensen in die tijd leveren voor gelijke rechten en behandeling. Dan is er nog iets in de wetgeving van dat moment waar Steve Bronski zich terecht erg kwaad over maakte; Het was voor hetero’s toegestaan om vanaf 16 jaar een relatie (en seks) te hebben en voor homoseksuele mensen was de leeftijd 21 jaar.

Tegen dat licht blikken we terug op Steve Bronski die op 7 december 2021 het leven liet. De doodsoorzaak is niet officieel bevestigd, maar er zijn geruchten dat hij in een brand zou zijn overleden in zijn flat in Londen. Een paar jaar geleden had Bronski een hartinfarct gehad en hij kreeg daarna hulp van enkele dierbaren om hem zowel fysiek als mentaal bij te staan. Doordat hij niet heel fit meer was om te ontkomen, zou hij door de rook zijn gestikt. Over de oorzaak van de brand is niets bekend.

Steve Bronski verliet Glasgow op zijn 22ste om zijn geluk te vinden in Londen net zoals zoveel gays in die tijd die geen erkenning kregen op geboortegrond. London (en enkele andere grote steden) bood een vrijplaats om te kunnen zijn wie je was. Allen hadden zij een eigen verhaal en het verhaal van Steve Bronski zat ‘m vooral in de miskenning door zijn familie waardoor hij zijn vlucht nam tot het ‘vrije Londen’. Daar ontmoette hij zijn medebandleden Steinbachek en Sommerville, ook beiden jonge homo’s, en Bronski Beat was een feit. Hun eerste optreden in een Londense pub was meteen een succes en Bronski was ervan overtuigd dat ze, mede door de bijzondere kopstem van Sommerville, iets bijzonders in handen hadden. Ook platenlabels waren er als de kippen bij, maar Bronski Beat weigerde ZTT die in die tijd net opkwam en bijvoorbeeld wel Frankie Goes To Hollywood contracteerde. De reden was dat zij niet als ‘gay-etalagepop’ wilden dienen met T-shirts met teksten als queer of poof. Liever maakte Bronski Beat een statement met hun liedjes en als band!

Na Bronski Beat legt Steve Bronski zich toe op wat productiewerk en hij leeft zijn leven in onder andere Thailand, om uiteindelijk weer naar Londen terug te keren. Die stad waar het allemaal begon en waar toch wel zijn belangrijkste legacy, namelijk Bronski Beat ontsproot. Bronski Beat was essentieel voor de homo-emancipatie en ik vind het belangrijk om dat nog maar eens te benadrukken. Met hun wereldhit Smalltown Boy legden zij perfect bloot hoe onredelijk en agressief men naar anders-geaarden keek. Maar naast deze en andere hits maakten zij nog meer pareltjes die ongelofelijk essentieel zijn om te luisteren. Zeker ook anno 2021/2022 waar in Europa en helaas ook in Nederland obscure politici hun heteroseksuele superioriteit willen propageren ten koste van anderen. Één van die parels is Screaming. Zoals de titel al doet vermoeden gaat deze door merg en been. 

My hiding in the crowd
My mother my sisters eyes
My seniors and their prying
My freedom my prison cell

Ze vertellen hier in alle kleine dingen waar de pijn zit. Hoe onverdraaglijk onverdraagzaamheid is. En ik zie, hoor en ervaar het helaas nog steeds op willekeurige momenten:
wanneer je langs een schoolplein loopt en je ‘kanker homo’ hoort roepen naar een medeleerling.
wanneer je een collega hoort zeggen: ze doen maar, maar ik hoef het niet te zien.
wanneer je de politicus hoort oreren over Aids en dat dit niet geldt voor blanke hetero’s.
wanneer je deel uit maakt van een kerk, of gemeenschap die geen gelijke rechten heeft voor homo’s en hetero’s.
wanneer men maar aan hem blijft vragen wanneer hij nu eens met een leuke meid thuis komt, terwijl….
wanneer er weer een discriminerend spreekkoor is in een stadion en niemand het lef heeft om de boel te onderbreken.
wanneer je vrienden een foute homograp maken, maar je er niets van zegt en een beetje meelacht.

Luister dan nog eens naar Screaming en hoeveel pijn iemand aangedaan wordt in al die kleine en grote uitingen. En pas wanneer het stopt, dan hebben de indringende teksten van Steve Bronski en zijn band het gewenste effect gehad.

Keuze Marco Groen: Dog Eat Dog – Games (1986)

Een offer aan Venus

Als gitarist opeens oog in oog staan met een metallegende. Het was iets dat Sean Kilkenny overkwam. Tijdens de opnames van het album Play Games kwam de grap voorbij dat de stem van rapper/zanger John Connor dusdanig ‘metal’ was, dat alleen Ronnie James Dio hem zou kunnen vervangen. Dit gesprek werd opgevangen door iemand van het platenlabel Roadrunner en hij maakte er meteen werk van. Dio vond het wel een interessant idee en niet veel later stond de voormalige zanger van Elf, Rainbow en Black Sabbath in de studio met de heren van Dog Eat Dog. Samen namen ze het nummer Games op, waarop Dio is te horen als sportverslaggever.

Alhoewel, sport…. Net zoals eerder werd gedaan op de gruwel Paradise By The Dashboard Light gebruikt de band een sportwedstrijd in dit nummer als metafoor voor kezen, coïteren, kieren, pezen, rampetampen, copuleren, aanduwen, oftewel neuken. In tegenstelling tot Meat Loaf, die een honkbalwedstrijd hanteerde voor zijn beeldspraak, benut Connor Amercan Football om zijn publiek een inkijkje te geven in zijn seksleven. Daarbij is hij opvallend eerlijk.

De omschreven bijslaap wordt op gitaar begeleid door eerder genoemde Kilkenny. Want dat hoort nu eenmaal zo. Kilkenny had al enige ervaring opgedaan als gitarist bij de hardcore-punkband Mucky Pup voordat hij een van de founding fathers van Dog Eat Dog werd. Met deze band produceerde hij de -in Europa- uiterst succesvolle albums All Boro Kings en Play Games. Iets minder applaus kreeg de band voor Amped. In 2005 verliet hij de band en ging zich weer richten op de punkscene van New York en New Jersey, waar hij heerlijke pleurisherrie maakte met bands als Murphy’s Law, Harley’s War en M.O.D.. De lijntjes in die ‘scene’ waren klaarblijkelijk vrij kort, daar bandleden van Mucky Pup, Murphy’s Law en Dog Eat Dog al eerder een gelegenheidsband hadden gevormd onder de naam All Boro Kings, vernoemd naar het eerst album van Dog Eat Dog. Dit gezelschap trok samen met Hatebreed, Biohazard en Agnostic door Europa tijdens de Eastpack Resistance Tour. Ook uit deze tour ontstond een kortstondige collaboratie toen Kilkenny besloot zich aan te sluiten bij Stigma, de band van Vinnie Stigma, gitarist van Agnostic Front. In 2010 kwam Kilkenny vanwege het 20-jarig bestaan van Dog Eat Dog voor eventjes terug bij de band. In de originele bezetting werden er twee concerten gegeven.

Het is duidelijk dat Kilkenny al voor meerdere levens bandervaring had opgedaan. En dat is maar goed ook, want in oktober 2021 kwam geheel onverwacht het bericht naar buiten dat hij op 51-jarige leeftijd was overleden. De doodsoorzaak is nooit bekend gemaakt.

Keuze Reimer Ikink: Biz Markie – Just A Friend (1989)

Foutje, bedankt

De Clown Prince of Hip-Hop. De joker van de klas. Rapper, beatboxer en professioneel lolbroek Marcell Hall, beter bekend als Biz Markie, overleed het afgelopen jaar op 16 juli. De wereld verliest daarmee niet alleen een hip-hop legende, maar vooral ook een behoorlijke, gezonde bron van humor. In het hip-hop wereldje verdiende hij in zijn sporen als onderdeel van het Juice Crew-collectief, dat ook grote namen als Kool G Rap, Roxanne Shante en Big Daddy Kane produceerde. Zijn grote hit scoort hij 1989 met een cautionary tale/friend-zone anthem. Nergens is Biz Markie zo overtuigend in zijn humor en zelfspot als op de onvergetelijke single Just A Friend.

Over een simpele drum-beat en een piano-sample rapt Biz Markie drie coupletten en zingt hij twee refreinen. Een lyrisch genie is Markie niet, maar hij weet wel hoe hij een aangrijpend verhaal moet vertellen. Het eerste couplet opent met een korte introductie. De situatie is als volgt: Biz Markie gaf een concert en is daarna een mooie meid tegengekomen. Na wederzijds geflirt stelt hij de grote vraag Do ya have a man?. Het antwoord luidt No, I don’t, I only have a friend.

Hierna volgt het refrein. De hook wordt geleend van Freddie Scott’s (You) Got What I Need, waar ook de piano-sample van afkomstig is. Hoewel Biz Markie eigenlijk niet van plan was zelf te zingen, moest hij zich er maar aan wagen toen op de dag van opname niemand kwam opdagen die het voor hem wilde doen. De rapper/beatboxer is klaarblijkelijk geen fantastische zanger, maar dat maakt het refrein enkel beter. Uitermate onzuiver maar met volle overtuiging schreeuwt Biz Markie het uit. De kwelling van zijn liefdesverdriet valt niet meer te omzeilen, en de luisteraar weet nu zeker; dit verhaal loopt niet goed af. Zelden is een totaal gebrek aan zangvermogen zo vermakelijk als op dit legendarische refrein.

Daarna vertelt de Biz verder. Hij en de meid, genaamd blah-blah-blah, ­lijken het goed met elkaar te hebben, of in zijn eigen woorden; dandy and sweet. Echter, blah-blah-blah ­gaat terug naar haar college dorm, en elke keer als Biz belt, neemt een of andere kerel op. Onze verteller wordt steeds achterdochtiger. Na nog een keer het refrein gezongen te hebben, komt hij bij de ontknoping. Biz Markie besluit langs te komen, een surprise visit.  Op een lesdag, dus hij weet zeker dat blah-blah-blah er zal zijn. Na een bezoekersformulier te hebben ingevuld en de weg heeft gevraagd, is hij daar dan. Hij doet de deur open en ziet hoe blah-blah-blah een andere man zoent. Maar Biz’s verdriet is niet voor niets, hij vertelt dit niet allemaal zodat wij medelijden met hem hebben. Nee, Biz Markie probeert ons te behouden voor de fout die hij zelf heeft gemaakt. So please, listen to the message that I send. Don’t ever talk to a girl who says she just has a friend

Keuze Mersad Rebronja: Mary Wilson – One Night With You (1991)

Geen jaloezie

Toen Mary Wilson vorig jaar op 76-jarige leeftijd overleed schreef ik al een blog om haar te eren. Daarvoor gebruikte ik een nummer van The Supremes zonder Diana Ross. Nu is het tijd om Mary te eren met een solonummer. Al voor haar overlijden werd Mary geëerd als één van de beste en meest invloedrijke artiesten allertijden. Eén van de oprichters van The Supremes zijn is feitelijk al genoeg reden. Na The Supremes bracht Mary twee soloalbums uit: Mary Wilson en Walk The Line. In 1986 bracht ze haar memoires, Dreamgirl: My Life As A Supreme, uit. Dit werd een enorm succes want het publiek hield nog altijd van haar. Ze was heel open en eerlijk over alle juridische kwesties rondom het gebruik van de naam The Supremes en over de drama rondom het vertrek van Diana Ross bij de groep. Een aantal jaar later volgde een tweede memoir: Supreme Faith: Someday We’ll Be Together. Ook dit boek werd een succes. In 2000 probeerde Diana Ross een reünie tour te organiseren met Mary maar ze weigerde. Mary was op dat moment een succesvol concertartiest in Las Vegas. Mary stond verder bekend om haar werk voor goede doelen.

In een interview werd aan Mary gevraagd of ze jaloers was op Diana. Dat was niet het geval. Ze kon heel goed leven met het feit dat Diana de superster is geworden en zij niet. In haar hart zag ze Diana nog altijd als vriendin en ze hoopte ook dat ze weer samen zouden komen, maar contact was er niet. Al in de tijd van The Supremes was het natuurlijk zo dat de meeste aandacht uitging naar Diana. Het is jammer dat de andere leden daardoor minder aandacht kregen. In het geval van Mary alleen al omdat ze een waanzinnige stem heeft. In 1992 bracht ze het album Walk The Line uit. Dat werd geen succes omdat het platenlabel verbonden aan de plaat een dag na het uitbrengen failliet ging. Mary had geen weet van de geldproblemen. Op het album staat een prachtige liefdesballad: One Night With You, geschreven door Antonina Armato en Rick Neigher. Mary’s vocalen schitteren op deze plaat in volle glorie, vol passie en soul. Met een stem van dat kaliber had er toch wel een grote solocarrière ingezeten als je het mij vraagt. Helaas bleef haar solowerk beperkt.

Mary is in augustus 2020 begonnen met een eigen, bescheiden, YouTube-kanaal. Het kanaal heeft nu bijna 3.300 abonnees en ze heeft in totaal 51 video’s geplaatst met liveopnamen, oude opnamen van The Supremes en video’s over Motown-iconen die Mary in de jaren ’60 ontmoette. De laatste video die ze zelf op het kanaal heeft geplaatst, plaatste ze op haar sterfdag. Ze was van plan om nog veel meer op het kanaal te plaatsen en ze deed dit op een hele persoonlijke manier dus het is bijzonder jammer dat ze haar werk niet heeft kunnen voltooien. Nu wordt Mary geëerd als een reus in de muziekwereld wiens invloed op muziek de weg zou plaveien voor toekomstige generaties vrouwen.

Keuze Erwin Herkelman: Paul Johnson – Get Get Down (1999)

Teacher van Daft Punk

Het is een inspirerend verhaal: het verhaal van Paul Johnson. De tegenslagen die hij overwon, de wijze waarop hij zijn geheel eigen stijl ontwikkelde en de toewijding die hij had voor zijn muziek. Niet voor niets komt zíjn naam als eerste voorbij in Teachers, de ode van het Franse duo Daft Punk aan hun leermeesters. Paul Johnson was dan ook een van de redenen dat zij ooit begonnen met het maken van house-muziek, zo vertelden zij hem ooit.

Johnson groeide op in de bakermat van het genre: Chicago. Een veelbelovend producer die al op zijn dertiende achter de draaitafels stond en op 16-jarige leeftijd zijn eerste singles uitbracht op onder andere het Djax Up-label. Maar niet veel later sloeg het noodlot toe. Hij raakte ernstig gewond bij een schietpartij en belandde in een rolstoel. Gezondheidsproblemen daarna zorgden ervoor dat hij uiteindelijk beide benen verloor.

Maar dat hield hem gelukkig nooit tegen. The crappy life I’ve had health wise, that’s been nothing, man. That’s just been a shadow to what I’ve been doing, I don’t even see it, nobody sees it. It’s all about the music. Want dat wás zijn leven: muziek. Hij leerde zichzelf hoe hij house-platen produceerde en ontwikkelde zijn herkenbare sound: zijn discoloops en zijn overstuurde kicks vielen op tussen de rest.

En dat ontdekte in 1999 eindelijk ook het grote publiek. Get Get Down werd een enorme hit in de Verenigde Staten en Engeland. Ook in ons land was het met een top 3-notering een groot succes. De zonnige vibe en dito clip brachten iedereen weer eventjes terug naar die lange, warme zomer van dat jaar.

In 2021 liep hij echter COVID-19 op en belandde op de intensive care. In de periode daarna hield hij zijn fans op zijn eigen, ongefilterde wijze op de hoogte van zijn gezondheid via social media. Totdat hij aan de beademing moest. En op 4 augustus 2021 moest de house-wereld definitief afscheid nemen van dit icoon.

Keuze Marleen de Roo: Girls Aloud – Sound Of The Underground (2002)

Sarah Harding: stem onder de oppervlakte

Het Verenigd Koninkrijk en popmuziek. Al sinds jaar en dag onlosmakelijk met elkaar verbonden. Van The Beatles tot Harry Styles. De laatstgenoemde is meteen een voorbeeld van hoe belangrijk televisieshows voor popmuziek zijn geworden. Zo begon ook de carrière van de toen 20-jarige Sarah Harding.

Bij ons begon het met Jim en Jamai, in Engeland begon met het Girls Aloud, de winnaars van TV-talentenshow Popstars – The Rivals. Precies 20 jaar geleden ontstond een van de succesvolste meidengroepen uit de Britse geschiedenis. Ja, succesvoller dan Spice Girls of Little Mix. Maar liefst 21 singles stonden in de Top 10 van de Britse hitlijsten, terwijl de band dit in Nederland alleen met Jumpd de soundtrack van de succesvolle en geweldige kerstfilm Love Actually en Sound Of The Underground haalde. En maar net. Dat de meidengroep niet succesvol was buiten de eigen landsgrenzen, kwam volgens Sarah grotendeels door Ierse muziekmanager Louis Walsh. De man achter Boyzone en Westlife. Het enige dat niet klopte met Girls Aloud, was het management. Ja, Sarah sprak zich uit.

Haar stem was niet alleen krachtig in interviews, maar ook in die single Sound Of The Underground. Een echte oorwurm. Het was de eerste single van de meidenband met typisch zero’s geluid qua beat (163 beats per minuut), elektronisch, dansbaar en krachtig. Ritmische gitaren en opzwepende zang. Een catchy bridge en refrein dat blijft hangen. Het is stoer, maar ook sexy, precies zoals je verwacht van een popband. Een lied dat in de club iedereen de dansvloer op krijgt. Maar gaat de Sound Of The Underground alleen over duistere dansclubs? Of is het ook een goede omschrijving van wat er in Sarah omging? Er zat veel verstopt onder de korte glitterjurkjes en het blonde haar.

Girls Aloud was een samengestelde groep, de popnummers werden voor hen geschreven en de dansjes ingestudeerd. Of zoals Sarah in een interview met Jonathan Ross zei: We zijn opgegroeid in de schijnwerpers. De industrie heeft mij gedesillusioneerd achtergelaten. Net als de liedjes, werd het leven van Sarah voor haar geschreven, maar ze had het geluk dat ze uitgesproken was en vier vriendinnen naast haar had. Liefde, kinderen, een succesvolle acteercarrière, het zat er voor haar niet in. Ze vocht, net als vele jonge popsterren, tegen een alcoholverslaving. Maar het leven in de schijnwerpers maakte haar niet kil. Het prijzengeld van Celebrity Big Brother ging naar het goede doel.

Sarah Harding was nog maar 39 toen ze in 2021 overleed aan borstkanker. Als afscheid schreef ze een memoir met een sprekende samenvatting passend bij die debuutsingle: I want to show people the real me. Or perhaps remind them. Because, somewhere – amongst the nightclubs, the frocks and hairdos, the big chart hits, and the glamour of being a popstar – the other Sarah Harding got utterly lost. She’s the one who’s been forgotten. And all I want is for you to hear her out. Dus laten we naar haar luisteren.

Keuze Stefan Koopmanschap: K-Hand – These Sounds Lead The Way (2008)

First Lady of Detroit Techno

Als je liefhebbers spreekt over Detroit techno dan komen eigenlijk altijd ongeveer dezelfde namen naar boven: Juan Atkins, Derrick May, Jeff Mills, Kevin Saunderson, Blake Baxter, Robert Hood, Carl Craig. Maar één naam zie je niet zo heel vaak terug, terwijl die er eigenlijk wel in thuis hoort. Want ook Kelli Hand is enorm actief geweest in de Detroitse techno scene. Dat leverde haar uiteindelijk de titel First Lady of Detroit Techno op, alsmede een Spirit of Detroit Award samen met een aantal van de eerder genoemde heren.

En ik moet toegeven dat ik lang niet al haar werk kende totdat ik afgelopen jaar meer van haar werk ging checken na haar overlijden. En er waren tracks die ik wel kende, maar waarvan ik me niet realiseerde dat die van haar waren. Ik kende haar vooral van haar release op het legendarische Warp Records en de track Everybody, wat tot op de dag vandaag een heerlijke track is. Maar ze bleek echt veel meer toffe dingen gedaan te hebben en nog steeds te doen. Tot haar dood op een veel te vroege 56-jarige leeftijd bleef ze muziek maken en DJ-en.

We verloren veel van de goeden afgelopen jaar, maar een grondlegger als Kelli Hand moet even extra aandacht krijgen. Bijvoorbeeld met haar These Sounds Lead The Way. Want dat was wel wat ze deed.

Keuze Marcel Klein: Big Big Train – Folklore (2016)

Afscheid

In 2021 overleed David Longdon ten gevolge van een auto-ongeluk. Wellicht niet zo bekend maar hij was sinds 2009 zanger en frontman van de progressieve rockband Big Big Train. Een typische Engelse progrock band in de geest van Genesis, Jethro Tull en Marillion. Echter, het meest bijzondere van deze band is dat zij een uniek geluid hebben, wat echt per album verschilde. Veel koperwerk, violen en stevige progressieve rock. Een moderne versie die fris klinkt. De band (opgericht door Greg Spawton in 1990), begon dankzij David Longdon, maar ook na het aantrekken van Nick D’Virgillio als drummer (bekend van Spocks Beard) vanaf 2009 echt succes te krijgen met albums als The Underfall Yard, Folklore en English Electric Part 1 and 2 echt succes te krijgen.

Dat is voornamelijk te danken aan David Longdon.  Een fantastische frontman die live zijn mannetje stond, gezegend was met een uitstekende stem en ook nog prima nummers schreef. Hij bracht de band op een hoger niveau.

Brooklands is mijn favoriete nummer van de band. Het nummer gaat over John Cobb, een bekende autocoureur in de jaren ’30. Brooklands was een zeer bekend circuit in Engeland en John Cobb was heer en meester op dat circuit. Het waren andere tijden en als er tegenwoordig al gevaarlijke situaties zijn bij de Formule 1 races, dan waren de coureurs in die jaren echte durfals. Kijk maar eens naar dit filmpje waar John Cobb rondjes rond het circuit reed.

John Cobb was een snelheidsduivel, niet alleen in de auto. Hij overleed in 1952 toen hij met een boot in het meer van Loch Ness een snelheidsrecord probeerde te breken. Dit nummer gaat dus over hem, maar heeft een overkoepelend thema. Het nummer gaat over een man die ouder wordt en beseft dat de tijd echt snel gaat. Cobb was een man die dat besefte en zijn leven tot op het laatste moment ook leefde, die dingen deed die hij wilde doen.

I was a lucky man, a lucky man
I did the things I can
The things I can’t explain
But where did all the time go?

Just give me one more run
On the racing line
One more time
One last time

Misschien wrang dat Longdon omkwam bij een auto-ongeluk, maar we zullen hem herinneren als een goede zanger en frontman van deze band. In 2022 komt (postuum) het laatste album uit waar Longdon aan mee werkte, genaamd Welcome To The Planet.

[crowdsignal poll=11007485]

 

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.