IJsland lijkt misschien klein op de kaart, maar muzikaal voelt het als een heel eigen universum. Het eiland levert al decennialang artiesten die grenzen verleggen, genres vervormen en een sfeer neerzetten die je nergens anders hoort. Van etherische stemmen tot rauwe elektronische experimenten: IJslandse muziek klinkt als het landschap zelf — mysterieus, uitgestrekt en soms ronduit buitenaards. In deze battle duiken we in de artiesten die dat unieke geluid vormgeven en ontdekken we waarom juist dit afgelegen eiland zo’n onuitputtelijke bron van creativiteit is.

Keuze Willem Kamps: Jet Black Joe – Summer Is Gone Pt. 1 (1994)

Weemoed

Geen idee meer hoe Fuzz van Jet Black Joe bij verschijning in 1995 in mijn bezit kwam. Zou zomaar via een tip van de verkoper van Plato zijn geweest, maar wat is dat een lekker, knotsgek ADHD-album. Luister alleen al naar opener Motor Maniac. Zo lekker dat ik de rest van deze IJslandse band aanschafte. Ook de voorganger van Fuzz, You Ain’t Here, en dat voor een paar euro in de ramsj. Waar Fuzz qua genres meerdere kanten opschiet, is You Ain’t Here een eenduidiger rockalbum, maar daarom niet minder goed.

Het mooiste nummer op You Ain’t Here is Summer is Gone Pt. 1, dat op de plaat automatisch overloopt in Pt. 2 en vervolgens 3. Het eerste deel is een klein gehouden weemoedig liedje, dat in het tweede deel overgaat in een uptempo rockversie die haar hoogtepunt vindt in het derde deel. Zoals gezegd, de weemoed straalt van Pt. 1 af. Maar wat wil je, de zomer die voorbij is op IJsland, het land waar de zomer bijna 24 uur daglicht biedt en de winter een krappe 5. Het herfstgevoel hier is er niks bij.

Summer is Gone Pt. 1 is slechts een akoestische slaggitaar, de heerlijke zang van Páll Rósinkranz en – die weemoed – een naar Parijs riekende accordeon. Al luisterend kijk je bijna als vanzelf in dat grote donkere ijskoude gat van dat sombere jaargetijde. Gelukkig daalt de winterdepressie nog net niet op je neer, daarvoor is de zang van Rósinkranz te begeesterd.

Helaas was het na drie albums gedaan toen Páll Rósinkranz opstapte. Ergo, niet alleen weemoed naar de zomer, maar naar heel Jet Black Joe.

Keuze van Quint Kik: GusGus – Ladyshave (1999)

Machtig orgelloopje

Veel verder dan Björk en de Sugarcubes kwam ik aanvankelijk niet, maar de dochter van Goðmund hadden we recentelijk nog uitgebreid gefeliciteerd met haar zestigste verjaardag. Op zoek dus naar iets originelers. Wat was ook weer dat IJslandse bandje dat ik eind jaren negentig de geneugten van een scheerapparaat hoorde bezingen? In een enigszins creepy video op MTV’s Alternatieve Nation?

Met een kleine dertig jaar activiteit mogen ze zichzelf intussen een household name noemen. Sinds het debuut Polydistortion (1997) timmert GusGus aan de weg met een mix van uiteenlopende, aan dance en electropop verwante muziekstijlen. Op grond van hun op 4AD verschenen debuut was de verleiding destijds groot hen te scharen onder lounge, dat slaperige voorstadje van triphop.

Toch is er bij GusGus absoluut geen sprake van liften die op en neer gaan en muziek die zich nimmer aan je opdringt. In de hypnotiserende single Starlovers blijft de lift voor eeuwig steken tussen de sterren, gelukzalig en in Sweet Harmony, het land van The Beloved. Dat liedje over een scheerapparaat doet met zijn machtige orgelloopje dan weer aan als een verloren gewaande klassieker uit Madchester-tijd.

Keuze Leendert Douma: múm – The Ghosts You Draw On My Back (2004)

Nog steeds in verwondering

Als je zegt IJsland, dan zeg je Björk en dan zeg je Sigur Rós. De indrukwekkende avantgardepop van Björk is een geval apart. De melancholische schoonheid van Sigur Rós ook, zou je denken. Toch had de bizarre band in haar hoogtijdagen een ‘counterpart’ in het IJslands ensemble múm. Even bizar, even melancholisch. Maar terwijl Sigur Rós uitblonk in een groots en weids geluid (denk Svefn-g-Englar), hield múm het bij klein, speels, minimalistisch en glitchy. Als je er een label op moet plakken, dan kom je uit op de destijds hippe – maar vréselijke – term ‘folktronica’.

múm ontstond in 1997 in Reykjavík. De band is opgericht door Gunnar Örn Tynes en Örvar Þóreyjarson Smárason en later kwamen de tweelingzussen Gyða Valtýsdóttir en Kristín Anna Valtýsdóttir erbij. Het is nooit een vaste band geweest. Meer een naam voor een los collectief, muzikanten kwamen en gingen. Het debuutalbum Finally We Are No-One is warm en dromerig, en daarna gingen ze de diepte in. Summer Makes Good uit 2004 is echt sferisch en experimenteel. En in melancholie staken ze Jonsí en consorten (Sigur Rós dus) naar de kroon.

Ik hou echt van beide bands. Ik ben melancholicus. Ik val voor groots en ik val voor kleinschalig. Maar om múm niet tekort te doen, moet ik stoppen met vergelijken. De band blonk gewoon uit in gekke en fragiele muziek: zachte stemmen, kinderlijke koortjes, glitchy beats en geluiden uit een speeldoos. Ruim twintig jaar later verblijf ik nog steeds in verwondering.

Keuze Patrick Schellen: Sigur Rós – Sé Lest (2005)

Soms hoeft een stereotype niet erg te zijn

IJsland: kou, gletsjers, de vulkaan met die naam die niemand uit kon spreken, desolate landschappen… Velen zullen hetzelfde stereotype beeld hebben. En zo is het bij mij ook een beetje met muziek die hier vandaan komt. Vaak sprookjesachtige muziek, begeleid met strijkers, percussie en blazers. En het bekendste voorbeeld daarvan is natuurlijk Sigur Rós. Die brachten zelfs de concertfilm Heima uit waarbij ze op verschillende plekken in het land spelen, waardoor landschap en muziek één werden.

Normaal zou zo’n cliché voor mij alle reden zijn om vooral een band of artiest niet te kiezen. Maar ook met alternatieven kom ik min of meer bij gelijksoortige muziek uit. Dus ja, dan is Sigur Rós toch vooral erg goed en heb ik ook een bijzondere live-versie van de genoemde Heima-film gekozen. Inclusief de plaatselijke fanfare in vol ornaat. Het is misschien een voor de hand liggende keuze of een stereotype, maar voor een keertje moet dat wel kunnen… De band is nou eenmaal te goed om te negeren.

Keuze Johan Hol: Seabear – Hospital Bed (2007)

Tussen hoop en vrees

Wie aan muziek uit IJsland denkt, denkt niet meteen aan Seabear, de band die in 2003 begon als soloproject van Sindri Már Sigfússon (Sin Fang) en in 2006 uitgroeide tot een zevenkoppige formatie. In 2007 brachten ze The Ghost That Carried Us Away uit: een album vol nummers die prettig in het gehoor liggen en gaan over natuur, liefde en sterfelijkheid. Over dat laatste gaat het nummer dat ik voor deze battle heb gekozen.

Hospital Bed begint somber, bijna fluisterend, alsof het voorzichtig een weg naar je toe zoekt. De eerste klanken voelen klein en kwetsbaar, zoals de momenten waarop je in een ziekenhuisgang staat en de wereld even stilstaat.

Maar wie goed luistert, merkt dat het nummer meer is dan melancholie. Tussen de zachte akkoorden en de breekbare zang duiken steeds weer kleine, bijna onopvallende vrolijke noten op. Lichtpuntjes. Momenten waarop hoop even boven komt drijven, hoe fragiel ook. Het is alsof de muziek zelf ademt: in, uit, donker, licht.

Dit jaar heb ik meer tijd in ziekenhuizen doorgebracht dan ik ooit had willen doen. Wachten op uitslagen, gesprekken die je liever niet voert, het voortdurende schommelen tussen hoop en vrees. Precies dat vangt Hospital Bed: de zwaarte van niet weten, maar ook de onverwachte momenten waarop je toch even glimlacht, omdat iemand iets liefs zegt of omdat je je herinnert dat er nog steeds schoonheid bestaat.

De vrolijke noten in het nummer voelen als die kleine momenten van lucht. Ze zeggen: het is zwaar, maar je bent er nog. Ze herinneren eraan dat hoop nooit helemaal weg is, zelfs niet wanneer je er zelf even niet bij kunt.

En toch… dit jaar heeft de vrees twee keer gewonnen. Twee keer te vroeg afscheid, twee keer dat de stilte harder binnenkwam dan de muziek. Maar juist daardoor is Hospital Bed voor mij geen verdrietig nummer geworden. Het is een nummer dat troost biedt, dat rust brengt, dat me helpt om mooie herinneringen levend te houden.

Keuze Marco Groen: Sólstafir – Fjara (2011)

Onverstaanbaar, dus waarschijnlijk erg diepzinnig

Waar wij gewend zijn om de kroeg in te duiken om in een paar uurtjes tijd alle wereldproblemen op te lossen, bezoekt men in IJsland drinkgelegenheden op om elkaar gedichten voor te dragen. En dan niet in op de manier van ‘Sint zat te denken wat hij Pietje dit jaar moest schenken…’, maar bloedserieuze poëzie. Het is dan ook geen wonder dat in een dergelijke cultuur Sólstafir haar dichterlijke zonnestralen door het wolkendek liet schijnen.

Om het proza van de heren goed te begrijpen helpt het om eventjes je kennis van de IJslandse taal op te halen. Ja, er zijn nummers die in het Engels gezongen worden, maar dat moet je zien als lokkertjes. De echte Sólstafir komt pas echt tot zijn recht in hun moerstaal. Een taal er voor ontworpen lijkt te zijn om de natuur, lokale mythes en innerlijke duisternis te bezingen. Niet geheel toevallig exact waar Sólstafir zich meester in heeft gemaakt.

Onder meer in het nummer Fjara (strand) komen al deze elementen samen. Tevens is het voor de beginnende luisteraar een mooi opstapje naar het overige oeuvre. Fjara is een (voor Sólstafir-begrippen) een vrij toegankelijk nummer. Verraad, leugenachtigheid en het emotionele gewicht van geheimen komen langs in Fjara. Het zijn precies de onderwerpen die verleden van Sólstafir, eh… verraden: black metal. Hoewel de hokjes niet helemaal van toepassing zijn, richt de band zich tegenwoordig meer op post-metal of atmosferische rock. Dat doen ze goed, dus dat mag best.

Dit alles brengt met zich mee dat een concert van Sólstafir nogal een achtbaan van gevoelens is. En daar hoef je helemaal geen IJslands voor te verstaan. Naderhand heb je voor jaren inspiratie voor je Sinterklaasgedichtjes.

Keuze Luistertips: Samaris – Hafið (2014)

Það bergmála tekur

Samaris wordt 15 jaar geleden opgericht door Áslaug Brún Magnúsdóttir, Þórður Kári Steinþórsson en Jófríður Ákadóttir Samaris. Met de speciale combinatie van IJslandse vocalen, klarinet en elektronica weten ze al gauw de aandacht te trekken van indielabel One Little Indian. Na hun eerste release, die vooral een verzamelaar is van eerder uitgebrachte EP’s en remixes, brengen ze drie jaar later Silkidrangar uit. De teksten worden nog steeds in de moedertaal gezongen en zijn opnieuw geïnspireerd door IJslandse poëzie uit de negentiende eeuw. Het draagt bij aan het speciale karakter van hun muziek.

Op hun tweede album schurken ze wat meer tegen de triphop aan, waardoor er iets aan subtiliteit en eigenzinnigheid wordt ingeleverd. Opener Nótt maakt duidelijk dat je ook met meer beats trouw kunt blijven aan de unieke stijl die je eerder op je debuut introduceerde. Nog steeds druipt het ongrijpbare er van af. Tíbrá is wat dat betreft illustratief voor het gehele album. Wat opvalt is dat de klarinet nog subtieler een geïntegreerd onderdeel van het muzikale spectrum is geworden. Luister maar eens naar Hafið. Het sleutelnummer dat de verbinding legt tussen oud en nieuw. Of naar afsluiter Vögguljóð. Een uitgeklede versie van het op het debuut gepubliceerde Vöggudub.

Silkidrangar was toentertijd de logische volgende stap voor deze IJslandse band.

Keuze Erwin Tijms: Kiasmos – Looped (2015)

Over Ólafur Arnalds als solo-artiest hebben we al geregeld geschreven op Ondergewaardeerde Liedjes. Ook in deze battle mag hij natuurlijk niet ontbreken. Arnalds vormt samen met Janus Rasmussen het duo Kiasmos. Rasmussen komt oorspronkelijk van de Faeröer en is verhuisd naar IJsland (voor de meeste mensen op de Faeröer is het door prijsverschillen een nachtmerrie om op de boot naar IJsland te belanden, maar hij koos er vrijwillig voor).

Dit keer is het geen Chopin, filmscore of modern klassiek. Minimale techno is de stijl van Kiasmos. Ólafur en Janus zijn ermee begonnen in 2009, als speciaal project om deze muziek te maken naast al hun andere muzikale bezigheden. Ergens is ook nog wel hetzelfde emotieve sferische te horen als dat op het modern klassieke werk van Arnalds te horen is. Rasmussen staat dan weer bekend om zijn organische soundscapes en ook dat hoor je wel terug in de muziek van Kiasmos. Het geheel werkt wat mij betreft heerlijk. Ik zet het geregeld op om bij te werken of juist om´s avonds wat te chillen.

Het nummer Looped schreven ze twee jaar voordat het album Kiasmos uitkwam en was vooral een experiment om te horen of piano en strijkers werkten in een technonummer. Als populaire live-act trok Kiasmos de hele wereld over, om op festivals te spelen. Een liveversie leek me daarmee wel zo gepast voor deze battle.

Keuze Mers: Sykur – Svefneyjar (2019)

Suiker

Sykur is een parttime band die bestaat uit leadzangeres Agnes Björt Andradótti, broers Halldór (synths en drums) en Kristján Eldjárn (synths en bas) en Stefán Finnbogaso (gitaar). Ik zeg parttime omdat veel muzikanten in IJsland een ‘gewone’ baan hebben naast de muziek. De band maakt vooral electropop en ze treden nauwelijks op buiten IJsland. Het stemgeluid van Agnes is, als ze alle registers openzet, echt verbluffend en de jongens verzorgen heerlijke instrumentalen. Dat zorgt voor fantastische producties (nummers Reykjavik en Curling zijn aanraders).  

Svefneyjar betekent slaapeilanden. Inspiratie voor het nummer vormde een bezoek van Agnes aan de zogenoemde Sleepy Islands, een eilandengroep voor de westkust van IJsland. Het nummer heeft een geweldige pakkende melodie die wordt aangevuld met heerlijke synths. In de glinsterende elektronica proef je ook wat melancholische dreampop. Dit had natuurlijk een grote hit moeten zijn. Waarom staat er eigenlijk suiker bovenaan dit stukje? Sykur is het woord voor suiker in IJsland.  

Keuze Joris van der Aart: Virgin Orchestra – Venus In Scorpio (2025)

Vernieuwend en toch herkenbaar

Als je een artiest hoort, kun je vaak al raden dat die uit IJsland komt. Het land heeft toch een bijzondere vibe die je eigenlijk altijd wel terug hoort. Het is iets mystieks, iets dromerigs. Dit werd voor mij vorig jaar bevestigd toen ik kennismaakte met de band Virgin Orchestra.

Virgin Orchestra is een drietal uit Reykjavik. Hun debuut brachten ze uit toen ze in 2022 in Berlijn verbleven. Met hun tweede EP Let It Burn lijken ze wel echt de aandacht gegrepen te hebben. Ze weten diverse stijlen te vermengen en dat hoor je terug in Venus In Scorpio. Het is post-punk, het is shoegaze, je hoort klassieke elementen, The Cure en voor de liefhebbers (zoals ik) Heartworms. Maar dus ook dat typische IJslandse geluid.

Ik overwoog Venus In Scorpio vorig jaar al in onze battle voor song van het jaar op te nemen. Dat deed ik toch niet. Maar in deze IJsland-battle lijkt-ie me zeker op zijn plaats. Virgin Orchestra laat zien dat er nog steeds geweldige nieuwe muziek uit IJsland komt.

Keuze Remco Smith: Ásgeir – Against the Current (2026)

Geen groter contrast denkbaar

Laat die koppen rollen van het schavot
Dat zei ik op IJSLAND 1
Still thе same voor IJSLAND 2
IJSLAND 2

Komende oktober sta ik in een, ongetwijfeld uitverkocht, Paard in Den Haag voor Abel en Sef en hun IJSLAND-project. Het is de eerste muziek die bij mij opkwam toen ik het onderwerp van deze battle zag. Abel en Sef zijn boos en weten dat op een hele eloquente maar ook bikkelharde manier te verwoorden, wat zeg ik, dat op een bikkelharde manier in je gezicht te slaan. Met de knokkels vooruit.

Een groter contrast is nauwelijks te vinden. Ásgeir is een IJslandse singer-songwriter, die hele bedachtzame, introspectieve, esoterische muziek maakt. Muziek die past bij het landschap van IJsland, dit desolate en toch vriendelijke glooiende uitgestrekte nauwelijks bewoonde eiland tussen Canada en Europa. Ik was er in 2008 en was onder de indruk van dit wonderlijke eiland. Wie weet dat ik daarom zijn muziek in 2016 op het podium van Best Kept Secret toch kon waarderen, ondanks dat saaiheid op de loer lag. Ásgeir heeft net een nieuwe plaat uit. Zeker niet de plaat van het jaar, dat is IJSLAND tot nu toe, maar wel een stemmige plaat, voor op een veranda in de lentezon.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.