Een genre, ingeklemd tussen twee fronten: eentje, waar het naar verluidt een reactie op vormde (de gewaagde kruisbestuiving tussen rock dance van Madchester) en de reactie op de reactie (Britpop nationalisme). Bij het schrijven van de intro voor de genrebattle over Britpop blijken we echter iets te gehaast een conclusie te hebben getrokken: grunge kwam begin jaren negentig voort uit gelijke delen punk en hardrock en keerde zich eerst en vooral tegen de hedonisten van de hairspray-metal.
Komend najaar is het 35 jaar geleden dat binnen minder dan twee weken van elkaar Guns N’ Roses zijn langverwachte conceptdubbelalbum Use Your Illusions 1+2 openbaarde én Nirvana met Nevermind alternatieve rock as we know it definieerde. Grunge was een verademing voor de platenbaas, die zich scheel betaalde aan de voorschotten voor Michael Jackson en Madonna: die kinders in houthakkershemden kon je goedkoop tekenen, daaraan hoefde je je geen buil te vallen.
Alleen: net als bij al die eerdere genres waar we op deze plek de degens over kruisten (New Romantics, Triphop, Postpunk), wilde geen enkele band erbij horen. Dat weerhield razend enthousiaste muziekcritici er niet van om de uiteenlopende kopstukken in één hokje te drukken, geholpen door een romcom over de plaats van handeling Seattle (met een briljante soundtrack!). Vandaag buigen onze bloggers zich over de minder verkende steegjes en landweggetjes.
Keuze Hans Dautzenberg: Green River – Swallow My Pride (1985)
Stamvaders
Onbewust maakte ik kennis met grunge dankzij een vriend die het album Bleach van Nirvana met een warme aanbeveling opzette. Niet veel later verscheen Nevermind en, zoals men zegt: the rest is history.
Die history begon al een paar jaar voor Bleach (uit 1989) met een band die als de stamvader geldt van de grunge: Green River. Natuurlijk uit Seattle, want Parmaham komt ook niet uit Gouda. De band mixt punk, Black Sabbath en Stooges met de juiste dosis nihilisme en slordigheid en dat levert muziek op die twijfelt tussen metal, garage en langzame punk. Ook qua bezetting is Green River belangrijk: leden van de band vinden we later terug in de grunge-cracks Mudhoney, Mother Love Bone en, jawel, Pearl Jam. Muzikaal is het in die pioniertijd wel nog een beetje zoeken. Het juiste recept met de verschillende invloeden die grunge tot grunge maakt, is nog niet helemaal gevonden.
Overigens zijn de geleerden het nog lang niet eens over wat grunge nou eigenlijk kenmerkt als muziekstijl. Eén aspect lijkt wel iedereen te onderschrijven: het relatief lage tempo. Het hierbij geëtaleerde Swallow My Pride van Green River laat al aardig horen waar het later heen gaat.
Keuze Joris van der Aart: Mother Love Bone – Stardog Champion (1990)
Voorbestemd voor grootsheid
Voordat de groten van de grunge de wereld veroverden, was er een andere band van wie dat verwacht werd. Dat was Mother Love Bone. Maar het lot van Mother Love Bone was misschien wel exemplarisch voor de grunge: het kwam veel te vroeg tragisch ten einde.
Het begon met Stone Gossard en Jeff Ament die met Green River al aan de basis stonden van de grunge. Maar zij waren ambitieuzer en vonden in Andrew Wood de perfecte zanger om het grote publiek te bereiken, dus samen begonnen ze Mother Love Bone. Wood was een zeer getalenteerde zanger, charismatisch, maar had ook drugsproblemen. Op zijn 21ste verbleef hij al in een afkickcentrum en die verslaving werd hem ook fataal. Nog voordat het debuutalbum van de band uit kwam in 1990 overleed Wood aan een overdosis heroïne. Het debuutalbum Apple kwam wel uit en Stardog Champion was daarvan de eerste single. Het gaf een inkijkje in het potentieel van Mother Love Bone en critici waren unaniem overtuigd, maar een vervolg zou er dus niet meer komen.
Voor Gossard en Ament was dit echter niet het einde. De ex-huisgenoot van Wood meldde zich omdat hij een tribuut voor hem wilde opnemen. Dit was Chris Cornell, toen al actief met Soundgarden. Hij nam zijn drummer mee en ook Mike McCready, jeugdvriend van Gossard, sloot zich aan. Tot slot voegde nog een laatste naam zich bij hen voor de achtergrond-vocalen, ene Eddie Vedder. Samen namen zij een album op onder de naam Temple Of The Dog. Zo ontstond er dus een supergroep van artiesten die pas later bekend zouden worden. Het verhaal van Gossard en Ament eindigde hier nog steeds niet. Integendeel. Na Temple Of The Dog gingen zij met Vedder en McGready verder als Pearl Jam en met die band behaalden zij dat succes waarnaar zij altijd gezocht hadden en zij vullen nog steeds de stadions. Zo kunnen we toch stellen dat Mother Love Bone een cruciale rol speelde in de ontwikkeling van de grunge.
Keuze Quint Kik: L7 – Shove (1990)
Grunge-wars, pt. 1
Najaar ’91 mag dan te boek staan als de aardverschuiving die grunge teweegbracht binnen alternatieve rockmuziek; de zomer van het jaar erop was voor mij de openbaring dat je er onder gelijkgestemden ook helemaal op los kon gaan. Plaats van handeling: Bob’s Disco Bar in de Spaanse badplaats Calella, waar ik na de eindeloze zomer volgend op mijn eindexamen twee weken lang vakantie vierde.
Aanvankelijk belandden we in een gigadiscotheek, van het type dat badplaatsen aan de Costa Brava rijk is. Vroege Eurohouse van Snap en Dr. Alban wat de klok sloeg en tien gulden voor een biertje: wanhoop troef. Het moment dat Poing van Rotterdam Terminator Source ons om de oren vloog, werden we uit ons lijden verlost: twee van ons waren bij het verkennen van de buurt om de hoek op het Walhalla gestuit.
Een alternatieve werkelijkheid of een parallel universum waar Alive, Enter Sandman, Epic en Motorcycle Emptiness uit de boxen schalden. Twee weken lang waren we niet weg te slaan van het krappe dansvloertje. Van achter de draaitafel trakteerde eigenaar Bob himself ons op een staalkaart van alternatieve rock en vochten wij de grunge-wars uit: Get out of my way or I’m gonna shove!
Some guy just pinched my ass
SHOVE!
Drunken bums ain’t got no class
SHOVE!
Tussen het overdadig aanwezige testosteron sprong het nummer er nogal uit. Het bleek te gaan om iets van grunge zij-instromers c.q. riot girrrls L7, van voordat zij hun lot in handen legden van producer Butch Vig voor Bricks Are Heavy. Op de dansvloer waarde een gast rond met het beruchte Smell The Magic-shirt: nog nat achter de oren en voor we goed en wel studeerden, waren we bekeerd tot feminisme.
Keuze Erik Stam: Sonic Youth – Tunic (Song For Karen) (1990)
Tip van Kim
Zonder het album Goo van Sonic Youth bestaat de kans dat Nevermind nooit zo groot was geworden. En dan had de hele grunge-scene er anders uitgezien.
Boude uitspraak? Zeker, maar let me explain: In 1990 stapte Sonic Youth over naar Geffen records en het verhaal gaat dat Kim Gordon herself bij de mensen van Geffen aangaf dat het bandje Nirvana (al drie jaar bezig, één niet zo succesvol album op hun naam op het Sub Pop label en nog een half album op de planken dat later uit zou komen als Nevermind) misschien het tekenen waard zou zijn. Aldus geschiedde en de rest is geschiedenis. Nevermind was bij Sub Pop hoogstwaarschijnlijk in één of andere vorm ook wel uitgekomen, maar of de plaat net zo groot zou zijn geworden, vraag ik mij af.
Is Sonic Youth daarmee grunge? Als je strikt kijkt naar de beschrijving die wordt gegeven (loud, quiet, loud) misschien niet. Maar er zijn eigenlijk best veel Nirvana-nummers die ook niet onder deze beschrijving vallen. Tunic (Song For Karen) is gewoon een heel mooi nummer van Goo. Het gaat over Karen Carpenter en beschrijft haar gedachten na haar overlijden, met bijvoorbeeld de zin I feel like I’m disappearing, getting smaller every day. Een treffende beschrijving van iemand die is overleden aan anorexia. Een mooie hommage uit een hoek van waaruit je die niet direct verwacht.
Keuze Quint Kik: Mudhoney – Good Enough (1991)
Grunge-wars, pt. 2
In het najaar van ’92 begon ik aan een studie Geschiedenis in Utrecht en leerde ik vrienden voor het leven kennen, waarmee ik sporadisch nog weleens een dansvloer onveilig maak. De soundtrack bij die kennismaking trok de lijn door van Bob’s Disco Bar (zie blog hierboven, over L7). Hoewel een enkeling grappen maakten over mijn I Did It In Bob’s-Shirt, vonden we elkaar in een gedeelde liefde voor alternatieve vloervullers.
Enkelen van hen hadden net als ik eerder dat jaar rondgelopen op Pinkpop ’92, waar Eddie Vedder vanaf een camerakraan zijn iconische sprong in het publiek waagde en Soundgarden zich een wolkbreuk speelde. Sommigen herinnerden zich het optreden van Buffalo Tom in de ochtend, wier Taillights Fade behoorde tot de vaste afsluiters van de geschiedenisfeesten uit mijn eerste jaar.
In studiejaar 1992/’93 verdiepte ik me in de lemma’s in OOR’s Popencyclopedie over Neil Young, Pixies, Dinosaur Jr. en Sonic Youth. Bijzondere aandacht ging in die 1989-editie uit naar iets wat Swie Tio betitelde als Gitaar USA: Dream Syndicate, Gun Club, Hüsker Dü , Meat Puppets, Screaming Trees en Mudhoney. Die laatste figureerde met nauwelijks verholen dédain op de befaamde Singles-soundtrack.
Everybody loves us
Everybody loves our town
That’s why I’m thinking lately
The time for leaving is now
Achteraf het best bewaarde grunge-geheim, al beschouw ik de band meer als nazaten van Iggy dan van Ozzy. Every Good Boy Deserves Fudge is het verloren meesterwerk van de stroming. De heren hadden zo hun eigen grunge-war uit te vechten. Zij waren er zo’n beetje als eersten bij, maar na Nevermind was niets meer zoals vroeger. Tot op de dag van vandaag maken ze puike platen voor Sub Pop. Niet goed? Dan toch zeker Good enough!
Keuze Remco Smith: Soul Asylum – Somebody to Shove (1992)
Eeuwig hartjes
Runaway Train is een zeikerig liedje. Dat Bill Clinton in zijn presidentscampagne dat omarde, maakte het niet persé beter. Zanger Dave Pirner vond ik een ongelooflijke aansteller. Met die haren van hem. In de overigens fantastische allstar coverband Backbeat, vanwege die film over de vijfde Beatle, was hij de minste. Greg Duli stond naast hem, Pirner mocht zijn schoenen nog niet poetsen. En dan bleek hij ook nog eens enige tijd het liefje van Winona Ryder, op wie ik een secret crush had.
Echt, eeuwig hartjes voor Winona. Ik vond Dave Pirner gewoon een eikel. Dat laat onverlet dat mijn eerste kennismaking met Soul Asylum echt naar meer smaakte. Man man wat een goed liedje is Somebody to Shove. Dat begin met die out-of-tune gitaar. Het couplet zwanger van spanning. Dat “Waiting by the Phone” in het refrein, wat hakt die er vreselijk lekker in. Goed gezongen, lekker rauw, de juiste energie. “To call me up and tell me I’m not alone”. Wat een “somebody to shove” is? Geen idee. Doet er niet toe. Ik beschouw Soul Asylum maar gewoon lekker als een one hit wonder.
Keuze Marco Groen: Stone Temple Pilots – Dead & Bloated (1992)
Een Tulku op het podium?
Als volleerde laatbloeier zag ik Stone Temple Pilots pas voor de allereerste keer live in 2019. Ze speelden op Graspop. Zonder originele zanger Scott Weiland, want die was op dat moment alweer bijna vier jaar Dead & Bloated. Evengoed stond er iemand op het podium wiens stem en manier van doen die van Weiland behoorlijk dicht benaderde.
Ook in Dessel is er internet en een rondje Google leerde dat het ging om Jeff Gutt, zo ongeveer de Jim Bakkum van de Vervelende Staten. Gutt werd ooit tweede bij American X-Factor en is later opgepikt door de overgebleven leden van de Stone Temple Pilots. Een gevaarlijke keuze, vooral wanneer je bedenkt dat er een soort indianenvloek rust op de functie van zanger in de band. Gutts voorgangers Weiland en Chester Bennington vertrokken allebei vroegtijdig naar de eeuwige jachtvelden.
Gelukkig lag er geen vloek op het concert (tenzij de vloek is dat de ziel van Weiland over lijkt te zijn gegaan in het lichaam van Gutt, wat hem een soort van Tulku maakt). Het was – naast Slayer en The Hu – één van de hoogtepunten van de dag. Uiteraard stond het album Core centraal bij het optreden in het Vlaamse weiland, waarbij ik mezelf een mooie, alternatieve versie van Plush kan herinneren. Ook was er met Gutt een nieuw album opgenomen waarvan het nummer Roll Me Under voorbij kwam. Meteen daarna bereikte het concert zijn kookpunt met het al genoemde Dead & Bloated, een nummer over angst, hopeloosheid en en vervreemding. Ik zong het zo vrolijk mogelijk mee.
Keuze Joop Broekman: Nudeswirl – F Sharp (1993)
One hit fuzz wonder
Een van de vele bands die ik leerde kennen via Beavis & Butt-head, toen dit duo nog lekker politiek incorrect bezig was en niet aan deugen deed: Nudeswirl.
Aan het begin van de jaren ’90 veranderde de gitaarmuziek voorgoed. Vanuit Seattle veroverde grunge de wereld voor een periode van bijna drie jaar voordat andere (sub)genres het overnamen. Nudeswirl wordt in 1988 opgericht en een jaar later komt hun titelloze debuut (Nude Swirl) uit. De donkere, atmospherische en bij vlagen gejaagde sound slaat nog niet aan, dus tekent de band in 1992 bij Megaforce Records. En dan gaat het snel. Als support act op tour met onder andere White Zombie, een podiumplek bij Lollapalooza en vaker te zien op MTV (120 Minutes en Headbangers Ball). En natuurlijk bij het eerder genoemde tekenfilmduo.
In 1993 verschijnt de volgende titelloze plaat, vol met stevige en galmende fuzzrock waar je ook invloeden uit metal en psychedelica hoort. Er zijn een paar tracks van het vorige album meegekomen, waaronder F Sharp, dat als single uitgebracht wordt. De band komt zelfs naar Europa, waar ze als eerste band op de zondag van Dynamo Open Air de festivalbezoekers mogen wakker schudden. Helaas blijft het succes uit en twee jaar later houdt het viertal het voor gezien. Maar vooral hun tweede schijf blijft een ondergewaardeerde parel.
Keuze Freek Janssen: Candlebox – Far Behind (1994)
Verkapte hommage aan Andrew Wood
Andrew Wood is de godfather van de grunge die nooit beroemd is geworden. Want: te vroeg overleden. Vlak voordat allerlei bands (met name uit Seattle) doorbraken, stierf de gedoodverfde rockster in 1990 aan een overdosis. In een parallel universum waarin dit niet was gebeurd, heet Pearl Jam nu nog Mother Love Bone, en is Eddie Vedder op een andere manier wereldberoemd geworden.
In onze versie van de realiteit kennen we Andrew Wood vooral vanwege de vele hommages aan zijn adres, waaronder het Temple of the Dog-project. Candlebox was een soort van eendagsvlieg in de grunge. In 1994 scoorden ze een hitje met Far Behind. Het lijkt te gaan over een relatie die spaak is gelopen, maar ook Far Behind blikt terug op het leven van Andrew Wood. De openingszin Now maybe I didn’t mean to treat you bad was eigenlijk: Andrew, I didn’t mean to treat you bad. Far Behind vond ik altijd een van de hoogtepuntjes van de grunge, los van de usual suspects als Pearl Jam, Nirvana, Soundgarden en Alice in Chains.
Keuze Halbe Kroes: Soundgarden – Let Me Drown (1994)
Het gemis van Chris
Een battle zonder het magistrale stemgeluid van Chris Cornell kan natuurlijk echt niet. Zoals overal al te lezen is, behoorde hij tot de scene waar grunge ontstond. Eind jaren tachtig richtte Cornell Soundgarden op. Met de eerste twee albums brachten ze een meer rock-/metalgeluid. Met het derde album Badmotorfinger en het vierde album Superunknown kwamen ze echt terecht in de grunge.
Dat laatste album uit topjaar 1994 is naar mijn mening echt ontzettend goed. Al ontdekte ik het pas drie jaar na uitgave; daarna wilde ik niets anders meer. Het was een ander geluid dan bij de meeste rockbands: technischer, iets zwaarder en duisterder. Daarbij mag het drumwerk van Matt Cameron niet worden onderschat. Daaroverheen de altijd ferm aanwezige, maar nooit krijsende of overdreven schreeuwende, keel van Cornell.
Er is al veel geschreven en gezegd over deze band en zanger. Het is een van de overledenen in de muziek die ik nog steeds wel mis. Check daarom ook de eerdere podcast (en wat een playlist ook!). Voor nu is wat rest: luisteren naar de muziek. Zet deze plaat nog eens op en laat je verdrinken in de onwaarschijnlijk goede klanken van Soundgarden.
Keuze Jeroen Mirck: The Posies – Everybody Is a Fucking Liar (1996)
Slachtoffer van de grunge
Onlosmakelijk verbonden aan de grunge-beweging is de band die er misschien wel het grootste slachtoffer van werd. The Posies tekenden eerder bij platenlabel Geffen dan het eveneens in Seattle doorgebroken Nirvana, maar werden al snel overvleugeld door Kurt Cobain en consorten. Naar verluidt besloot platenbaas David Geffen hoogstpersoonlijk om al het marketingbudget voor The Posies door te schuiven naar Nirvana vanwege de hogere hitpotentie. Hij had groot gelijk, maar voor die andere band was het zuur.
Echt grunge zijn The Posies eigenlijk niet, maar hun powerpop is wel sterk beïnvloed door de Seattle-scene. Veel distorted gitaren begeleiden de mooie liedjes van het zang- en componistenduo Jon Auer en Ken Stringfellow. De heren zijn schatplichtig aan Lennon en McCartney plus bands als Hüsker Dü en Big Star, maar schuren ook duidelijk aan tegen de grunge. Tegelijk schuurt ook het uitblijven van groot succes. Tijdens de opnamesessies voor zowel Frosting on the Beater (1993) als Amazing Disgrace (1996) wordt de band door Geffen opnieuw de studio ingestuurd om hits op te nemen. De frustratie over de harde muziekindustrie klinkt door in het prijsnummer van dat laatste album: Springfellow spuugt de boze tekst er bijna uit in Everybody Is a Fucking Liar. Klinkt best wel grunge eigenlijk.
Keuze Patrick Schellen: Malle Pietje And The Bimbo’s – Tienerhoer (2007)
Keihard Beuken
Wat is grunge? Mijn eerste associaties waren houthakkershemden en het onverstaanbare gejammer van Eddie Vedder. En van Nirvana ken ik vooral de MTV Unplugged plaat. Een album dat zo vaak verkocht is, dat ik het niet met droge ogen ondergewaardeerd kan noemen.
Maar is er niet iets buiten de clichés? Ik overwoog nog even The Lumberjack Song van Monty Python maar dat is misschien wat té flauw. En ineens schoot deze cover me te binnen. Is dit nog grunge? Het origineel, Teenage Whore, is van de band Hole. De band van Courtney Love. Dat valt zonder meer binnen het genre. De cover is dat misschien niet helemaal meer. Zoals Malle Pietje And The Bimbo’s in de albumtitel vragen: Are You Punk Or Are You Drunk? Als je naar de Nederlandse vertaling Tienerhoer kijkt zou je het laatste vermoeden. De zinsconstructie is niet geheel grammaticaal correct. Boeit dat? Nee, totaal niet wat mij betreft. Het resultaat is een kort nummer met humor. Iets waar het de mannen in houthakkershemden uit Seattle soms toch aan lijkt te ontbreken.
