De groep is veilig. Je staat er niet alleen voor. Je profiteert van elkaar en als het misgaat, krijgt iedereen op zijn kop. Maar je wilt als artiest laten zien dat je het ook prima alleen kunt. Het is tijd voor een soloproject.

Keuze Jeroen Mirck: John Lennon – God (1970)

Godogodogod

Heel af en toe hoor je nummers die binnenkomen als een mokerslag. Als een aardbeving. Als kortsluiting in je brein. Als ontwrichting van een heilige waarheid. John Lennon schreef zo’n nummer, nee, hij schrijf het meest ontwrichtende nummer ooit. Over God, met wie hij zijn leven lang ruzie had. Maar ook over The Beatles: de band die hem groot maakte, maar die hij met dit nummer eigenhandig ten grave droeg. Pijnlijk prachtig.

Op 11 december 1970 bracht Lennon voor het eerst een soloalbum uit, getiteld John Lennon/Plastic Ono Band. Dat was ruim een half jaar na de break-up van The Beatles. Het expressieve, emotionele album kon niet anders worden gezien als een verwerking van die breuk. Sterker nog: Lennon en zijn vrouw Yoko Ono waren vlak na het uiteenvallen van The Beatles in het vliegtuig naar Los Angeles gestapt voor een Primal Scream-therapie bij specialist Arthur Janov. Die schreeuwtherapie is onmiskenbaar terug te horen op Plastic Ono Band, met name in de liedjes over de getroebleerde relatie met zijn moeder. Maar zeker ook in het nummer God.

Het concept God
Religie was een thema dat veel langskwam in de gesprekken met Janov. De therapeut zou later zeggen dat Lennon toen tot de conclusie kwam waarmee het nummer aftrapt: God is a concept by which we measure our pain. Een harde en cynische constatering, die niet los kan worden gezien van de ophef die in 1966 ontstond toen Lennon zich in een interview liet ontvallen dat The Beatles populairder zijn dan Jezus. Maar daar laat Lennon het niet bij.

Het nummer God bestaat feitelijk uit drie delen, een werkwijze die Lennon ook samen met Paul McCartney hanteerde in The Beatles, getuige gelaagde glimmertjes als Happiness Is A Warm Gun en A Day In The Life. Na deel een (over het concept God) volgt een tweede deel waarin Lennon een aantal fenomenen opsomt waar hij niet in gelooft, waaronder de Bijbel, tarot, Hitler, (wederom) Jezus, Boeddha, mantra, yoga, Elvis, Bob Dylan en, jawel, na een dramatische stilte: The Beatles. Nee, Lennon gelooft alleen in zichzelf en zijn vrouw Yoko. That’s reality. Daarmee voedde hij ook de framing dat de neergang van de grootste band op aarde was veroorzaakt door de nieuwe liefde van Lennon.

The dream is over
I don’t believe in Beatles, I just believe in me. Dit laatste statement komt keihard binnen. Lennon is definitief klaar met The Beatles. Die boodschap krijgt een melodieus slotakkoord in het derde deel van dit nummer, waarin hij verwijst naar oude bijnamen (Dream Weaver, The Walrus), waarna hij benadrukt nu gewoon John te zijn.

I was the dream weaver, but now I’m reborn
I was the Walrus, but now I’m John
And so dear friends, you just have to carry on
The dream is over

De droom is voorbij. Een dramatische zin, die tien jaar later na zijn gewelddadige dood in New York oneindig zou worden aangehaald. Het gaat hier natuurlijk niet louter om het einde van The Beatles, maar echt een einde van een tijdperk. Het einde van de hippie-jaren zestig, zou je kunnen zeggen. Een nieuwe tijd is aangebroken. Voor Lennon, voor The Beatles, voor iedereen. En over de rol van religie in die nieuwe tijd zou Lennon zeggen: If there is a God, we’re all it.

Keuze Tricky Dicky: Phil Collins – You Know What I Mean (1981)

Lijdensweg

Met een letterlijke donderslag bij heldere hemel kwam Phil Collins als soloartiest de popgeschiedenis binnen. In The Air Tonight is een iconisch lied, dat nog steeds hoger in de waardering van het luisterpubliek lijkt te komen gezien zijn hoogste positie ooit in de Top 2000 vorig jaar.

Het is terug te vinden op zijn debuutalbum Face Value. Toen vond ik het een goede plaat, maar door de decennia heen moet ik constateren dat het sterk gedateerd is. Ik draai het nauwelijks meer, want er staan een aantal liedjes op die zelfs ergernis opwekken, zoals een matige cover van Tomorrow Never Knows en Behind The Lines. De laatste stond al op het Genesis’ album Duke en is daar echt 100% beter. Bovendien staan er teveel kabbelende liedjes op: liftmuziek.

Behoudens In The Air Tonight vind ik heden ten dage I Missed Again nog enig sinds interessant en het rustige You Know What I Mean van een onaardse schoonheid getuigen. Een mooie minimalistische ballad; een ultieme poging zijn ex-vrouw, Andrea Bertorelli, weer terug te lokken. De rode draad van het hele album overigens. Deze voor hem pijnlijke scheiding was ook de reden dat Genesis in 1979 helemaal niets deed en pas in 1980 voor Duke weer bij elkaar kwam. Zelf zegt hij de liedjes uit een gevoel van woede, wanhoop en frustratie geschreven te hebben. Misschien wordt het tijd om een nieuw album te maken, want zijn huidige ex-vrouw maakt zijn leven wel bijzonder zuur.

I wish I could write a love song
To show you the way I feel
Seems you don’t like to listen
Oh, but like it or not, take what you’ve got and leave

Keuze Annemarie Broek: Bill Wyman – (Si Si) Je Suis Un Rock Star (1981)

Ouderwetse Rock & Roll met New Wave

Ja, waarom nou juist Bill Wyman? Je zou juist verwachten dat ik – als die-hard fan vanaf het begin – voor Keith Richards zou kiezen! Dat zit zo.

Keith Richards heeft naast de Stones vanaf 1988 een eigen band: de X-pensive Winos. Gezien de samenstelling van die groep is dat meer een zandbak voor de echte Stones: elk lid van die band is of was op de een of andere manier met de Stones verbonden en X-pensive Winos-lid Steve Jordan volgde Charlie Watts op als drummer. Vandaar mijn keus voor Bill.

Waar Keith zich als laatste Stone pas in 1988 op het solopad waagde, maakte Bill Wyman als eerste Stone vanaf 1974 een aantal soloplaten en later met zijn groep The Rhythm Kings.

Bill Wyman had het moeilijk met zijn lidmaatschap van de Rolling Stones. Hij had weinig in te brengen bij het tandem Jagger-Richards, maar hield het toch nog tot 1993 vol. Daarna begon hij een restaurant in Londen (Sticky Fingers) en ging hij toeren met zijn eigen groep, die hij The Rhythm Kings noemde.

Hij maakte een stuk of vijf solo-albums. Op één daarvan, die hij naar zichzelf vernoemde, stond het nummer (Si Si) Je Suis Un Rock Star. Op zich een eenvoudig deuntje, waarvan vooral de tekst opviel. In een soort Franglais, een wilde mix van correct Engels en steenkolen-Frans. Het was een gemakkelijk melodietje dat zijn weg naar de hitparades wel wist te vinden. De plaat werd goed ontvangen en de critici prezen de nieuwe weg die Wyman was ingeslagen.

Wyman bespeelde grotendeels zelf de instrumenten, ondersteund door een ritmesectie en enkele gasten zoals Brian Setzer en zijn zoon Stephen Wyman. Men sprak van een sound die ouderwetse Rock & Roll met New Wave elementen combineerde.

Om het verhaal nog even rond te maken. Met The Rhythm Kings bracht hij tot dusver zes albums uit. Naar mijn idee vond hij zijn draai pas echt met deze band vol R&B-grootheden als Georgie Fame, Albert Lee en Andy Fairweather-Lowe.

Keuze Peter van Cappelle: Brian Wilson – Love And Mercy (1988)

Brian’s meest persoonlijke songtekst

Er is door de decennia heen al veel geschreven over het genie van The Beach Boys, Brian Wilson. Weliswaar focust het zich dan vooral (begrijpelijk) op de gloriedagen van zijn van creatieve piek, maar dat tegelijkertijd ook bijna zijn ondergang werd. De periode van het legendarische album Pet Sounds in 1966 (dat hij maakte terwijl de andere leden van The Beach Boys op dat moment zonder hem op tournee waren), en het mislukte album Smile waarmee hij The Beatles wilde overtreffen. Het verhaal is bekend. De sessies voor Smile verliepen stressvol, en uitgerekend het sterk door Pet Sounds geïnspireerde Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band van zijn Liverpoolse rivalen zorgde voor de genadeklap waardoor hij in een zware depressie raakte en jarenlang vooral op de achtergrond actief was. Halverwege de jaren ’70 kwam hij weer terug, maar hij is nooit helemaal de oude geworden.

Want in de jaren ’80 brak opnieuw een donkere periode voor hem aan. Door toe doen van zijn familie zocht de zwaar drugsverslaafde Brian hulp bij de beruchte psychiater Eugene Landy die juist geen goede invloed op hem bleek te hebben. Hij trok bij Wilson in huis en bemoeide met bijna elk aspect in zijn leven. Ook met zijn muziek. In 1988 bracht Brian Wilson zijn titelloze solodebuut uit. Waarvoor op eerdere uitgaven Landy zowel credits kreeg voor de productie als co-songwriter van alle nummers. Bij latere releases is zijn naam verwijderd, want Wilson’s latere echtgenote Melinda Kae Ledbetter kreeg het uiteindelijk voor elkaar via een rechtszaak dat Landy geen contact meer mocht zoeken met Brian.

Niet voor niks was het nmmer Love & Mercy van zijn eerste solo album ook de titel van een biopic over zijn leven uit 2014. Het is misschien wel het meest persoonlijke nummer dat hij ooit schreef. Een nummer dat geïnspireerd was door een andere klassieker: de Hal David en Burt Bacharach compositie What The World Needs Now. Hoewel bij de originele versie uit 1988 The Beach Boys-achtige koortjes het een typische Brian Wilson compositie maken verscheen er zeven jaar later misschien wel een mooiere versie. Toen hij het opnieuw opnam op het album I Just Wasn’t Made For These Times voor de gelijknamige documentaire over zijn leven. In deze versie is het ontdaan van de jaren ’80 productie en komt het nummer soberder beter tot zijn recht.

Keuze Alex van der Heiden: Bruce Dickinson – Shoot All The Clowns (1994)

Smaakt naar meer

In 1990 kocht ik vol verwachting de eerste solo elpee van Bruce Dickinson genaamd Tattooed Millionaire. De titelsong is alleraardigst en ook de Bowie-cover All The Young Dudes vond ik erg gaaf. Toch zijn er meer jaren dat deze elpee niet als wel op mijn platenspeler heeft gelegen. Het is dan ook het enige album van de Iron Maiden-frontman die ik in bezit heb en misschien is dat toch niet helemaal terecht. De opvolger van Tattooed Millionaire genaamd Balls To Picasso mag er zijn. Een afwisselend album waarbij Dickinson van het Maidenpad durft te wijken, waarbij zijn stemgeluid uiteraard onmiskenbaar en recht overeind blijft. Wat rest is een afwisselend werk vol rock ’n roll, metal en zelfs funk invloeden.

Die funky sound komt onder andere in het nummer Shoot All The Clowns goed naar voren. Terwijl de zangpartijen aanvankelijk geleidelijk zijn Dickinson gang gaan, slapt de bas het hele nummer lekker door tot aan de bassolo halverwege waarbij Dickinson een rap-achtig intermezzo doet. Ik vind het gewoon lekker en het smaakt naar meer, zoveel meer dat ik al voorzichtig aan het struinen ben naar een vinyl exemplaar van dit album.

Keuze Joop Broekman: Murderdolls – White Wedding (2003)

Scheurversie

Slipknot, je vindt ze tof of je voelt je er té oud voor. Ik hou er wel van. Hun albums zitten goed in elkaar en vol energie. Live zijn ze een aanrader, dat heb ik al twee keer mogen beamen. Zo’n beetje ieder (ex-)bandlid heeft er wel een projectje (of meer) naast. Ga maar eens zoeken, je komt veel leuks tegen als je een brede smaak hebt in gitaarmuziek. Iedereen kent natuurlijk wel Stone Sour, het degelijke bandje van frontman Corey Taylor. Veel minder bekend was Murderdolls, side project van drummer Joey Jordison.

Een band die al wat langer bestond onder de de naam The Rejects, maar moest stoppen omdat Slipknot té groot werd (lees: deal bij een groot label). Heroprichting volgde met een paar andere bandleden en na wat demo’s kwam in 2002 eerste album Beyond The Valley Of The Murderdolls uit. Moderne horrorpunk in een hoge versnelling met zeer zelden een tandje terug. Alsof Mötley Crüe en The Misfits aan het jammen zijn, met Alice Cooper als dirigent. Het is meteen een succes, vooral op festivals doet Murderdolls het goed. Maar in 2004 spelen ze hun laatste show. Jordison moet weer verder met Slipknot, dat op het punt staat definitieve wereldroem te vergaren met Vol.3: The Sublimal Verses.

In 2010 verschijnt opvolger Women And Children Last. Hierop is wat meer variatie te horen, maar verder niks nieuws onder de zon, ondanks een vrijwel geheel gewijzigde band line-up. Andere prioriteiten van Jordison schoppen het toeren ter promotie aardig in de war. Uiteindelijk ligt de band een jaar later definitief op zijn gat. Eind 2013 verlaat hij ook Slipknot volgens de officiële lezing op de website van die band. Via Facebook laat Jordison weten dat dit toch echt niet het geval is, maar beide partijen zwijgen vervolgens een paar jaar over de werkelijke reden.

De wederopstanding van Murderdolls lijkt in de maak in 2018, een half jaar later wordt die hoop de grond ingeboord. Op 26 juli 2021 overlijdt Jordison in zijn slaap, nog maar 46 jaar oud. Hij was een van de medeoprichters van Slipknot.

Keuze Remco Smith: Janove Ottesen – Black And White Movie (2004)

Og nå noe helt annet

Kaizers Orchestra was een jaar of 20 geleden een graag geziene gast op de Nederlandse podia. De Noren maakten op een bomvol podium een soort zigeunermuziek, zoals ook Gogol Bordello die maakt. Kaizers Orchestra was daarmee een echte liveband. Potten en pannen, als een Scandinavische Tom Waits, een orgelspeler met een gasmasker op, veel mensen op het podium, heel veel energie. Alles in het Noors, wat de muziek een bevreemdende extra twist gaf. Degene die na zo’n overdonderende live-ervaring, zoals ik, de CD kochten, kwamen waarschijnlijk een beetje bedrogen uit. De liedjes bleken in de woonkamer of in de auto wat minder sterk dan dat ze in, in mijn geval Doornroosje in Nijmegen hadden geleken, de stem van zanger Janove Otteson bleek een beetje vlak. Niettemin een fijne liveband en ik ben blij dat ik ze heb gezien. Kaizers Orchestra werd in 2000 opgericht en speelde in 2013 hun (voorlopig) laatste concert in Stavanger.

Deze battle gaat over sidetrips: een soloproject naast de band waar we de betreffende persoon van kennen. Dat kan leiden tot muziek die gevoelsmatig ook binnen de band had kunnen passen: de plaat van Jeff Tweedy uit 2020 is prachtig maar had ook zo van Wilco kunnen zijn. Sidetrips worden echt interessant als de muzikale horizon flink wordt verruimd. Voorbeeld daarvan is het soloproject van Kaizers Orchestra voorman Janove Otteson, die uit een heel ander vaatje bleek te kunnen trappen. Nog tijdens de Kaizers Orchestra periode, in 2004, kwam Francis’ Lonely Nights uit. Geen potten en pannen, geen hoempamuziek, maar een hele fraaie singer-songwriterplaat. Engelstalig, beetje in de stijl van David Gray. Soms alleen gewapend met een akoestische gitaar, soms wat zwieriger aangezet met koortjes, blazers en pianootje, zoals in het alleszins charmante Black And White Movie.

Keuze Erwin Herkelman: Simon Webbe – Coming Around Again (2006)

Thema van mijn nieuwe leven

Hij was erbij gedurende de ervaring van mijn leven. Want toen ik voor drieëneenhalve maand naar Midden-Amerika vertrok, stond Simon Webbe in de Top 40 met No Worries. Een vrolijk, lekker in het gehoor liggen liedje, dat ik meenam op mijn telefoon, met een heuse mp3-speler.

En in de maanden erna was hij erbij als ik in de chickenbus naar weer een volgende backpack-bestemming zat. Het werd ook een mantra voor de momenten dat het even moeilijk was: maak je geen zorgen. Het komt altijd goed! Iets dat keer op keer ook weer bewaarheid bleek.

Simon Webbe begon zijn muzikale carrière bij de boyband Blue. In Engeland megasuccesvol met vele hits en diverse awards, maar in Nederland, ondanks zeven Top 40-hits, nagenoeg vergeten. Alleen hun nummer één-hit met Elton John zullen sommigen zich wellicht nog herinneren. De cover van Sorry Seems To Be The Hardest Word hield het vijf weken vol op de hoogste positie.

Het uitbrengen van een Best Of-album in 2005 betekende het voorlopige einde van de band, die pas zes jaar later weer bij elkaar zou komen om Engeland te vertegenwoordigen op het Eurovisie Songfestival. Elk lid ging zijn eigen weg. Simon Webbe was echter de enige van de heren die meerdere top 10-hits in zijn thuisland op zijn naam schreef en ook in ons land het meest succesvol was.

Want toen ik weer terugkwam in Nederland stond hij opnieuw in de Top 40. Ditmaal met Coming Around Again. En ook dát nummer vatte perfect het gevoel samen dat ik op dat moment had. Mijn nieuwe leven was begonnen!

Keuze Marco Groen: Black Francis – Angels Come To Comfort You (2008)

Een ode aan Herman Brood

Als voetballer heb ik meerdere malen tegen een club uit Volendam gespeeld, maar om een of andere reden is het nog nooit gelukt om ook maar een puntje uit het vissersdorp weg te slepen. Dat, aangevuld met wat andere opvallende eigenschappen van de Volendammers, bracht mij tot de volgende conclusie: Volendammers kunnen allemaal geweldig voetballen, het zingen zit ze in het bloed en, mocht een voetbalcarrière niet in het verschiet liggen, dan kunnen ze nog altijd hun stucadoorkunsten vertonen, want ook daar zijn ze erg handig in. Op dezelfde verknipte wijze denkt Frank Black blijkbaar over ‘de Nederlanders’. Zoals hij zelf zegt: He was no saint, but he was Dutch, so het could paint. Een uitspraak die over niemand minder dan Herman Brood gaat. Maar de kale Pixie maakt er maar meteen een eigenschap van die elke Nederlander bezit. Ik kan jullie melden dat de kunde van het schilderen bij mij dan wel erg goed verborgen zit.

Via zijn Nederlandse zakenwaarnemer Willem Venema kwam Frank Black achter het bestaan van Herman Brood. Black viel met zijn neus in de boter, want Herman had zojuist een sprong in het diepe gewaagd, waarna zijn populariteit immens was, Dit ging hand in hand met de mythevorming rond zijn persoon. Het zorgde ervoor dat Black geïntrigeerd raakte, iets dat in andere richting allang gebeurd was: Herman was gek van Pixies. Volgens zijn manager Koos van Dijk draaide Brood het regelmatig in zijn auto. Het was dan ook waarschijnlijk een opmerkelijk moment toen er opeens een mailtje verscheen in de mailbox van van Dijk: Frank Black. De frontman van  Pixies had heel wat YouTube-filmpjes bekeken, waarna de aanvankelijke milde interesse was omgeslagen in een soort obsessie: hij  was volledig in de ban geraakt van ‘s lands meest aansprekende punk/rock-icoon. Black moest en zou alles over Herman ‘Broat’ weten. Over zijn drugsgebruik, zijn muziek, de fans…alles!  Met behulp van van Dijk kwam hij een heel eind. In slechts twee weken schreef hij het album Bluefinger. De naam van het album had hij van Wikipedia gehaald: de bewoners van Zwolle, de geboortestad van Herman, worden ook wel Blauwvingers genoemd.

Elk nummer op het album is een directe of indirecte verwijzing naar Herman Brood. De eerste single die er vanaf kwam was Threshold Apprehension; vernoemd naar een schilderij van de warrige kunstenaar. Het beste live-nummer kwam van de hand van de meester zelf; een cover van You Can’t Break A Heart And Have It. Qua muziekstijl vliegt Black alle kanten op, waarbij het materiaal zich soms laat vergelijken met zijn Catholics-periode en in een enkel geval zelfs met Doolittle. Toch is het een album geworden dat geheel op zichzelf staat. Het meest in het oog springende nummer is meteen het nummer dat het meest ondubbelzinnig over Herman zelf gaat: Angels Come To Comfort You. Een werkje dat Black onder meer bij het graf van Herman ten gehore heeft gebracht. Zoals Pitchfork het al eerder stelde; de tekst komt over als een soort felicitatie van de curieuze zelfmoord van Herman. John Lennon en Yoko Ono namen het Amsterdamse Hilton hotel in 1969 over, aldus Black in een interview met het AD.. Pixies logeerden er toen we in 1988 onze eerste grote rockshow in Nederland deden. Herman Brood eiste het Hilton op voor zijn eigen land door er in 2001 vanaf te springen. Voor mij voelt het alsof hij daarmee The Pixies, of in elk geval mijzelf heeft opgeëist.

Het klinkt een beetje als een uitspraak van Bono (ook een Brood-fan trouwens): This is a song Charles Manson stole from The Beatles. We’re stealing het back. Hierbij ging het om Helter Skelter. Herman pakte het veel groter aan. Bluefinger plus wat ander solo- en Pixies-materiaal werd slechts op drie plekken in Nederland live uitgevoerd: in de Amsterdamse Melkweg, Doornroosje te Nijmegen en, vanzelfsprekend, in de Hedon in Zwolle. Ondergetekende had het geluk om bij het eerstgenoemde concert aanwezig te zijn.

Laat je niet misleiden door de artiestennaam Black Francis. Dit is natuurlijk gewoon Frank Black. In de beginperiode van Pixies vond hij het interessant om zichzelf zo te noemen, wellicht had hij een soort retro-gevoel tijdens het maken van Bluefinger.

Keuze Marleen de Roo: Conor Oberst – Cape Canaveral (2008)

Raket zonder aandrijving

Het is 1992, de pas 12-jarige Conor Oberst mag het podium op bij een buurtgenoot: Ted Stevens (Mayday en Cursive) en speelt de sterren van de hemel. Bill Hoover van Dark Town House Band ziet dit en vraagt de Amerikaan om op te treden bij zijn shows. Een megatalent is ontdekt.

Een cassettebandje later (Water genaamd) met mooie songs, EP’s en diverse bands (The Faint, Commander Venus) ontstaat eind jaren ’90 de band Bright Eyes. De succesvolste band tot nu toe met Conor Oberst aan het roer. Het debuutalbum van Bright Eyes bestaat nog volledig uit zijn eigen nummers, geschreven sinds tussen 1995 en 1997 (en heet niet voor niets: A Collection Of Songs Written And Recorded 1995–1997), maar daarna volgt een jarenlange carrière als bandlid. Diverse side projecten omlijsten zijn carrière. Wie albums, EP’s en cassettebandjes van Conor spaart, heeft een flinke kast nodig met zeker 6 bands waarin hij speelde.

Maar dan komt 2008 en staat hij weer even als Conor Oberst op het podium. Eerst alleen, maar al snel met ondersteuning van The Mystic Valley Band. Even wordt Conor weer beoordeeld op alleen zijn eigen talent en met succes. Hij wordt zelfs verkozen tot Best Songwriter door Rolling Stone Magazine. Ook brengt hij dat jaar dat eerste cassettebandje Water uit, dat hij in 1993 al maakte.

2008 was ook het jaar van Cape Canaveral. Single van het solo-album Conor Oberst, zijn eerste soloalbum sinds zijn tienerjaren. Cape Carnaveral is het eerste nummer op het album en gaat over de bekende plaats in Florida met dezelfde naam, de plek waar Amerikaanse vlieg- en lanceerbasis Cape Canaveral Space Force Station huisvest. Denk je aan de lancering van raketten, dan denk je aan deze plaats (of misschien Kennedy Space Center, maar dat terzijde).

In Cape Canaveral is Oberst nostalgisch. Hij denkt terug aan een andere tijd, aan zijn familie. Aan de tijd dat veel raketten gelanceerd werden. Hij zag er (tot dan toe) nooit een in het echt opstijgen, maar zat regelmatig met zijn familie voor de televisie. Het nummer heeft verwijzingen naar vroeger, naar zijn jeugd. Met metaforen over de dood, loslaten en hoe je boven jezelf uitstijgt.

En daardoor misschien ook wel passend voor Oberst’s soloproject. Een nieuw geluid, los van welke band tot dan toe. Een raket zonder aandrijving. Het is dan ook even wennen, zeker voor Bright Eyes-fans, dat dit nummer minder emotionele ondertoon heeft dan in eerdere nummers. Het schrijft de meer folk en country liefhebbers aan. En de tekst is poëtisch met verwijzingen die niet iedereen kan plaatsen. Maar de rauwe, knauwende stem van Conor blijft hetzelfde. Zijn muzikaliteit ook. Conor durft te experimenteren, met band en zonder. Dit nummer bewijst dat hij niemand nodig heeft om iets fantastisch neer te zetten. Niemand, behalve luisteraars dan.

Keuze Halbe Kroes: Matt Berninger – One More Second (2020)

Will I Always Love You?

Stel je bent zanger van een van de meest ondergewaardeerde bands uit de Indie/Alternative scene. Hoe kun je dan na 21 jaar in een samenspel van meerdere bandleden opeens jezelf een podium geven en daarmee nog meer van je ziel laten zien.

Nou op deze manier dus. Matt Berninger heeft eind 2020, ten tijde van een overbekende pandemie, een prachtig solo album uitgebracht. Een album waarop ook nog eens zeer bekende muziek-collega’s aan mee hebben gewerkt. Zo speelt de voormalig bassist van David Bowie op deze plaat en is Booker T. Jones de producer van dit debuut. One More Second is de derde single van het album en ook het derde nummer op de plaat. Waar Berninger het met zijn muziekmaatjes in The National soms nog wat bombastisch aanpakt, is dit album een ietwat uitgekleden versie als je het vergelijkt met dat oeuvre.

Hij schreef dit nummer als een antwoord op die vele liefdesliedjes die er ooit geschreven zijn. In een interview noemt hij Dolly Parton’s wereldhit I Will Always Love You als voorbeeld. Waarin ze bezingt dat ze op het punt staat te vertrekken uit je hartstochtelijke relatie, maar toch altijd van je zal houden. Matt schetst het beeld vanaf de andere kant.

Give me one more second to dry my eyes
Give me one more day to realize
Smoke’s in our eyes or in the distance
Either way, we’re gonna miss it

Als je deze tekst leest en beluistert dan kan het niet anders dan dat je deze situatie snapt of je het nou mee hebt gemaakt of niet. Weet je het echt zeker dat je moet gaan? Denk nu toch nog even na. Laat het me nog een keer proberen. Het zijn zinnen die in vele relaties gebruikt worden. Een echte vakman weet hoe hij zo een situatie moet schetsen.

Dit in combinatie met het dromerige orgelspel van Booker T., de sexy stem van Berninger zelf en de spannende opbouw met de achtergrondzangers kan het niet anders dan dat je wordt gegrepen door dit fenomeen.

Keuze Jasmijn Godding: Darkside – I’m The Echo (2021)

Een ode aan progrock, psychelica en ambient muziek; een vrij letterlijke (side)trip

Voor mijn eerste bijdrage aan een muziekbattle, en dan ook nog eens eentje met het thema side-trips, wist ik eigenlijk meteen over welk project ik wilde schrijven: Darkside. Een opmerkelijke samenwerking tussen Nicolas Jaar en Dave Harrington. Of dit echt een klassieke side-trip te noemen is, vind ik lastig te zeggen, aangezien beide heren in allerlei projecten en genres betrokken zijn. Zo is Jaar actief als DJ, gericht op Techno en Dance. Hij heeft meerdere albums onder eigen naam uitgebracht (zoals een van mijn persoonlijke favorieten: Space Is Only Noise), die dan weer een combinatie van Pop, Ambient en Noise presenteren. Tevens heeft hij twee albums onder zijn alias Against All Logic uitgebracht, waarin een mix van House, Techno en andere elektronische genres te vinden is. Ook Harrington is betrokken in allerlei projecten. Als multi-instrumentalist heeft hij in verschillende psychedelische en Indie-rockbands (bas)gitaar gespeeld, meerdere albums gemaakt met gitaar en synthesizer als hoofdinstrumenten, en is hij daarnaast oprichter van de Dave Harrington Group, een collaboratief project gericht op Jazz en elektronica.

De vraag is, wat zou er dan gebeuren als deze twee multi-talenten een samenwerking aangaan? Nou, dat loopt (blijkbaar) uit op een combinatie van psychedelica, progrock, en elektronische muziek! Tja, meer hoef je mij dan eigenlijk al niet meer te vertellen…

De twee albums die Darkside tot nu toe heeft uitgebracht – Psychic en Spiral – bieden, in tegenstelling tot het stemblad voor de Nederlandse verkiezingen, een heleboel goede kandidaten om uit te kiezen. Mijn persoonlijke favoriet is denk ik I’m The Echo. Ik zal hieronder in het kort proberen uit te leggen waarom, maar eigenlijk is het beter om er gewoon zelf even naar te luisteren.

I’m The Echo begint met een consistente drum beat, maar onsamenhangende elektronische geluiden, die na een paar seconden toch omgezet worden in een patroon. Dit geluid wordt na 40 seconden bijgezet door een hoge, ijle kopstem van Jaar. Is dit nou per se het mooiste gebruik van zijn stemgeluid? Nou, nee. Maar daar gaat het ook helemaal niet om; het past perfect bij het idee van een echo. De tekst heb ik eerlijk gezegd moeten googelen, aangezien het merendeel van de zang meer als een instrument dan als lead-zang klinkt, en dat is precies zoals het hier moet zijn. Af en toe klinkt de muziek ietwat kil, maar de baslijntjes die erdoorheen lopen zorgen toch voor een mooie balans. Wat het nummer verder interessant maakt is dat de basis wordt bijgestaan door allerlei verschillende geluiden; soms etherisch en Pink Floyd-achtig, dan weer als een sirene, of bestaande uit korte gitaarrifjes, etc. Naar mijn mening drukt I’m The Echo daardoor mooi uit hoe psychedelica, progrock en Ambientmuziek elkaar heel erg goed kunnen aanvullen. Uiteindelijk valt het nummer richting het einde uit elkaar in losse geluiden en korte, onsamenhangende rifjes. Dit herinnert er dan weer aan dat Darkside uiteindelijk vooral een jam-project is van twee goede vrienden die graag samen muziek maken. En dat die muziek dan toevallig ook nog eens goed is, is natuurlijk mooi meegenomen.

Keuze Karst van Helmond: Fox Capture Plan – Blue Planet (2021)

Japanse jazz

 Nog voor corona, als ik het me goed kan herinneren, was ik getuige van één van de meest legendarische jazz fusion-optredens ooit. Het was de albumpresentatie van How U Gonna Stroke Yer Solo van Twan van Gerven. Twan van Gerven is een briljante gitarist met een bijzonder sterke band. Het concert was in principe een grote improvisatie clusterfuck en dan bedoel ik clusterfuck in de beste zin van het woord. Mijn zintuigen werden dermate geprikkeld door het enorme scala aan virtuoze solo’s dat ik na afloop twee dagen lang geen muziek meer durfde te luisteren. Ik was namelijk bang om nogmaals in dat jazzy oerwoud te verdwalen. Er was echter één moment van rust in dat prachtige oerwoud. Het was alsof een heldere druppel ijswater zich door de klamme jungle een weg waande. De toetsenist, Roel Hazendonk, liet zich tijdens zijn solo compleet meeslepen door de klankleur van zijn akkoorden en belandde, al improviserend, in een kraakheldere klassieke compositie die het meest aan Chopin deed denken. Ik had tranen in mijn ogen.

Vanaf dat moment was ik gehypnotiseerd door de combinatie van jazz en klassiek. Ik begon me te verdiepen in muzikanten als Art Tatum of John Salmon en luisterde naar de klassieke invloeden van de Cool jazz artiesten uit de jaren vijftig. Tegelijkertijd luisterde ik al een tijdje naar Japanse jazz. Veel Japanse jazz heeft namelijk een milky of uitgewassen sausje, welke als auditief medium het beste te vergelijken is met de huisstijl van filmstudio Studio Ghibli. Hiermee bedoel ik het vale, maar fantasierijke kleurenpalet en de betoverende narratief die deze Japanse studio elke keer weer neerzet.

Mijn avontuur in de klassiek-jazzhybride en de J-jazz bracht me uiteindelijk op het pareltje dat Blue Planet is. Fox Capture Plan bracht dit nummer uit op het album Nebula en zette daarmee een persoonlijk meesterwerk op de kaart. Voor mij brengt dit nummer namelijk de perfecte combinatie van jazz en klassiek naar voren. Dankzij de opzet van het trio (piano, bas en drums) heb je al een bijzonder fundament. Dankzij de insteek (funk, jazz, rock en de pianist als enige solist) bouwen zij het fundament uit tot een kleurrijke wolkenkrabber. Bovendien, de enorme virtuositeit van de pianist brengt bovenop dit gebouw een enorme variatie aan klankvelden welke de luisteraar meenemen in een verscheidenheid van muzikale werelden. Waaronder dus een licht klassiek thema. Het is magisch. Luister maar:

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.