Social
  • RSS feed
  • Twitter
  • Facebook
 

Ondergewaardeerde Liedjes


Guilty Pleasures 4.0

Wie bepaalt wat een guilty pleasure is? Waarom is het gek om een oorwurm te hebben met een lekker deuntje, een goede beat, een toegankelijke tekst en daar vol op los te gaan? Moet je je schamen voor iets waar je een goed gevoel bij krijgt? Of kunnen we gewoon vaststellen dat er naast vliegschaamte, drugsschaamte, Netlfixschaamte, klimaatschaamte er ook sprake van muziekschaamte is? En waarom? Omdat we alleen maar hoge kunst mooi zouden moeten mogen vinden? Omdat we over ondergewaardeerde liedjes schrijven? Omdat we onszelf beschouwen als de avant-garde van goede smaak? Omdat we snobs zijn? Hoort muziek niet een kunstvorm zijn voor allerlei momenten, gezindten en emoties?

We kunnen het zo gek niet bedenken qua thema’s op Ondergewaardeerde Liedjes, maar zodra het over guilty pleasures gaat staat iedereen te trappelen om mee te doen. Natuurlijk is het fijn om je snobistische muzieksmaak op te dringen aan de mensheid, maar de guilty pleasure-battles gelden als een welkom ventieltje waarin we kunnen toegeven dat ook wij soms meeblèren met Britney Spears of de Carpenters. Met name die laatste is regelmatig voorgekomen in de voorgaande guilty pleasure battles (zie ook versie 1, versie 2 en versie 3).

Deze battle is dus voor iedereen die wel eens gedacht heeft, ben ik gek dat ik dit een lekker nummer vind? Voor alle snobs die zich onbegrepen voelden bij vrienden als ze onwetend iets fouts neurieden. Voor alle hipsters die keuzestress ervaren als ze niet op tijd de speciale SXSW EP release van dat ene low-fi indiepop bandje uit Portland binnen een week op geel vinyl binnen hebben, omdat ze een 90’s eurodance playlist op Spotify hadden aangeklikt.

Mocht je dit lezen en denken: hoe kom ik van mijn schaamte af, klik dan hier of hier. De eerste stap is omarmen wat je lekker vindt en kracht putten uit de ervaringen van onze bloggers die allemaal een ode aan hun beste slechte nummers brengen.

Keuze Tricky Dicky: Player – Baby Come Back (1977)

Rits

In de jaren negentig was het vaste prik voor mevrouw Dicky. Om half zes nestelde ze zich voor de buis voor haar dagelijkse dosis zeep, te meer omdat ik vanwege werkzaamheden pas laat thuis kwam en we op z’n vroegst om zeven uur de avondmaaltijd nuttigden. Ik heb nooit begrepen wat er nou zo leuk was aan die langlopende soapseries. Relaties veranderen bijna per week, iedereen doet het met iedereen, ze hebben allemaal kinderen met elkaar, er is altijd kinnesinne en achterklap. In het geval van The Bold & The Beautiful al meer dan 7.500 afleveringen.

En de weinige keren dat ik thuis was moest ik het niet wagen een vraag te stellen wie nou wie was. Later hoorde ik aan de eettafel dan dat er weer eens een ander gezicht voor dezelfde rol was. Voor die Thorne zijn er inmiddels vier verschillende ‘acteurs’ de revue gepasseerd. Logisch toch dat mijn schuine blik op de televisie er geen jota meer van snapte. Of neem Ridge (of zoals ik hem noem Rits), want als ik de verhalen van mijn vrouw mag geloven wisselt hij nog wel eens van partner. Eerst Brooke, dan Taylor (die zonder kont, maar met die opgeblazen lippen), dan Brooke, dan Taylor en dan weer terug Brooke. Nee, ik kende de namen niet, maar heb het voor deze blog even opgezocht. Rond de eeuwwisseling verflauwde haar interesse in deze serie. Mij verbaast dat niet, want het was een continue herhaling van zetten en omstandigheden.

Maar dit is een muziekblog en hier speelt niet Rits de hoofdrol maar de vertolkende acteur Ronn Moss. Medio jaren zeventig zat hij in een bandje genaamd Player, die een behoorlijke naam als live-act hadden opgebouwd en het voorprogramma verzorgden van onder andere Gino Vannelli en Boz Scaggs. Hun debuutsingle Baby Come Back bereikte de nummer 1-positie en werd een van de weinige ‘blanke’ singles die ook in soulshows werd gedraaid. Het leverde hen een uitnodiging op van niemand minder dan Eric Clapton voor zijn Slowhand-tournee.

De opvolger This Time I’m In It For Love haalde de Top 10, maar daarna werd het steeds minder (interessant) evenals de drie platen volgend op het debuutalbum. In 1987 krijgt Moss de rol van Ridge in The Bold & The Beautiful en dat is het einde van Player. Alhoewel, in 1995 komen ze weer bij elkaar en maken een nieuw album dat alleen in Japan wordt uitgebracht en in 2013 volgt er nog eentje (wereldwijd).

Baby Come Back blijft een heerlijk nummertje en vooral met het album-intro erbij. En Ronn Moss kon toen nog niet vermoeden dat Baby Come Back een standaardzin zou worden voor zijn televisiepersonage.

Keuze Joop Broekman: Dolly Parton – You Are (1977)

Zó klef. En zó gemeend

Iedere muziekliefhebber heeft ze. Guilty pleasures. Eigenlijk ‘verboden’ nummers. Artiesten die niet in de kast of playlist komen, behalve die ene track……. waarvan je diep van binnen een beetje vrolijk wordt. Omdat je de zon voelt doorkomen. Of omdat nou net bij die ene track de woorden je goed raken. Of omdat de klefheid net teveel is voor je, op een zalig lekkere manier. Je wil even alleen gelaten worden, niets en niemand om je heen. Geeft niets, hoor. Daar ben je mens voor.

In mijn cd-kast komt Dolly Parton niet voor. Heb niets met haar, en dat blijft zo. In de jaren ’80 had ik het volgens mij ook niet op een tapeje. Toen een decennium later de film The Bodyguard uitkwam, sloeg ik in gedachten wel heel veel mensen van achteren neer. Die dachten dat Whitney Houston zo’n mooi nummer had geschreven. Maar die plastic versie van I Will Always Love You haalde het bij lange na niet bij het origineel van Dolly. Dat zat ook in een film (The best little whorehouse in Texas), en klonk vele malen oprechter. Voor altijd. Net als You Are. Normaal kots ik van zoveel clichés bij elkaar. Maar nu nog steeds niet. En soms moet je dingen onverklaarbaar laten. Dit is zo’n moment. You Are is eigenlijk alleen hier een hit geweest, stond eind 1983 een week of 3 op de eerste plek.

You are my inspiration, you are the song I sing
You are what makes me happy, you are my everything
You are my daily sunshine, you are my ev’ning star
Ev’rything I’ll ever need or want, that’s what you are
Ev’rything I’ll ever need or want is what you are

I love you, just as you are, zingt ze aan het eind. Ze meent het. En na al die jaren geloof ik het nog steeds.

Keuze Marco Groen: Boney M – Rivers Of Babylon (1978)

Onvrijwillige verhuizing

Met de kennis van nu was het een geniale zet van platenmaker Frank Farian: neem drie goed uitziende  jongedames, zorg ervoor dat minstens een van hen goed kan zingen, zet er een bronstige beer bij en giet er een sausje disco overheen. Een behoorlijk uniek concept voor die tijd, dat zijn vruchten heeft afgeworpen. Tot op de dag van vandaag heb je kans dat, wanneer je op een bus stapt in Vietnam of een homestay bezoekt in Rusland – je getrakteerd wordt op de klanken van Boney M.

Hoewel in naam een Duitse band, zijn de leden stuk voor stuk afkomstig uit het Caribisch gebied. Leadzangeres Liz Mitchel en zangeres Marcia Barrett zijn echte Jamaicanen, model/zangeres Maizie Williams kon vanaf Montserrat zwaaien naar Aruba, waar Bobby Farrell geboren is. Die laatste werd ooit tijdelijk vervangen door Reggie Tsiboe, die het land dat wij tegenwoordig Ghana noemen zijn vaderland noemt. Oké; dat is met de beste wil ter wereld geen Caraïben te noemen. Toch was het de Duitser Farian die verantwoordelijk was voor  vrijwel het hele creatieve en zakelijke proces. Daarbovenop nam hij meestal ook nog eens de meeste zangpartijen voor zijn rekening, dit ter frustratie van Farrell, die zuiver en alleen vanwege zijn charisma plus vreemde manier van dansen bij de band zat. Na successen zoals Sunny, Daddy Cool en Ma Baker, besloot Farian dat het tijd werd de discotheken op te schrikken met bijbelteksten. Hiervoor speelde hij leentjebuur bij de Jamaicaanse band The Melodians, die dit leuke werkje niet wisten om te zetten in klinkende munt. Farian deed dat iets beter: zijn versie werd een van de meest verkochte singles van die tijd.

Op het oog klinkt het als een vrij onschuldig en prettig nummer, iets dat mede komt door het vrolijke gezang en olijke danspasjes van Boney M. Maar eenieder die langer dan 30 seconden de tekst leest, weet dat hier op bijna vreugdevolle wijze gewag wordt gedaan van een menselijk drama van een tijdje geleden. Het refrein komt namelijk letterlijk uit het beschreven werk van God en zijn vrienden: de Bijbel. Het gaat hierbij om Psalm 137 uit Psalmen. Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion, iets later gevolgd door ls zij, die ons aldaar gevangen hielden, de woorden eens lied van ons begeerden, en zij, die ons overhoop geworpen hadden, vreugd, zeggende: Zingt ons een van de liederen Sions. Wij zeiden: Hoe zouden wij een lied des Heeren zingen in een vreemd land? Het andere bijbeldeel, psalm 19:14, is voor ons vastelandheidenen wat lastiger te vinden, daar deze iets totaal anders laat lezen in de King James Bible dan de versie die we hier meestal hanteren. Die zegt namelijk: Let the words of my mouth and the meditation of my heart. Be acceptable in Your sight, O Lord, mystrength and my Redeemer.

Het verhaal moge duidelijk zijn: er wordt hier verwezen naar de Babylonische Ballingschap. De nogal narcistische koning Nebukadnezar II (waar ene Saddam Hoessein zich nog wel eens mee vergeleek) vond het nodig om in Jeruzalem de tempel van de Joden te vernielen, waarna de arme schapen (de Joden dus) naar de Rivers of Babylon en andere plekken waar ze niet wilden zijn, werden gedeporteerd. Pas toen de Perzen de Babyloniërs in elkaar hadden geslagen, mochten de Joden weer terug naar Juda. De titel van het nummer verwijst waarschijnlijk naar de Tigris en de Eufraat. Geschiedkundig klinkt dat als een wat overtrokken verhaal, daar het nogal wat logistieke problemen oplevert om een heel volk naar een ver land te verkassen, zelfs wanneer je Nebukadnezar heet. Een meer logische uitleg zou zijn dat men de sterkere exemplaren (als slaaf) mee zou hebben genomen naar het land dat nu Irak heet. Een andere mogelijkheid is de Babylonische despoot de Joodse bovenliggende klasse, de priesters/stamhoofden/koningen lekker dichtbij zich wilde hebben. Maar dat is voer voor historici.

Net zoals de Joden in het liedje, verliepen zaken voor de leden van Boney M ook niet bepaald gunstig. Farian had zoals gezegd alles naar zich toegetrokken en de rest van de band werd met een kluitje in het riet gestuurd. Liz Mitchel, maar ook Tsiboe waren de enige bandleden die niet alleen als decoratie op het podium stonden. Eerstgenoemde kreeg op een later tijdstip dan ook het ‘recht’ om onder de naam Boney M op te treden. Farrell probeerde nog iets van een solocarrière op te zetten, maar dat zette helaas geen zoden aan de dijk. In 2010 overleed hij tijdens een tour aan een hartfalen in St. Petersburg. Ondanks het succes van de band leefde Farrell lange tijd een armoedig bestaan in een flatje in de Bijlmer. Wel werd hem nog af en toe gevraagd om een liedje te zingen in een vreemd land.

Keuze Alex van der Meer: Kermit The Frog – Rainbow Connection (1979)

Waarschijnlijk is het iets magisch

Toen ik nog een klein Alexandertje was woonden we in het dorp Warns, in het zuidwesten van Friesland. De grote stad was ver weg. De grote stad voor mij was Sneek. Daar lag de hondenpoep op de stoep, daar reden bussen en was er een heus treinstation, en winkels. Daar had je het Amicitia theater dat ook dienst deed als bioscoop. En daar zag ik mijn eerste film in een echte grote filmzaal. Die film was The Muppet Movie.

Wat een beleving. Helemaal naar de stad naar zo’n grote zaal, waar je dan in het donker naar een groot scherm gaat kijken. Ik weet het nog goed. Na het openingslied kreeg je een scène waarin Kermit de Kikker op een fiets reed. Dat beeld was het meest waanzinnige wat ik ooit had gezien in mijn jonge leven. En dan dat hij bijna werd overreden door een joekel van een pletwals. Gelukkig konden kikkers springen, anders was het een korte film geweest.

Het genoemde openingslied is wellicht wel bekend. Rainbow Connection heet het. Tegenwoordig steek ik het niet onder stoelen of banken: ik heb wel een connectie met dit nummer. Niet alleen vanwege de film. Niet alleen vanwege de jeugdherinnering. Ook omdat het gewoon een briljant nummer is. En Kermit is een held, natuurlijk. Er zijn trouwens meer mensen die dit echt een immens mooi lied vinden. Niet alleen de minnaars, en de dromers, en ik.

Keuze Danny den Boef: Maywood – Give Me Back My Love (1980)

Geen doetje

De gezusters Alie en Doetje de Vries leven inmiddels al zo’n 20 jaar in onmin. Zelfs een poging van Mr. Showbizz zelf, Gerard Joling, om ze in 2013 weer bij elkaar te krijgen strandde kort na wat leek op een geslaagde reünie. Helaas. De zussen May en Wood, artiestennamen u raadt het al, gaan sindsdien ieder hun eigen gang.

Toch is dat ergens jammer. In de jaren ’80 scoorde het duo Maywood toch enkele memorabele hits. Alles werd door Aaltje (May) geschreven en haar zus Doetje (Wood) deed zonder morren mee. Niet zonder succes. Goed, het moet je liggen natuurlijk, maar onverdienstelijk was het zeker niet. Nummers als Rio en Late At Night durf ik inmiddels best voorzichtig classics te noemen. Er was ook nog Mother, How Are You Today maar daar krijg ik altijd lichtelijk het zuur van, dus vergeet die voor nu maar even.

De beste vind ik zonder twijfel echter hun top 5 hit Give Me Back My Love uit 1980. Het is een heerlijke ouderwetse tranentrekker over het favoriete muzikale onderwerp, de liefde. Niet heel diepgaand maar gewoon lekker. Lekker dramatisch. Lekker simpel. Lekker sfeervol. Lekker 80’s. Lekker Nederlands. Gewoon lekker dus.

Ik heb ooit de theorie ‘Big-Mac muziek‘ al eens geïntroduceerd in een eerder schrijfsel, maar die vlieger gaat ook zeker hier op. Een beetje fout. Ongemakkelijk. Vettig. Snel. Schaamteloos misschien. Maar o-zo-lekker op z’n tijd. We doen het allemaal en als het hooguit een paar keer per jaar gebeurd, ga je er heus niet dood van. Maak je er gewoon niet zo druk over. Denk er niet teveel bij na. Al die E-nummers en dat semi-kunstmatige lapje vlees samen op een broodje met een beetje sla en saus smaken gewoon prima zo nu en dan. Big-Mac muziek.

Dit dekt voor mij de lading van in dit geval Maywood met hun Give Me Back My Love prima. Gewoon niet bij nadenken en lekker van genieten zo nu en dan. Daar is helemaal niks mis mee. Omdat de term Guilty Pleasure toch nog altijd een beetje de suggestie van muzikale herpes opwekt, is Big-Mac Muziek een veel betere. Het klinkt wat vriendelijker.

Ik wil bij deze een klein boompje opzetten voor Maywood toen May en Wood nog gezusterlijk één woord vormden zonder elkaar de ogen uit het hoofd te krabben. Goed waren ze zeker. Soms is het jammer dat dingen lopen zoals ze doen.

Dus, vouw het kartonnen hamburgerdoosje zonder er veel bij na te denken open en pak met beiden handen dit heerlijke vettige nummer van Maywood op om het zonder schuldgevoel smakelijk en ongegeneerd in een paar minuten naar binnen te werken. Enjoy.

Keuze Alex van der Heiden: Spandau Ballet – Gold (1983)

Gold is in een fijne hersenkwab blijven hangen

Als ik aan de jaren ’80 denk is het één grote guilty pleasure met bands als Wham!, Culture Club en natuurlijk Spandau Ballet. Allemaal muziek die ik vóór mijn veertiende nog luisterde, maar daarna verfoeide omdat er alleen nog maar elpees met zware metalen of oude hardrock op mijn pick-up mochten. Mijn oudere zus ging vrolijk verder met de uitbreiding van haar pop 80’s collectie en A-ha, Johnny Hates Jazz en Madonna vulden haar platenkast.

Latent ben ik het altijd wel leuk blijven vinden die ‘poppy’ muziek en ook de zogenoemde ‘new romantics’ waar Spandau Ballet bij hoorde. Spandau Ballet was tevens mijn allereerste cassettebandje, opgenomen van een elpee van mijn zus. Afgelopen jaar heb ik al deze oude elpees van haar gekregen, omdat zij ze toch niet meer draait. Nu staan ze zij aan zij tussen Scorpions, Slayer, Testament en Metallica.

Het nummer van Spandau Ballet met een hoog Guilty Pleasure gehalte is Gold. Het begint lekker slepend en in de refreinen huilt Tony Hadley zijn Gold uit. En uiteraard nog even een saxofoonsolo  halverwege. Op mijn zestiende walgde ik ervan, maar stiekem is Gold altijd in een hele fijne hersenkwab blijven hangen.

Met special thanks aan mijn zus voor de mooie elpees.

Keuze Erwin Herkelman: Bow Wow Wow – The Man Mountain (1983)

Best punk

Het nummer stónd al een tijdje op mijn lijstje. Te wachten tot de juiste battle voorbij kwam. En daar was hij dan: de ‘guilty pleasures’-battle. Perfect! Maar toen ik mij voor het blog ging verdiepen in de historie van de band vertelde het internet mij opeens dat Bow Wow Wow een punkband was uit Engeland. Vergelijkbaar met Adam & The Ants. Huh? Wat?

Punk? Ik luisterde hun allereerste werkje, C30 C60 C90 Go! En inderdaad: dat had weinig te maken met het materiaal waar ík de band van kende. Vreemd! Ik las verder. Ze bleken met die single verantwoordelijk voor het uitbrengen van de eerste cassettesingle ooit. Alleen, de platenmaatschappij weigerde het plaatje te promoten omdat zowel de A- als de B-kant het opnemen van muziek op een cassettebandje propageerde. Iets dat destijds een hot issue was. En om dat nog eens te onderstrepen had Bow Wow Wow de eigenlijke B-kant helemaal leeg gelaten. Kon je mooi muziek opnemen! Oók best punk dus.

En hun allereerste album was eveneens best ‘punk’. Qua controverse in ieder geval. Op de cover was de destijds 14-jarige zangeres naakt te zien. En dat zorgde voor de nodige opschudding. Als gevolg hiervan moest de zangeres de band bijna verlaten en haar moeder kreeg Scotland Yard op haar nek vanwege ‘exploitation of a minor’.

Maar… qua muziek lag het gelukkig al wel een stuk dichterbij de liedjes die ík van hen kende. Want als ik een nummer van hen hoorde, was dat doorgaans Do You Wanna Hold Me. En The Man Mountain die ik via Spotify ontdekte, paste eigenlijk perfect in het verlengde ervan. Meer new wave, poppy zelfs, vrolijk, misschien wel een beetje disco-achtig.

En dat had de muziek van dat eerste album toch ook wel. De gitaar had niet meer prominente rol die het bij hun debuutplaat had. De nadruk was inmiddels veel meer komen te liggen op de snelle, Afrikaanse ritmes. Ritmes, die ik ook wel terug hoorde in hun hitsingles. En zo kon ik uiteindelijk tóch nog rustig slapen. Bow Wow Wow was dus wél een new wave-band, maar dan met een punk-verleden.

Keuze Erwin Tijms: Humanoid – Stakker Humanoid (1988)

Genre-liefhebber

Hoewel ik een heel schuldbewust mens ben, kan ik weinig met het concept guilty pleasure. Het uitgangspunt ervan is dat er muziek is waar je je schuldig bij moet voelen als je het luistert. Omdat er kennelijk een norm is die zegt dat je deze muziek niet goed mag vinden. Een norm die ongetwijfeld afkomstig is van een zelfbenoemde smaakpaus (een kort woord voor een erudiet doch onsympathiek individu met egoproblematiek) of andere wannabe meningendictator. Die denktrant heb ik al enige decennia geleden achter me gelaten. Luister je graag naar Mariah Carey’s All I Want For Christmas, omdat het je doet denken aan die keer dat je met kerst je eerste plaat van 2 Unlimited kreeg? Prima, al denk ik dat je dan beter 2 Unlimited kan beluisteren. Voor mijn part luister je naar Evanescence of naar John Mayer. Ik zal er de barricades niet voor opgaan om je te overtuigen dat je beter iets anders kunt beluisteren, je gaat je gang maar. Al zou ik het natuurlijk leuk vinden als je enige waardering kon opbrengen voor heel andere, meer ondergewaardeerde muziek.

Compleet achterhaald ook, die guilty pleasures. De jaren ’10 zijn niet voor niets het decennium waarin de zogenaamd serieuze muziekpers en andere smaakpausen ineens popmuziek meer zijn gaan waarderen voor de kwaliteiten die het wel bezit, in plaats van een focus op wat popmuziek niet heeft wat andere muziek wel heeft. Carly Rae Jepsen en Robyn scoorden goed bij de lijst met beste albums van dit decennium. Dat hadden we in 1997 ook niet aan zien komen in het geval van Robyn.

Maar goed, het is dan weer wel een leuke categorie voor een battle. Muziek waarvan de heersende opinie is dat het niet goed is, terwijl je er zelf toch iets moois in hoort. Waar je mensen zo’n beetje mee op de kast krijgt als je het beluistert in hun aanwezigheid. Mijn guilty pleasure is niet één nummer; nee het is een heel genre. De house van eind jaren ’80. Acid house en de vroege techno, soms zwaar leunend op samples. Muziek die van veel mensen indertijd de titel muziek niet mocht dragen. Want het was in het geheel geen serieuze muziek met echte instrumenten en het was allemaal een tijdelijke hype. D-Shake, Hithouse, ik vond en vind het allemaal prachtig en beleef er nog steeds veel plezier aan, zij het niet stiekem of schuldig. Hoe gedateerd het ondertussen ook klinkt. Mijn favoriet is tegenwoordig Stakker Humanoid van Humanoid. Een nummer dat de beuk er lekker ingooit. Het was ook nog eens de eerste acid house plaat met een heuse videoclip, niet geschikt voor epileptici. Een van de mensen achter het nummer, Brian Dougans, was later een van de leden van The Future Sound of London. Daar wint dit nummer meteen aan gewichtigheid mee, maar laat dat u niet weerhouden stiekem ook te genieten van het gehele genre.

Keuze Remco Smith: East 17 – It’s Alright (1992)

Euforie

Het was 1994. Met drie vrienden zat ik in zomaar een snackbar in Nijmegen, na een avond stappen. We wachtten op ons ontbijt: patat (ben oorspronkelijk van boven de rivieren), kroketten, berenklauw, mexicano. Het zijn vrienden uit het dorp waar ik getogen ben, ik kende die mannen op dat moment al tenminste twaalf jaar.

Postpubers waren we. Jaar op 18 -20. Liefhebbers van serieuze muziek. Grunge, Hendrix, Tool, Nick Cave Morphine. Ook punkfunk als Fishbone, Faith No More en Peppers ging er in als zoete koek. Pearl Jam shirtje met een houthakkershemd er over. Sprietjes op de kin, haar net wat te lang. Dat werk. Stappen deden we vooral bij alternatieve cafés met een dansvloertje en dan soort van pogo-en maar niet echt – een beetje tegen elkaar aanhangend. We konden ons hart wel ophalen aan de alto-muziek die in 1994 uit was gekomen.

In de verdere uitgestorven snackbar kletsten we nog wat na over de avond ervoor. Snacks en patat pruttelden nog wat. Radiootje aan. Hènnig an. Opeens op de radio een piano-intro. Jaaaaaa gilde één van ons. Blij keken we elkaar aan.

We are the seed of the new breed
We’ll succeed, our time has come
We are the new
These words are true
Let the light of love shine through

Gevolgd door het euforische

Alright, alright
Everything’s gonna be alright

We begonnen midden in de snackbar aan een steeds wildere dans die uitmondde in een soort van mini-pogo. Zelfs de forse snackbarhouder – niet bijster soepel in de heupen – waagde zich aan een soort van dansje. De snacks liet hij nog even pruttelen tot wij uitgeraasd waren. We pikten de patat van de balie op en gingen zitten. Topliedje, zei één van ons. Daar had niemand wat tegen in te brengen.

Keuze Alexander Honderd: DJ BoBo – There Is A Party (1995)

De definitie van zomerse Eurodance

Hoewel dé zomerhit van 1995 in Nederland ongetwijfeld Technohead’s I Wanna Be A Hippy was, was dat voor mij persoonlijk DJ BoBo met There Is A Party. In Nederland kwam deze single in 3 weken top 40 niet verder dan positie 20 en ook in de rest van Europa was het niet een enorme hit. Maar door een soort muzikaal Stockholm Syndroom, heeft DJ BoBo zich redelijk bovenaan mijn lijstje guilty pleasures weten te nestelen. Ik was die zomer namelijk 3 weken met mijn zus en zwager op kampeervakantie in het Loire-dal en de enige muziekzender die daar een beetje goed te ontvangen was, was Radio Saumur. En misschien lag het aan onze timing, maar het leek wel of ze daar maar budget voor drie nieuwe singles voor de hele zomer hadden: Bryan Adams met Have You Ever Really Loved A Woman?, La Bouche met Be My Lover en DJ BoBo’s There Is A Party. En die laatste is altijd blijven hangen.

DJ BoBo is een Zwitserse producer die al een jaar of 30 meedraait. In Nederland heeft hij nooit echt potten kunnen breken, maar in het Duitstalige deel van Europa is hij behoorlijk succesvol geweest. Hij vertegenwoordigde Zwitserland op het Eurovisie Songfestival in 2007, maar strandde in de halve finale. Verder maakte hij het thema voor het EK voetbal 2008: Olé Olé.

There Is A Party is zo ongeveer de definitie van een cliché Eurodance hitje. Een zangeres zingt het niet al te moeilijke refrein en zorgt voor de vocale omlijsting van de coupletten die BoBo zelf rapt. De bijbehorende videoclip is al net zo cliché: een soort Bounty-commercial met een groep veel te fitte en knappe mensen, die dansen en  plezier maken op een boot en een palmstrand. Muzikaal verder niet heel spannend, gewoon een lekker zomers ritme en een vrolijk stemmende melodie. Met recht een guilty pleasure. Wat het liedje voor mij ondergewaardeerd maakt, is het effect wat het liedje heeft op mensen. Zet het eens op en mensen gaan met heupen wiegen en meezingen, want zo zit het liedje nu eenmaal in elkaar. Het weet mensen op te vrolijken en mee te nemen naar zomerse taferelen, voor de een een palmstrand, voor mij een camping in de buurt van Saumur.

Keuze Peter van Cappelle: Aqua – Turn Back Time (1997)

Bijna een Roxette ballad

Denk je aan Aqua, dan denk je waarschijnlijk automatisch aan Barbie Girl. Een oorwurm die mij terug brengt naar de herfstvakantie van 1997 toen het nummer continu op de radio was. Muziek brengt je vaak terug naar een bepaalde herinnering, en vreemd genoeg heb ik dat vooral met guilty pleasures. Naast Barbie Girl was in dat jaar ook een andere guilty pleasure van mij een grote hit: Fell In Love With An Alien van The Kelly Family. Daar heb ik al eens eerder over geschreven in een vorige guilty pleasure battle.

Aqua kwam na Barbie Girl met een totaal ander nummer dat maar een bescheiden hitje is geweest: Turn Back Time. Geschreven voor de soundtrack van de film Sliding Doors met Gwyneth Paltrow in de hoofdrol. Een melancholieke ballad die zo van Roxette (een andere act uit Scandinavië die vooral in de jaren ’90 hun successen hadden) kunnen zijn. Ze hadden er ook nog eens een tekstsample in verwerkt uit de hit Heart van de Pet Shop Boys. De Pet Shop Boys zijn na decennia allang het predicaat ‘guilty pleasure’ ontgroeid, dus zo ook deze ondergewaardeerde parel van Aqua.

Keuze Guido de Greef: Backstreet Boys – I Want It That Way (1999)

Gebazel

Natuurlijk waren alle meisjes in 5VWO fan van de Backstreet Boys. Daarmee deugden ze per definitie niet (de Backstreet Boys dan, die meisjes gingen wel). Tot overmaat van ramp kwam I Want It That Way ook nog op nr. 1 binnen in de Top 40 en dus was de videoclip, zeer terecht door Blink-182 geparodieerd in All The Small Things, aan de lopende band te zien op MTV en TMF. Nee, ik mócht I Want I That Way niet goed vinden. Stiekem neuriede ik het mee.

I Want It That Way is het meesterwerk van Max Martin. De Zweedse popgrootmeester is verantwoordelijk voor tientallen nr. 1 hits, waaronder een paar persoonlijke favorieten: Love Me Like You Do van Ellie Goulding, Till The World Ends van Britney Spears, of Style van Taylor Swift. Hij schreef godbetert de enige acceptabele hit van Celine Dion: That’s The Way It Is. Martin is een ras-perfectionist die dagenlang in z’n studio kan pielen om beats, melodie, woorden – álles op de juiste plek te krijgen.

Martin Kan Wat. Waar hij met Quit Playing With Games (With My Heart) en As Long as You Love Me al aantoonde goede, aalgladde boyband-ballads te kunnen schrijven, leverde hij met I Want It That Way z’n magnum opus af. Die eerste noten op de akoestische gitaar, geïnspireerd door Nothing Else Matters van Metallica (Martin begon z’n muzikale carrière in een metalband), die smachtende ‘tell me why’ in het refrein, de genadeloos doorstuiterende arrenbiebeat, het glorieuze moment als het refrein I Want It That Way openbreekt (het is pure powerpop) en tot slot de uithaal in de tweede bridge: Don’t wanna hear you say. I Want It That Way is perfecte pop.

Nouja, álles. De tekst is volstrekt onbegrijpelijk. Er zijn wetenschappelijke studies gemaakt over waar I Want It That Way over gaat. Op het ene moment hebben ze ruzie (we are two worlds apart’, dan weer zingt hij haar liefdevol toe (you are my fire, my one desire), maar dan is er dat terugkerende refrein I want it that way, wat weinig verzoenend klinkt. Ik begreep in 1999 niks van die tekst en dat is twintig jaar later niet veranderd. De meestgehoorde verklaring is dat Martin’s kennis van het Engels indertijd belabberd was en waar de band alternatieven probeerde, bekte I Want It That Way toch het beste.

Wat maakt het uit. Niemand die zich druk maakt over de onzintekst van Life van Des’Ree (het haalde moeiteloos de eerste plaats van de Top 40), het onsamenhangende gebazel in Good Grief van Bastille, of Vanessa Williams die de wetten van Keppler tartte toen ze kwezelde sometimes the sun goes ’round the moon. Het is pop. Het vloeit moeiteloos het oor in en dat is het enige dat telt.

Een tijdje terug hielp ik bij een pubquiz. In de audioronde kwam I Want It That Way voorbij. Heel de kroeg zong mee. Ja, ik ook.

Keuze Freek Janssen: Avril Lavigne – Sk8er Boi (2002)

Avril Lavigne deed bijna alles fout

Avril Lavigne deed zo’n beetje alles fout. Ze was, begin zeroes, een soort Disney-versie van een rockchick die doorbrak met zeurderige ballads als Complicated en I’m With You. Alle pubermeisjes die van gitaarmuziek hielden liepen met haar weg; je zou haar een Billie Eilish avant-la-lettre kunnen noemen, maar dan  veel minder origineel en creatief. Tot overmaat van ramp kreeg ze een relatie met Chad Kroeger, de zanger van Nickelback.

Als je zoveel bewijsmateriaal tegen je hebt, dan kan het zomaar eens gebeuren dat je een briljantje uitbrengt dat niet op waarde wordt geschat. Over Sk8er Boi kan ik kort zijn: het is eigenlijk een perfect punkrockliedje. De verhaallijn van de songtekst is sterk, het geheel dendert lekker voort, er zit voldoende ontwikkeling in en de song is vooral super lekker geproduceerd.

Luister maar, without prejudice zoals George Michael zou zeggen.

Keuze Vincent van der Vlies: Scooter – Maria (I Like It Loud) (2003)

Oude gabbertjes

In de jaren ’90 was het leven overzichtelijk: je had de keuze uit enkele tv zenders, op vakantie ging je naar Frankrijk en je was skater of gabber. En hoewel je als skater ook naar metal of hip hop kon luisteren, was muzikaal zwart-wit denken toen vrij normaal en waren crossovers of integratie tussen die subculturen ondenkbaar. Gabber, rave, techno, happy hardcore, waren dan ook allemaal zaken die voor mij not done waren. Maar zoals wel meer dingen met de jaren slijten, gold dat ook voor aversie tegen bijvoorbeeld happy hardcore.

Begin van dit millennium kon het dan ook gebeuren dat ik samen met een goede vriend als min of meer uit de hand gelopen grap een DJ duo vormde en met enige regelmaat op studentenfeestjes in Utrecht draaide. Vaste afsluiter voor ons was om (in ieder geval na 2 uur ‘s nachts) een blokje happy hardcore te draaien. Met de gedachte: lekker fout. Maar elke keer weer merkten we dat het leeuwendeel van de aanwezigen er wel écht goed opgingen in krakers van Charly Lownoise & Mental Theo, Dune, DJ Paul Elstak, Flamman & Abraxas en natuurlijk Scooter. Vooral Maria (I lLke It Loud) was een favoriet van ons én van het publiek. We hebben weinig echte hoogtepunten als DJ duo, maar één was toch wel dat we na het draaien over de Oudegracht liepen en daar nog mensen rondhingen die het deuntje (tu tè tu tu tè tu tu tu, tu tu tè tu tu tè tu tu tu) stonden mee te zingen.

Scooter is natuurlijk geen act die ooit op een Nobelprijs voor de literatuur hoeft te hopen, maar desondanks zijn uitspraken als How much is the fish (het antwoord zal je verbazen), It’s nice to be important, but it’s more important to be nice (je verwacht het natuurlijk niet, maar ook dat is niet zelf bedacht) en het onvolprezen Respect to the man in the icecream van (overigens een shoutout naar the KLF) wel onderdeel van muziekgeschiedenis geworden. En het is natuurlijk geen geheim dat het oeuvre van de band voornamelijk bestaat uit het gebruiken van samples, van nummers als Rebel Yell, The Logical Song tot aan Weekend. Zelfs Maria is geen origineel nummer, maar een bewerking van Marc Acardipane en Dick Rules.

Maar desondanks heeft de band rond frontman H.P. Baxxter (die overigens door de jaren heen nauwelijks ouder lijkt te worden) tientallen miljoenen albums verkocht en hebben ze meer dan 80 gouden- en platinaplaten ontvangen. En zo stonden ze eind vorig jaar na een afwezigheid van vele jaren in Nederland met twee uitverkochte avonden in de AFAS live. En daar was ook ik bij, samen met oude gabbers, oude skaters en hipsterige muziek snobs. Dus hoezo fout, of guilty pleasure? Als je na al die jaren nog zo’n breed publiek kan aanspreken ben je gewoon een heel grote.

Keuze Carlo Deuten: 3JS – Onschuldig (2007)

(On)schuldig!?

Ik val meteen maar met de deur in huis. Gevalletje open deur intrappen : muzikale smaken verschillen! Punt. Punt gemaakt met een (on)schuldige glimlach op de lippen. Dat dan weer wel.

Guilty pleasure. In mijn muzikale belevingswereld bestaat zoiets niet. Muzikale grootmeester Lohues vertrouwde ooit de volgende wijze woorden aan het papier toe: Muziek van boer Harms of een fuga van Bach. Elk mens is geliek we hebben allemaol baat bij muziek.

Toch!? Of je nu oprecht geraakt wordt door een onbekende singer-songwriter uit het uiterste puntje van Lapland.  Vol ontroering de  Matthäus Passion van begin tot eind luistert. Of van voor naar achter en van links naar rechts stuitert op de klanken van Snollebollekes. Het is mij om het even. Als muziek je maar weet te raken. Thuis op de bank, onderweg of in de feesttent. Of je nu een snobistische en avontuurlijke muziekliefhebber bent of gemiddeld muziekconsument. Of misschien wel helemaal niets met muziek hebt.  Nou ja dat laatste dat kan ik dan weer niet begrijpen.  Er schijnen mensen te zijn die ‘niets’ met muziek hebben. Daar snap ik dan weer niets van maar dat is (psychedelisch) voer voor een ander verhaal.

Wat zou met bovenstaande woorden in het achterhoofd een guilty pleasure voor mij zijn? Als een volwaardige snollebolleke stuiter ik van links naar rechts door het muzikale universum. Een avondje Telstar/Johnny Hoes klassiekers op z’n tijd is best wel fijn. Soms droom ik weg op de hypnotiserende klanken van The Orb’s A Huge Ever Growing Pulsating Brain That Rules from the Centre of the Ultraworld. Ruim 18 minuten soundscapes met het lieflijke Lovin’ You als muzikale rode draad. Een melancholische trip met The Cats ? Nostalgisch mooi! Op een ander moment kan ik niet genoeg krijgen van de eindeloze gitaarsolo’s van held Neil Young en zijn muzikale vrienden van Crazy Horse. Een uurtje Italo House 12 inches? Het aspect pleasure is in al deze gevallen van toepassing. Maar guilty? Nee!

Gaat het dan om muziek die door de ‘echte’ zichzelf respecterende muziekliefhebber als fout wordt bestempeld? Of muziek die juist door de ‘massa’ wordt omarmd?  Muzikaal gezien niet ‘hoogstaand’ is?  Een tekst in de categorie rijmelarij van lik-me-vers(t)je? Auto-tune or not auto-tune? Is that the question?

Ik kom er maar niet uit. Het blijft maar malen in mijn hoofd.Terwijl ik dit schrijf werp ik een blik op mijn Wall Of Sound.  Zal ik een willekeurige CD uit de kast trekken? Je weet wel van die zilveren schijfjes uit het pre-Spotify tijdperk of was het nu pre-vinyl tijdperk. Ok ik beken! De laatste opmerking is er wel één in de categorie guilty pleasures. Maak ik nu een beslissing of stel ik het vonnis uit? Advocaat van de duivel of de onschuld zelve?

Na lang juryberaad volgt hier de uitspraak. Met respect en een diepe buiging voor Jan Dulles en de zijnen: I plead, of beter gezegd play, not guilty! Dit is mijn uitspraak en daar zul je het als lezer mee moeten doen.

P.S. over de uitslag kan niet gecorrespondeerd worden. Er is geen hoger beroep mogelijk!

Keuze Hans Dautzenberg: Kinderen Voor Kinderen – Ik Ben Zo Normaal (2009)

Indoctrinatie

Tijdens de jaarlijkse talentenjacht op mijn middelbare school wisselden grote en kleine talenten elkaar af in een mêlee van podiumkunsten. Ik herinner me brave meisjes met hele moeilijke instrumenten héél serieus kijkend. Jonge toneel talenten (Jeroen Willems was er één van) in…, ja in toneelstukkken. En natuurlijk tal van beginnende rockbandjes. Misschien kwam het door de recente doorbraak van punk, maar het aanbod van muzikale grappenmakers, gespeend van ieder talent was erg groot. Ragguh! Wat een geweldige tijd!

Wellicht mijn beste herinnering heb ik aan een bijzondere uitvoering van een welbekend liedje. Stel je even voor: het doek gaat open, het toneel toont een bounty eiland. Wit zand, kokospalm, strakblauwe lucht. Dat werk. Best mooi gedaan. We wachten gespannen op wat komen gaat. De muziek zet in, we horen Op een onbewoond eiland van Kinderen Voor Kinderen. De spanning stijgt. We zien uit naar de artiesten. Wat zou de act zijn? De spanning wordt lichtelijk te veel. We kijken om ons heen. Vragende gezichten, steeds meer rumoer. Pas als het liedje bijna ten einde is, snappen we de grap. Onbewóónd. Ach ja.

Kinderen Voor Kinderen heb ik jaren achter me gelaten. Maar met een opgroeiende dochter komen de liedjes langzaam weer in het oor. Vooral in de auto. De formule is in de loop van de jaren wat opgehipt en opgehyped, maar het is nog steeds ‘voor kinderen’. En zo hoor ik het ook. Niet mijn ding, niet serieus te nemen. Meerdere lange ritten later, met een groot deel van het – inmiddels imposante – oeuvre van de KVK in de cd/mp3-speler, betrap ik mezelf toch zo nu en dan op meezingen. En, opvallender, sommige liedjes ga ik echt leuk vinden. Lekker muziekje, grappige teksten. En écht goed gemaakt. Gaat dat altijd zo als je ze maar vaak genoeg hoort? Is dat normaal?

 

 
 

1 Comment

  1. Sven

    Altijd leuk om de bijdrages te lezen 🙂 Maar ik zou de versie van I Will Always Love You van Whitney Houston alles behalve plastic willen noemen. Zij zingt een nummer altijd om het nummer met zoveel soul, passie en emotie. En ja, de vocale perfectie. Live in 1999: https://www.youtube.com/watch?v=ardglr9MVVQ

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.