Social
  • RSS feed
  • Twitter
  • Facebook
 

Ondergewaardeerde Liedjes


David Bowie: eerbetoon aan een kameleon

Sprakeloos, dat waren we. En nog steeds eigenlijk.

Je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat de release van Blackstar onderdeel was van Bowie’s laatste boodschap aan de mensheid. Of, zoals schrijver Matthew Street het op Twitter uitdrukte:

Misschien was Blackstar wel het meest innovatieve wat hij sinds begin jaren tachtig heeft voortgebracht.

Serieus, dit is al kippenvelmateriaal, maar als je je bedenkt dat dit zijn zwanenzang is…

Als een artiest van het kaliber David Bowie wegvalt, dan volstaat het niet om terug te verwijzen naar de battle die we in 2012 aan hem wijdden. Daar moeten we een eerbetoon aan brengen, met al zijn materiaal – ook het meest recente.

Rust zacht, Ziggy. En bedankt voor alle muziek.

Keuze Richard Rombouts: You’ve Got A Habit Of Leaving (1965 en 2001)

Het verlies van een gezinslid

Met stomheid geslagen las ik het krantenbericht over het overlijden van David Bowie. Een donderslag bij heldere hemel. Natuurlijk wist ik dat hij – sinds zijn laatste optreden in november 2004 – niet van plan was ooit nog op het muziekpodium te staan en dat hij zijn privéleven afschermde, waardoor er altijd een mysterieuze zweem rond zijn persoon aanwezig was. Maar dit? Ontvallen door die K-ziekte, die eveneens mijn andere jeugdheld (Frank Zappa) stal. Was het toeval dat ik gisteren nog een blog over hem (voor toekomstige publicatie) schreef, terwijl ik naar Blackstar luisterde?

Toch geloof ik dat Bowie de regie strak in handen heeft gehouden, want de afgelopen week was hij nog in de straten van New York gezien en op zijn verjaardag (8 januari) kwam Blackstar uit. Het lijkt er op dat hij dit een goed moment vond om (naar ik vermoed) vrijwillig uit het leven te stappen. Toeval bestaat namelijk niet. Maar wederom en tot het allerlaatste doet Bowie eigenzinnig en verrast hij de wereld.

Mede door mijn leeftijd komt zijn plotselinge dood extra hard aan en doet me beseffen hoe vergankelijk het leven is. Dat ik maar een dikke generatie achter hem zit. Ik voel de tranen langs mijn gezicht lopen, terwijl ik deze blog schrijf. Ik kan het niet anders omschrijven dan dat ik een jeugdvriend heb verloren; iemand die mij gesteund heeft in de puberjaren en meegroeide met mijn vallen en opstaan gedurende de daaropvolgende decennia.

Diep in mijn hart heb ik helemaal geen zin om over een ondergewaardeerd Bowie-liedje te schrijven; ik wil het namelijk geen waardeoordeel geven. In mijn ogen zijn er verschrikkelijk veel nummers die dit stempel verdienen. Er is maar één ding dat spontaan in mijn gedachten springt: Toy!

Toy is een album van Bowie, dat het daglicht nooit gezien heeft. Opgenomen in 2000-2001 en pas in 2011 via het internet uitgelekt. Een combinatie van oude onbekende(re) liedjes uit zijn ‘zestiger’ beginjaren en een aantal nieuwe nummers. Toy werd door problemen bij EMI/Virgin steeds verder opgeschoven, totdat Bowie besloot het maar op de plank te laten liggen en enkele nieuwe nummers voor Heathen te gebruiken.

De logische keuze was dus een oud lied in een nieuwe jas: You’ve Got A Habit Of Leaving; een single van Davy Jones & The Lower Third uit 1965. Zijn laatste single waar hij zijn geboortenaam gebruikte en voor Bowie koos om verwarring met zijn naamgenoot van de Monkees te voorkomen.

Keuze Edgar Kruize: Quicksand (1971)

WC-papier in de oren

Met dank aan de film Labyrinth van Jim Henson, was ik al vroeg (lees: ik was 11 jaar) op de hoogte van het fenomeen David Bowie. Als Jareth, koning der aardmannetjes, vond ik hem even eng als fascinerend. Zelfs het album Never Let Me Down een jaar later vond ik aanvankelijk maar wat mooi. Na die introductie, groeide de liefde voor Bowie en zijn werk. Zeker toen hij halverwege de jaren ’90 de geest weer kreeg (het waanzinnige 1.Outside), ontdekte ik met terugwerkende kracht nog meer van zijn oude werk. Hunky Dory werd al snel een favoriet album, al is het maar vanwege Changes en vooral het machtige Life On Mars. Er is een track die er echter uitsprong voor mij en dat is het ondoorgrondelijke, iets onheilspellende maar fascinerende Quicksand. Voor een jongeman met een wat troebele gemoedstoestand was het deze zinsnede die me greep:

I’m sinking in the quicksand of my thought
And I ain’t got the power anymore

In 1997 was daar opeens het bericht dat David Bowie ter promotie van zijn Earthling-album een show in Vredenburg zou doen en een show in Paradiso. Ik had al kaarten voor Rock Torhout voor Bowie, maar zó intiem, daar moest ik bij zijn. Beide shows verkochten uiteraard in no-time uit. Vredenburg lukte niet, Paradiso wel. In die tijd was Paradiso nog niet zo’n afgesloten bunker als nu. Er zaten aan de zijkant ventilatiegaten in de nooduitgangen, die het toen nog mogelijk maakten heel luid en duidelijk soundchecks van artiesten mee te pikken. In andere gevallen maakte ik er wel eens gebruik van als ik toevallig toch al in Amsterdam was. Voor Bowie ging ik er die 10e juni 1997 speciaal voor naar de hoofdstad. Ik bleek niet de enige, het krioelde al van de fans bij Paradiso én van de hoopvolle mensen die nog een kaartje op de kop hoopten te tikken.

Opeens komt daar een geblindeerd busje aan, het gaat open en heel Bowie’s band blijkt er in te zitten. Als helemaal achterin de oranje geverfde stekels van hun broodheer te zien zijn, ontstaat er een run op het busje. Daar ik – in tegenstelling tot de meeste anderen – niet bij de hoofdingang post maar aan de zijkant van Paradiso zit, kom ik als een van de laatsten aan bij het gedrang. Iedereen blijft rustig handtekeningen uitdelen, Bowie inclusief. In de buurt van het icoon kom ik vanwege mijn ongunstige startpositie niet eens, maar ik vind wel übertoetsenist Mike Garson en gitaarheld Reeves Gabrels op mijn pad. Die signeren volgaarne mijn kaartje.

Terugkijkend heb ik ook nog een derde handtekening bemachtigd. Geen idee welk bandlid dat is geweest. Opgewonden positioneer ik mezelf vervolgens weer voor dat gat in de deur om de soundcheck mee te krijgen. Dat blijkt niet nodig. Bowie is op de twee kleine shows in Nederland na eigenlijk op stadion- en festivaltournee. Zijn geluidsman blijkt het volume niet aan de kleine zaal te hebben aangepast. Paradiso trilt letterlijk op zijn grondvesten en het geluid is tot in een ruime omtrek prima te horen. ’s Avonds is Bowie zijn eigen voorprogramma. Eerst doet hij een drum ’n bass-set, het genre dat dominant is op Earthling, daarna een set klassiekers. Deze tweede set opent hij met een machtige uitvoering van Quicksand, staand op en plateau voor het podium. Vergelijkbaar met onderstaande video. Je kon me volledig wegdragen. Dat nummer is relatief akoestisch uitgevoerd. De rest van de show gaat echter weer op vol (stadion)volume. Hoe tof ik Bowie ook vind, het is dicht op de speakers bijna niet uit te houden. Het is het enige concert ooit dat ik tijdelijk heb verlaten om in de toiletten wc-papier in mijn oren te stoppen.

Toch ben ik na afloop superblij. Ik heb Quikcksand live gehoord! Bij zijn dood blijft die herinnering én een ander zinnetje hangen. Bowie kán niet dood, zijn geest blijft levend.

I’m not a prophet or a stone age man
Just a mortal with the potential of a superman
I’m living on

Keuze Peter van Cappelle: Life On Mars (1971)

Deze bijdrage is eerder verschenen op de Tumblr van Peter van Cappelle

Ik kan mezelf niet omschrijven als een grote diehard fan van David Bowie. Ik heb niet hetzelfde met Bowie als dat ik heb met The Beatles, Bruce Springsteen of U2. Toch kon ik zijn muziek zeer waarderen. Ik heb een aantals cd’s en lp’s van Bowie in de kast staan, draaide hem graag tijdens mijn radio uitzendingen, en als hij dan iets nieuws uitbracht was ik daar ook zeker benieuwd naar. Ik vond het ook zeker een heel interessant persoon. En om zijn invloed op de popgeschiedenis kun je nauwelijks heen.

De eerste keer dat ik David Bowie bewust hoorde was op mijn elfde tijdens de tweede editie van de Top 2000 op Radio 2. Het was op Oudjaarsdag toen ‘Space Oddity’ voorbij kwam. Ik was al redelijk wat muzikaal gewend, want ik had toen al The Beatles en Queen ontdekt. Maar toch vond ik het op het eerste gehoor een vreemde plaat.

Dat is later wel veranderd. Twee jaar later begon ik hem pas echt interessant te vinden toen ik voor het eerst ‘Heroes’ hoorde. En zijn opening van The Concert For New York in 2001 (naar aanleiding van de aanslagen op 11 september) met een cover van ‘America’ van Simon & Garfunkel maakte ook indruk op mij. Via mijn interesse in Queen kwam ik Bowie ook nog tegen met hun samenwerking met de single Under Pressure. Langzaam aan begon ik ook wat platen van hem te verzamelen, en ontdekte ik albums als Honky Dory, Ziggy Stardust en de Berlin Trilogy. Een concert van hem meemaken was inmiddels niet meer mogelijk. De laatste keer dat hij naar Nederland kwam voor een concert in 2003 ging dat niet langs mij heen, maar ik was toen nog niet helemaal into Bowie. Dat kwam in de jaren daarna toen het juist angstvallig stil om hem werd.

Toch was er in die periode nog een moment dat een nummer Bowie opnieuw indruk op mij maakte. Het was opnieuw Space Oddity. Vlak voor het concert van U2 in de Amsterdam Arena in 2009 werd het nummer afgespeeld. Dat was tijdens hun 360 tour de openingsong voordat zij zelf het podium betraden. Tijdens dat moment in het nummer dat er wordt geklapt deden mensen om mij heen dat ook, en werd het woord voor woord meegezongen. Heel even was het net alsof ik niet bij een concert van U2, maar bij een concert van David Bowie aanwezig was.

Ook volgde ik van 2007 t/m 2010 de BBC series Life On Mars en Ashes To Ashes die op elkaar aansloten, en natuurlijk waren vernoemd naar twee nummers van hem. Vooral in de laatste aflevering van ‘Life On Mars’ kreeg het gelijknamige nummer een bijzondere rol. Mede door die aflevering is het mijn persoonlijke favoriete Bowiesong.

Toen hij in 2013 opeens weer terug kwam met The Next Day was ik toch ook wel erg nieuwsgierig. Ik kon het album wel waarderen, maar het was alsof je naar een verzamelalbum zat te luisteren. Ook naar zijn nieuwste album Blackstar was ik benieuwd, maar dat album kan ik nog steeds niet echt goed beoordelen. Muzikaal gezien is het een echte groeiplaat. Maar dat het zo kort voor zijn overlijden is verschenen maakt het vrij wrang en lastig om er echt een goede beoordeling over te kunnen geven.

Eerst kon ik het moeilijk geloven toen ik hoorde dat hij was overleden. Het deed mij denken aan het overlijden van Freddie Mercury (hoewel ik toen bijna 3 jaar was, en daar geen bewuste herinnering aan heb). Beiden heren hebben tot het einde gewerkt, en hielden stil dat hun gezondheid minder werd. Beiden iconen die veel invloed op de muziekwereld hebben gehad, en allebei te jong zijn overleden.

Keuze Menno Kooistra: Lady Grinning Soul (1973)

Het definitieve bewijs dat Bowie wél kan zingen

Deze bijdrage won in 2012 de David Bowie-battle.

Ondergewaardeerde liedjes. In het geval van David Bowie komt al gauw zijn Tin Machine werk ter sprake. Urgentieloze herrie werd het genoemd. Ik heb het altijd erg goed gevonden (Prisoner of Love, Amazing, One Shot, Amlapura, You Belong in Rock ’n Roll om een aantal hoogtepunten te noemen), hoewel op de tweede plaat van de vier mannen inderdaad een aantal onnodige songs zijn te vinden.

Bowie’s latere werk is natuurlijk in de verste verte niet te vergelijken met alles wat hij in de jaren zeventig (tot en met 1980) maakte, maar ook hier zijn pareltjes te ontwaren. Ondergewaardeerd en weggedrukt door hitsingles zijn wellicht Loving the Alien(1983), Time Will Crawl (1987), Miracle Goodnight (1993), The Motel (1995),Something in the Air (1999) en Everyone Says Hi (2002). Oh, en laten we het heleThe Buddha of Suburbia album niet vergeten.

Toch ga ik voor een jaren zeventig-track. Een nummer van het sublieme Aladdin Sane (1973): Lady Grinning Soul. Wellicht ondergewaardeerd omdat Bowie het nog nooit live heeft uitgevoerd. Wellicht ook de reden waarom het zo’n bijzonder liedje blijft. Is het ondergewaardeerd door Bowie zelf?

In Lady Grinning Soul gaat alles om de sfeer. Vanaf de eerste pianoklanken van Mike Garson word je er in gezogen en neemt de melodieuze zang je mee in een film. ‘Bowie’s lost James Bond movie theme song’, zoals Chris O’Leary op zijn uitgebreide Bowie-blog Pushing Ahead of the Dame schreef. Lady Grinning Song is een liefdesliedje. Er wordt gezegd dat het over de soulzangeres Claudia Lennear gaat (net als Brown Sugar van de Stones). De lyrics zijn donker (She will be your living end) en sexy:

And when the clothes are strewn don’t be afraid of the room
Touch the fullness of her breast
Feel the love of her caress

Bowie’s stem heeft nog nooit zo zuiver, helder en krachtig geklonken. Het definitieve bewijs dat hij wel degelijk kan zingen. Het samenspel tussen Garson en gitarist Mick Ronson roept nog altijd kippenvel op. Lady Grinning Soul is een film en een droom: een dromerige film of een filmische droom. En een ode aan de kunst van de liefde.

Keuze Martijn Janssen: Art Decade (1977)

Koud en eenzaam

Ik ben meer een bewonderaar van David Bowie dan een groot fan. Ja, ik ken een groot gedeelte van zijn werk, maar niet alles kan ik waarderen. Toch stond hij al een tijdje op mijn lijstje van artiesten die ik eens live wilde zien. Bij zijn laatste tour in 2004 was ik er om wat voor reden niet bij. Een eerstvolgende keer wilde ik er zeker bij zijn.

Totdat ik deze morgen het nieuws las dat hij was overleden. En dat kwam als een mokerslag aan. Met een album dat net afgelopen vrijdag uitkwam en wederom de grenzen verlegde van zijn muziek leek het of we nog een tijd van nieuwe muzikale ideeën van hem konden gaan genieten. Maar net zoals een andere grootheid 25 jaar geleden, Freddy Mercury, laat hij ons nu een album na dat in het teken staat van zijn afscheid. Het zal zeker ongemakkelijk beluisteren, met wat we nu weten, maar Bowie wilde niet alleen maar behagen. Het mocht best prikkelen en dat leverde soms stekelige meesterwerkjes op.

Veelgeprezen is het album Low al werd het oorspronkelijk verdeeld ontvangen. Tegenwoordig wordt het geroemd als start van zijn Berlijnse Trilogie, de introductie van de avant-garde en het experiment. Vandaag de dag klinkt het nog steeds als een plaat uit een ander tijdperk, een tijdperk ergens in de toekomst. Het eerste gedeelte is misschien nog wel redelijk rechtoe rechtaan, met 7 nogal korte songs (waaronder wel twee instrumentaal). Maar die laatste vier nummers!
Tegenwoordig kan je losse nummers makkelijk beluisteren, ergens op een compilatie of een Spotify playlist. En de CD-speler heeft ook een skip-knop. Maar soms probeer ik me voor te stellen hoe mensen vroeger kant 2 van Low voor het eerst beleefden. Zoals gezegd, kant 1 had 7 redelijk toegankelijke songs. En dan krijg je 4 experimentele, maar toch rustige, grotendeels instrumentale muziekstukken voorgeschoteld die je elk transporteren naar een desolate lokatie. Ze dwingen je tot bezinning en zelfreflectie. En bij het tweede nummer, Art Decade, ben je bevangen.

Het is koud. Het is eenzaam. Verstild.

Het is stil.

Keuze Rene Albers: Strangers When We Meet (1995)

Vreemde eend

Nadat ik ’s morgens geconfronteerd werd met het verdrietige nieuws dat David Bowie was overleden en in de auto de tribute-uitzending van Giel Beelen doorstaan had, vroeg ik mij af wat voor nu de beste Bowie tracks waren. Uiteraard ontbreken pareltjes als Space Oddity, Life On Mars, Young Americans en Heroes niet in mijn lijstje. Toch wil ik in dit korte stukje een lans breken voor Strangers When We Meet van het conceptalbum 1. Outside uit 1995.

Mijn eerste kennismaking met Bowie was in de ‘tachtiger jaren’  door videoclips op MTV en Musicbox. Begin ‘jaren negentig’ werd mijn honger naar nieuwe muziek groter; ik leende aan de lopende band CD’s bij de plaatselijke bieb, zo ook Black Tie, White Noise uit 1993. Later kocht ik blind het Outside-album, Bowie’s hereniging met producer Brian Eno. Niet het makkelijkste album, maar op het eind was daar ineens Strangers When We Meet. Een voor dat album een behoorlijk recht-toe-recht-aan nummer, maar erg fijn in het gehoor.

Het nummer werd oorspronkelijk opgenomen voor de soundtrack van de TV-serie The Buddha of Suburbia, maar werd in een ander jasje gegoten voor 1.Outside. Qua sfeer doet het nummer mij erg denken aan één van zijn grootste hits, Absolute Beginners.  De bijbehorende videoclip werd geregisseerd door Samuel Bayer, die onder meer ook de clip voor Smells Like Teen Spirit regisseerde. Clip en lied vullen elkaar mooi. Een lust voor oor en oog, zeg maar.

Keuze Maartje Jansma: Hallo SpaceBoy (1996)

Ground To Major, Bye Bye Tom

Hallo Spaceboy verscheen in 1995 op het album Outside, een conceptalbum over een dystopie geproduceerd door Brian Eno. Bowie had het ambitieuze plan om in de laatste jaren van het millennium ieder jaar een album te maken. Hij heeft het niet waargemaakt , zoals wel meer in zijn late periode niet van de grond kwam. Bowie was een fossiel geworden, die krampachtig probeerde met de nieuwste modegrillen (Industrial, Drum ‘n Bass) mee te komen. Met als dieptepunt een half lege ArenA tijdens zijn Reality tour in 2004. Je kon er op een gegeven moment ongeveer gratis heen, maar ik ben niet gegaan; nog steeds geen spijt van.

In 1996 kreeg Hallo Spaceboy een remake van de onvolprezen Pet Shop Boys, waardoor het nog duidelijker het afsluitende deel van het Major Tom drieluik werd. Net als bij Space Oddity en Ashes To Ashes gaat Hallo Spaceboy over een astronaut, die aarde heeft verlaten en verward naar de wereld kijkt. Neil Tennant en Chris Lowe gooien er hun pop/discojasje overheen en voegen wat vocalen toe. De single heeft eventjes in de Top 40 gestaan en deed het in Groot Brittanië redelijk. Maar of dit wereldnummer echt de erkenning heeft gekregen die het verdiende….

Ik zal het veel draaien de komende tijd, bye bye Spaceboy.

If I Fall, Moon Dust Will Cover Me

Keuze Stefan Koopmanschap: Little Wonder (1997)

De drum ‘n’ bass beats in dat nummer, de zang van Bowie, alles klopte

Als tiener was ik verslaafd aan de radio, vooral Radio 3 (met in die tijd het kuikentje, als mijn hoofd de dingen op de juiste plek zet) was mijn vaste station.

David Bowie was totaal niet op mijn radar. Ik hoorde af en toe wel eens nummers langskomen (Let’s Dance in Arbeidsvitaminen), maar echt mijn aandacht had het niet. Het was voor mij toch een beetje “oude” muziek. Voor mij geen Major Tom, geen Heroes, geen Ziggy Stardust. Ik had daar op dat moment, als tiener, totaal geen oog voor.

En toen kwam Little Wonder. Radio 3 begon die te draaien, wat een track! De drum ‘n’ bass beats in dat nummer, de zang van Bowie, alles klopte. Pas vanaf Little Wonder ben ik toch eens wat beter gaan luisteren naar Bowie, en ben ik Bowie meer gaan waarderen. Nog steeds een beetje als tiener die naar “oude” muziek luistert, maar heel langzaam begon er een zaadje van begrip te groeien.

Pas de afgelopen 10 jaar is dat zaadje vrij snel groter gaan groeien. Tot op het punt waar ik een maand terug enorm uitkeek naar het nieuwe album ★. Afgelopen week heeft het album denk ik minimaal 10 keer gespeeld hier in huis, en elke keer werd het album beter. En elke keer weer steeg mijn waardering voor wat Bowie deed.

En toch… het begin allemaal eind jaren ’90. Little Wonder heeft voor mij een speciaal plekje in mijn muzikale hart veroverd. Maar soms lijkt het alsof ik 1 van de weinigen ben. Little wonder haalde nummer 32 in de top 40, en stond er maar 2 weken in. En zelfs nu, in alle in memoriam-uitzendingen op televisie en radio, hoor ik Little Wonder niet langskomen. Hoe kan dat? Het is voor mij dé definitie van David Bowie.

Keuze Marèse Peters: Nature Boy (2001)

Een liedje over de liefde met vreselijke (en misschien wel fatale) obstakels

Ik durf mijzelf absoluut geen Bowiekenner te noemen, maar wel een grote liefhebber. Dus ik hoefde niet lang na te denken over het meest ondergewaardeerde nummer van deze man. Het staat voor zover ik weet niet op een regulier Bowie-album, en is ook nooit een hit geweest. Als je het al kent, dan komt dat doordat het op de soundtrack staat van de film Moulin Rouge! Je weet wel, dat heerlijk flamboyante Baz Luhrmann-spektakel dat ik iemand eens treffend hoorde omschrijven als ‘een enorme bak glitters die over je wordt uitgestort’.

Ik krijg altijd kippenvel als ik het nummer hoor. Het is een beetje mystiek, de tekst is eenvoudig maar heeft een soort universele zeggingskracht. Bowie bezingt een strange enchanted boy, die over grote wijsheid beschikt:

The greatest thing you’ll ever learn
Is just to love and be loved in return

Dat het geen origineel Bowie-nummer is, staat duidelijk in de credits. Toch heb ik de herkomst van het nummer nooit achterhaald, tot ik het ineens tegenkwam in de Top 2000-omissielijst van Martijn Vet. Uitgevoerd door ook geen onbekende: Nat King Cole. Een dromerige, rijk georkestreerde versie. Mooi en warm. Echt iets voor bij een kop chocolademelk en een knappend haardvuur. Of onder de kerstboom, zo u wilt.

Ook de versie van Nat King Cole blijkt echter niet het origineel: het nummer werd in 1947 geschreven door een echte ‘nature boy’ en hippie avant-la-lettre: eden ahbez(zonder hoofdletters). De goede man woonde in een tent onder de ‘L’ van de beroemde HOLLYWOOD-letters, at alleen rauw voedsel, geen vlees en droeg sandalen, witte gewaden, lang haar en een baard. Echt hip dus, in de jaren ’40.

ahbez had een bescheiden hit met zijn ‘Nature Boy’. Nat King Cole was degene die er een evergreen van maakte. Later werd het nog door veel meer pop- en jazzartiesten gecoverd, onder meer door John Coltrane, Big Star, Grace Slick & the Great Society. Maar niemand deed het zoals Bowie het doet.

Want Bowie neemt het romantische, harmonieuze nummer en legt er een nieuwe laag overheen. Een spannende, bijna verontrustende laag. Zijn stem is scherp, niet warm zoals die van Cole. Hij speelt met akkoorden die je nekharen rechtovereind doen staan. En hij durft het nummer te laten exploderen. Als je hier onberoerd onder blijft, ben je een hele kouwe.

Nature Boy is het openingsnummer van de soundtrack van Moulin Rouge en daarmee is de toon voor het verhaal gezet: dit gaat over de liefde, maar met een hoop vreselijke (en misschien wel fatale) obstakels. Tijdens de aftiteling word je getrakteerd op een tweede versie van Bowies nummer, door Massive Attack. Met hun remix doen zij er nog even een heel vervreemdend, maar wel lekker schepje bovenop.

Ik zei het al: kippenvel.

Keuze Harm Eurlings: Heathen (The Rays) (2002)

“It’s about knowing you’re dying.”

Verdomme… Ik ben het er niet mee eens. Ik vind het stom. Hoezo Bowie is dood? Ik wil niet. Protest.

Dit wordt een beetje een boze tekst, ik waarschuw maar vast. Ik wil nog niet helemaal mee in de realiteit. Is boos zijn niet een van de stappen van het rouwproces? Ik zit daar middenin.

En ik merk ook dat ik dwars word van de lofzang die nu overal klinkt. Bowie komt die eer toe, maar dat was in de jaren ’90 en de jaren ‘0 ook al zo, en toen was voor hem het hoogst haalbare dat zijn werk beschreven werd als “het beste sinds Scary Monsters (And Super Creeps)”. De lofzang van nu klinkt daardoor in mijn oren soms een beetje vals.

In de jaren ’90 kreeg Bowie het verwijt dat hij van een vernieuwer een volger was geworden. Hij zou proberen mee te liften op het succes van drum ‘n’ bass. Maar noem mij een track van een andere artiest die klinkt als I’m Deranged van het fantastische album 1.Outside uit 1995! Beweren dat het niet origineel is omdat het ritme drum ‘n’ bass-invloeden heeft, is ongeveer net zo onzinnig als beweren dat alle popmuziek met een kickdrum op tel 1 en een snaredrum op tel 2 hetzelfde is. Gelukkig werd dit geniale album wel opgepikt door creatieve geesten als David Fincher en David Lynch, die die nummers gebruikten als soundtrack voor hun grensverleggende werk. Maar voor de meeste recensenten en luisteraars bleef het mantra hangen dat zijn beste werk in de jaren ’70 was gemaakt.

Ook het album Heathen uit 2002 behoort tot het allerbeste dat de David gemaakt heeft. Het ogenschijnlijk eenvoudige titelnummer heeft een melancholische sfeer die naadloos past bij de tijd waarin het frisse begin van een nieuw millennium na de aanslagen op 11 september abrupt was omgeslagen in een collectief gevoel van groeiende angst.

“Steel on the skyline

Sky made of glass

Made for a real world

All things must pass”

“It’s about knowing you’re dying,” heeft Bowie over dit nummer gezegd. “It’s a man confronting the realization that life is a finite thing, and that he can already feel it, life itself, actually going from him, ebbing out of him, the weakening of age.” Bowie was toen 55 jaar oud, en in goede gezondheid. Maar ook een oude vader van een nog heel jonge dochter, en hij was zich pijnlijk bewust van zijn eigen kwetsbaarheid.

In het licht van het overlijden van Bowie is het moeilijk om naar de live-uitvoering te kijken. “I can see it now. I can feel it die.” Kijk naar zijn ogen: hij meent het.

Als het gaat om het beoordelen van het werk van Bowie, lijken de zaken de laatste paar jaar opeens weer heel anders te liggen. Hij kan het nu opeens niet meer verkeerd doen. Dat heeft er toe geleid dat de comebackplaat The Next Day werd ontvangen als een meesterwerk. Terwijl dat nou juist een album is waarbij Bowie zijn allerhoogste niveau niet haalt. Sinds afgelopen vrijdag is het album Blackstar beschikbaar, en de pers is het er unaniem over eens: dit is een meesterwerk, de oude meester heeft toch nog weer een keer kunnen vernieuwen en doet iets dat uniek is.

Natuurlijk zou ik tevreden moeten zijn dat David nu eer naar werken krijgt, en Blackstar is ook echt een heel goed album, maar het steekt me dat de onderliggende argumentatie die wordt gebruikt net zo weinig hout snijdt als de redenen waarom eerdere meesterwerken over het hoofd werden gezien.

Blackstar zou vernieuwend zijn omdat Bowie jazzinvloeden gebruikt. En hij zou weer een heel nieuwe klank hebben gevonden. Ik begrijp dat niet. Vergelijk de drukke drumbeats met het werk op 1.Outside en Earthling. Indertijd liep hij achter de drum ‘n’ bass aan, en nu is het jazz? En die jazzinvloed bij Bowie, dat is nieuw? Luister naar Bring Me The Disco King (2003). Dat is meer jazz dan welk nummer op Blackstar dan ook. Maar het geluid van deze nieuwe plaat is wel helemaal nieuw toch? Nee, dat is ook niet helemaal juist. Luister eerst eens naar Thursday’s Child (en dan met name de digitale strings en de feel van het nummer) en dan naar de blues-harp a New Career In A New Town (1977), en vergelijk dat met het nieuwe I Can’t Give Everything Away. Alle oude invloeden komen gewoon weer terug.

En zo hoort het ook! Zo werkt Bowie. En dat is briljant. En dat is het al decennia. Ook toen een nieuw album voor velen vooral een reden was om te hopen op een nieuwe tour waarbij hij zijn hits uit de jaren ’70 weer zou spelen.

Hij heeft nu weer de erkenning gekregen die hij verdient. Om de verkeerde redenen, maar toch. Hij heeft dat gelukkig nog net meegekregen. Wat had ik hem gegund dat de wereldwijde pers in de afgelopen 20 jaar meer open had gestaan voor zijn werk. Ik hoop dat de vele mensen die Bowie nu missen het moment zullen aangrijpen om uit te vinden wat ze misschien al jaren gemist hebben. Er is veel te ontdekken en te genieten!

Ik zelf ben ook weer heerlijk door die schatkamer aan het struinen en juweeltjes aan het draaien. En daarbij komen dan ook de herinneringen naar boven. Herinneringen aan het eerste concert waar ik ooit naartoe ging, inderdaad een concert van David Bowie, in 1990 in het Goffertpark. Met een bus vol Limburgse fans erheen! De Outside Tour in Utrecht, en de dramatische opkomst van Bowie met het al even dramatische nummer The Motel. De Heathen Tour waarvoor ik naar België moest omdat Nederland niet werd aangedaan, en hoe ik daar voor het eerst (en tot nu toe voor het laatst) werd gegrepen door massahysterie. Bowie was op dat moment voor alle aanwezigen een soort god, en we zouden heel tevreden zijn geweest als hij het telefoonboek zou zijn gaan voorlezen. In plaats daarvan speelde hij voor het eerst in zijn carrière het zeer persoonlijke nummer Bewlay Brothers (1971) live, en verder veel nieuw werk van Heathen. Ik ben in mijn leven naar misschien wel een paar honderd concerten geweest, maar die avond in Belgie op 7 juli 2002 staat op eenzame hoogte. En dan was er de Reality Tour in 2003, met de live-band op oorlogssterkte om de wereld te veroveren. Ik moet denken aan albums en singles die de sountrack van bepaalde vakanties werden, omdat ze uitkwamen terwijl ik in het buitenland was, en ik er dan bij mijn vakantieplanning rekening mee hield dat ik de datum van verschijnen in de buurt van een platenzaak zou zijn. Ja, ik ben een fan, ik kom daar eerlijk voor uit.

Blackstar is uit, en het is een meesterlijk goede plaat.

Maar David Bowie is dood.

Vooralsnog kan ik niet genieten van het luisteren naar Blackstar. Het is zijn testament! En hij is pas net gestorven! Eerst rouwen en afscheid nemen en herinneringen ophalen… En dan komt het testament daarna wel.

Verdomme.

Keuze Danny den Boef: Lazarus (2015)

Look up here, I’m in heaven

David Robert Jones. Major Tom. Ziggy Stardust. Aladdin Sane. The Thin White Duke. David Bowie. Voor de laatste keer doet hij nog een grootse transformatie. David Bowie is niet meer. Waar hij is? Zelf had hij geen idee, maar hij wist dat het een feestje ging worden, zei hij ooit eens. Wellicht is hij nu een door hem zo vaak bezongen ster. Een starman. Een Blackstar. Zijn laatste grote truc.

David Bowie was geen muzikant. David Bowie was geen songwriter. David Bowie was geen performer. David Bowie was geen kunstenaar. David Bowie was geen acteur. Er is eigenlijk maar één beschrijving, die de lading écht goed dekt. David Bowie was David Bowie.

Ik ben er kapot van. En met mij overal ter wereld velen. Nu is dat natuurlijk vlak na het overlijden van een dergelijk persoon relatief makkelijk, want dat roept iedereen. Over de doden niets dan goeds. Hypocriet? Deels. Terecht? Absoluut. Laat een ieder er mee doen wat hij of zij wil, treurig blijft het. Toch is het niet een moment van totale oneindige blinde rouw. Het mooie aan een hierboven beschreven alleskunner is zijn nalatenschap, die – grotendeels muzikaal – voor altijd door zal blijven klinken. Als een ster die miljoenen jaren na het uitdoven nog steeds elke avond zijn stralende licht over de wereld uitstraalt. De ster is dood, lang leven de ster!

Want wát een schat aan muziek laat de man achter. Het is nauwelijks te bevatten hoe ver vooruit en hoe divers hij vaak was. Tot aan zijn laatste album aan toe. Van toegankelijke popnummers als Let’s Dance en China Girl, tot complexe stukken als Blackstar en Cygnet Committee. Voor de leek bijna geen doorkomen aan, maar voor de Bowie adepten onder u, waaronder ikzelf, vormt het vaak een warm geheel met de rest van het door hem vertelde verhaal gedurende de afgelopen pakweg 50 jaar. Wat steeds weer naar voren komt, is de eindeloze perfectie. Alles klopt in de nummers. Strijker hier, achtergrondkoor daar, nét dat ene gitaartje, een stilte waar nodig, zeg het maar. Het klopt. Nooit was hij bang om de grens op te zoeken, met name in de jaren ’70 waar hij binnen het decennium van het ene uiterste naar het andere ging. Na het groteske bombast van Ziggy in 1972 was daar ineens in 1975 Young Americans vol oprechte zwarte Soul. Aan het eind van de jaren ’70 kwam daar één van zijn meest iconische platen, “Heroes”; het tweede deel uit zijn zogenaamde Berlin Trilogy, vol experimentele Rock. En dat alles binnen 5 jaar van elkaar.

Bowie was nooit bang iets te proberen. Of dat allemaal goud was? Nee, natuurlijk niet. Maar hij deed het wel. Tot het allerlaatste aan toe. Eind vorig jaar ging het stuk “Lazarus” in premiere, een musical gebaseerd op zijn muziek en geregisseerd door Ivo van Hoven. Maandenlange voorbereiding en hard werk, maar hij moest en zou in december in première gaan. Ivo wist waarom. Wij nu ook.

Bowie danste zijn laatste maanden een complexe tango met de dood en hij had de leiding. Op 8 januari werd hij 69 en kwam zijn nieuwe album uit, ‘with a bang’ zoals dat zo mooi heet. Het album Blackstar (of ★), bleek een bizarre, muzikale donkere trip. Het ontving wereldwijd lovende recensies. Bowie, 69, deed er nog toe. Een Amerikaanse recensent beschreef het precies goed:

a defining statement from someone who isn’t interested in living in the past, but rather, for the first time in a while, waiting for everyone else to catch up

En dat deed iedereen. Men stond weer onderaan de trap met op de bovenste trede de muzikale genie zelf.

Met de trieste kennis van nu, blijkt het album één grote zwanenzang. Tot het laatst aan toe was hij degene die bepaalde hoe het ging en schreef zijn eigen verhaal in het door hem gecreëerde universum. Het nummer Lazarus, zijn laatste single waarvan vorige week de videoclip uitkwam, beschrijft het allemaal met een lugubere nauwkeurigheid die nu extra profetisch klinkt.

En net toen alle spotlights vanuit heel de wereld weer op volle sterkte op de grote David Bowie gericht stonden, vond hij het een mooi moment voor een laatste buiging. Zomaar, klaarblijkelijk uit het niets, stapte hij uit die zo welverdiende spotlights en liet de wereld achter met zijn weergaloze oeuvre als één grote toegift.

Look up here, I’m in heaven
I’ve got scars that can’t be seen
I’ve got drama, can’t be stolen
Everybody knows me now

Look up here, man, I’m in danger
I’ve got nothing left to lose
I’m so high it makes my brain whirl
Dropped my cell phone down below

Ain’t that just like me…

 

 
 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.