Social
  • RSS feed
  • Twitter
  • Facebook
 

Ondergewaardeerde Liedjes


De lange intro-battle

Een kort intro voor liedjes met een lange intro: wij houden ervan. Dit zijn de meest ondergewaardeerde.

Keuze Alex van der Meer: Louis Armstrong & His Orchestra – (What Did I Do To Be So) Black And Blue (1929)

Onder de huid

We schrijven er hier wellicht wat weinig over, maar honderd jaar geleden werd ook goede muziek gemaakt. Muziek uit de jaren ‘20 is onderbelicht, echter je kent vast wel wat toppers. Eén van de absolute wereldsterren die in de jaren ‘20 is begonnen? Louis Armstrong!

Als muziek-idioot was ik op Spotify eens begonnen met het samenstellen van playlists met de beste muziek uit de jaren ’60 tot en met de jaren ‘10, maar ik realiseerde me vervolgens dat ik veel decennia onterecht negeerde. Met heel veel plezier ben ik verder teruggegaan naar uiteindelijk de jaren ‘20 van de vorige eeuw. Een wereld ging voor me open. Graag claim ik daarom hierbij nu de ruimte om een paar waanzinnige tips te geven uit die tijd, tracks die je eigenlijk helemaal niet mag missen:
Blind Willie Johnson – It’s Nobody’s Fault But Mine
Bessie Smith – Nobody Knows When You’re Down And Out
Memphis Minnie – When The Levee Breaks 
De muziekliefhebber, of juist de Clapton of Led Zeppelin-liefhebber, herkent de titels van deze nummers. Kwaliteit komt namelijk altijd weer bovendrijven.

Vergeef me het lange intro, maar nu kom ik to-the-point. Mijn jaren ‘20 bijdrage voor deze battle is een track van Louis Armstrong, de fameuze zanger/trompettist. Het nummer Black And Blue is geschreven door Fats Waller. Louis Armstrong nam het voor het eerst op op 22 juli 1929, maar heeft er uiteindelijk meerdere versies van uitgebracht gedurende zijn lange carrière. Geen enkele versie doet onder voor de ander. Het Black And Blue nummer uit 1929 laat een relatief jonge Armstrong horen, maar de klasse druipt er al van af. Het intro omvat de helft van dit nummer, dus lang genoeg om aan deze battle mee te mogen doen. Wat echter het belangrijkste is, het nummer kruipt muzikaal en tekstueel onder de huid.

Keuze Tricky Dicky: Kansas – Song For America (1975)

Lekker lang en lang lekker

Een lang intro…is subjectief. Er zijn liedjes waarbij ik mij verveeld afvraag wanneer eindelijk de zang er in komt om het enige spanning te geven. Ik merk dat dit veel voorkomt in de zeroes en tens. Heel veel gepiel en lange lange lange fade-outs. Slaapverwekkend en (ondanks wat de musici soms zelf denken) weinig artistiek. En tegelijkertijd zijn er geweldige tracks waarvan het intro zou verschrikkelijk goed is dat je wou dat het nog even doorging.

Gevoelsmatig kwam ik toch (weer) in de jaren zeventig terecht en na heel veel afweging had ik de keuzelijst tot drie teruggebracht: Supertramp (Bloody Well Right), Billy Joel (Angry Young Man met dat vlammende pianospel) en Kansas (Song For America). De reden voor de laatste was tweeledig. Ik heb Kansas in 1981 met een geweldig optreden live gezien en met de aanstormende presidentsverkiezingen vind ik Song For America passen. Misschien had het beter Song For The World kunnen heten, want ik moet er niet aan denken dat die polariserende en haatzaaiende psychopatische narcist nogmaals vier jaar de hand aan de knop heeft. Niet dat Biden zo’n geweldige kandidaat is, maar veel slechter kan niet en hij heeft in ieder geval ervaring onder Obama opgedaan. Bovendien is de kans groot dat hij de rit niet zal uitzitten en dan komt er eindelijk een vrouw aan het roer.

Song For America is een grote lofzang op de schoonheid van het land. Althans dat zijn de eerste drie verzen. De vierde en de vijfde veroordelen de plundering en roof van de nationale schoonheid en grondstoffen ten koste van de bewoners, flora en fauna. In de afgelopen decennia is het met name Trump geweest die de industrie lekker zijn gang laat gaan en schijt heeft aan de opwarming van de aarde, de CO2 uitstoot en de rechten van de inheemse bevolking. Over de donkere medemens hoeven we het niet eens te hebben; dat is in de afgelopen maanden duidelijk geworden. Money talks and bullshit walks. Met Trump aan het hoofd van een van de machtigste naties is het beiden. De man heeft in zijn (bijna) vier jaar als president meer dan 20.000 gedocumenteerde leugens verteld. Het zou mij helemaal niets verbazen indien hij helemaal geen Corona heeft (gehad), maar dat dit als de volgende strategie uitgerold is om hem als een sterke man te tonen.

Song For America is in 1975 opgenomen en staat op het tweede album van de band. Het zou uiteindelijk de gouden status bereiken na het succes van Leftoverture (1976). Op het album begint de zang pas na drie minuten, maar op de live-uitvoering uit 2012 komen daar nog 30 seconden bij. Lekker lang en lang lekker.

Keuze Remco Smith: Neil Young & Crazy Horse – Cortez The Killer (1975)

Spotify killed the song intro

Spotify is een ontzettende verrijking. Alle muziek ligt opeens aan je voeten. Geen limieten meer: vrijwel alles is beschikbaar. Van het ene prachtige liedjes stuit je via afspeellijsten opeens zomaar op dat ene liedje waar je nog nooit van hebt gehoord en wat vanaf dan een nieuwe favoriet is van dat moment.

Toch mis ik de tijd nog dat ik muziek kocht. Uren die ik heb besteed bij Kroeze in Nijmegen, de bakken met koopjes afschuimend. Doof een CD kopen omdat ik daar ooit een recensie van had gelezen of in een interview had gezien dat dat iemands inspiratie was. Na het betalen het bezit van de CD. De spanning tijdens het naar huis fietsen: zou dit nu echt zo leuk zijn als gehoopt. Het geblader in de bijgeleverde boekjes. Muziek die daarmee een onderdeel werd van eigen identiteit. Dat is met Spotify wel een heel stuk minder maar misschien praat hier de sentimentele voorbij-mid-veertiger met teveel nostalgie in zich.

Waar ik geen nostalgie naar heb, is het ellenlange intro. Ik zou best zonder Jeff Wayne’s Eve of the War kunnen. Of zonder Baker Street. Of zonder Pink Floyd. Die minutenlange opmaat naar de eindelijke start van het liedje. Het intro dat maar door lummelt en lummelt. Het is eigenlijk geen doen. Het is echt zo’n jaren ’70 dingetje. En laten de jaren ’70 muzikaal nou niet mijn kopje thee zijn. Voordat je het weet ben je opeens iets aan het schrijven over Yes of Genesis of Dire Straits ofzo. Nee liever niet. Laat nou Spotify er voor hebben gezorgd dat de ellenlange intro’s tot het verleden behoren. Een liedje moet binnen een paar tellen pakken want anders verdient de maker er niets aan. Dank Spotify, ik ben er blij mee.

Niet alles van de jaren ’70 vind ik niets. Via de grunge heb ik Neil Young leren kennen. Ik heb hem nog live gezien, in Ahoy, met Alanis Morissette als voorprogramma nota bene. Als ik dan toch maar iets met een intro moet doen, dan maar van hem. Cortez The Killer. Drie minuten lang intro, die zou je kunnen doorscrollen. Ach, misschien uit eerbied voor ome Neil toch maar uitzitten.

Keuze Willem Kamps: Banco – Metamorphosis (1975)

Eindelijk zang

Een lang intro? Ik dacht meteen aan het Italiaanse Banco. Alleen, het is niet bepaald een liedje. Op enkele seconden na duurt het een kwartier en bij een liedje denk ik aan een song van enkele minuten, met kop en staart, coupletten, een brug en een terugkerend refrein. Toch ga ik voor Banco met Metamorphosis omdat het een idioot lang intro kent. Meer specifiek: het instrumentale stuk voordat de zang erin komt, want die aanloop op zichzelf heeft weer een eigen intro dat al een kleine twee minuten in beslag neemt. Dus ja, wil je een lang intro dan zal je het weten ook.

Banco, voluit Banco Del Mutuo Soccorso (de bank voor wederzijdse hulp), behoort samen met Premiata Forneria Marconi en Le Orme tot de grote drie van de Italiaanse jaren zeventig progbands. Banco mixt rock, jazz en klassiek en daar is Metamorhposis een prachtig voorbeeld van. Een stevig jazzrock intro dat uitmondt in een lichtvoetige klassieke pianopartij van de gebroeders Vittorio en Gianni Nocenzi die weer evolueert tot avant garde jazz. Dan een herhaling van deze passage met een synthesizer die eerst dartelt maar steeds zwaarder aanzwelt en bij de derde variant komt er een lekkere fuzz-gitaar over het Hammondorgel heen.

Metamorphosis staat op hun debuutalbum. Ik kocht het in de Haagse Boekhorststraat bij Manus, de meest maffe platenzaak die ik heb gekend. Voorin een stripshop, dan door een nauw donker gangetje, met op de vloer een dikke laag schuimplastic zodat je het idee had in een spookhuis beland te zijn. Al wankelend kwam je in de platenzaak, een schemerige ruimte met allerlei spul op sterk water, op plankjes en in kastjes boven de platenbakken. Helemaal achterin stond Manus, altijd met een peuk in z’n mondhoek, achter een toonbankje waarvoor steevast een man of vier aan het bier zat. Luisteren deed je op een oude sofa via koptelefoons uit het plafond. Het was elke keer een feest om zo onbekend spul te horen. Zo ook Banco.

Na de hemelse opener, Chorale, zat ik al met een natte broek en pakte ik in gedachte mijn portemonnee. Deze plaat ging hoe dan ook mee. Maar terug naar de metamorfose, track drie van kant A. Deze is nog niet voltooid. Ook het jazzrockintro wordt herhaald en transformeert dan tot een adagio waar Bach jaloers op zou zijn, om weer op te vlammen voor de entree van Francesco Di Giacomo; op 13.05 minuut eindelijk zang. Een tenor ergens tussen Andrea Bocelli en Luciano Pavarotti. Na krap één minuut zit het er alweer op voor Francesco, en na het korte uitbundige uptempo outro zit het erop, maar wat kan wederzijdse hulp toch tot iets waanzinnigs leiden!

Keuze Marco Groen: Van Halen – Eruption/You Really Got Me (1978)

De Krakatau met snaren

Minsten twee generaties sologitaristen hebben hun muzikale opvoeding mede te danken aan Edward Lodewijk van Halen. Hij is weliswaar niet de eerste persoon die two-hand-tapping (een viooltechniek) hanteerde op de gitaar, maar perfectioneerde het wel en bracht het onder aandacht van een groot publiek. Het zette een nieuwe standaard bij de gitaarles.

Hoe anders had het gelopen als Eddie niet in zijn jeugd een veel te duur drumstel had gekocht. Pianoles vonden ze maar niets. Broer Alexander kocht een gitaar en Eddie zou op de trommels gaan. Om het drumstel af te betalen nam de jongste een krantenwijk, wat Alex de gelegenheid gaf om lekker op het slagwerk te rammen. Al snel bleek dat Alex hier meer talent voor had dan Eddie, waarna de rollen werden omgedraaid. In een universum zonder krantenwijk bestaat dus de kans dat Eddie ‘een’ drummer was gebleven en Alex ‘een’ gitarist. In dat universum zou hun bekendheid dan wellicht niet verder zijn gekomen dan wat obscure poppodia in Santa Monica.

Het liep gelukkig anders. Eddie werd een van de meest iconische gitaristen van dit decennium; Alex werd een drummer. Zet er een basgitarist en een prettig gestoorde zanger bij en je hebt een band die de familienaam tot ver buiten Nijmegen en Amsterdam bekendheid gaf. Als jochie kwam ik via het onvermijdelijke cassettebandje in aanraking met hun eerste album: Van Halen. Een album waar ik later een elpee en – weer later – een CD van zou aanschaffen. Van Halen met het album Van Halen drong door tot in de vezels van mijn muziekneuronen. Nummers als Atomic Punk, het onbescheiden I’m The One en On Fire had ik niet eerder gehoord. Totaal anders dan wat dan ook in die tijd. Voor de rust werden daar rustige nummers zoals Little Dreamer en Ice Cream Man tussen geperst, zodat het met de balans wel goed zat.

Het meest in het oor sprong Eruption: een hallucinant puur stuk geweld op een gitaar wat in die tijd volkomen ongekend was. Het product van een totaal onafhankelijke geest in een wereld waarin Mull Of Kintyre zo’n beetje alle lijsten aanvoerde. Ondragelijk voor lui die zijn opgegroeid met Guy Mitchell of Frankie Avalon, niet minder dan een bevrijding voor de liefdesproducten van de Flower Power-generatie. De geniale herrie-schopperij werd onmiddellijk gevolgd door een cover van het nummer dat beschouwd wordt als het eerste hardrocknummer ooit: You Really Got Me. Als jochie was ik ervan overtuigd dat dit pareltje afkomstig was uit het brein van de Nederlands/Amerikaanse broers. Het zou nog lang duren voordat ik ‘ontdekte’ dat ie eigenlijk van The Kinks afkomstig was. De versie van Van Halen ‘wint’ het, wat mij betreft. Het nummer was een springplank voor de band naar het grote succes.

Iets minder dan zes dagen geleden (6-10-2020) stierf Eddie aan de gevolgen van kanker. Desondanks zitten er nog steeds twee mensen met de naam Van Halen in de band: zoon Wolfgang was de bas gaan spelen en had hier geen krantenwijk voor nodig. Zijn redelijk ongebruikelijke naam is een hommage aan Wolfgang Amadeus Mozart, wat heel goed een overblijfsel zou kunnen zijn van de vervloekte pianolessen. In het onderstaande clipje uit 2015 treed de band op met de drie familieleden en, als je goed kijkt, dan zie dat de zanger David Lee Roth is. Het is niet de beste versie die je ooit gehoord hebt, het gaat even om de combinatie.

Keuze Henk Tijdink: The Pogues – Hell’s Ditch (1990)

Mooi lelijk

Een van de eerste lessen in communicatie is dat de inhoud en de vorm van de boodschap die je ter berde wil brengen in overeenstemming moeten zijn met elkaar. En in Hell’s Ditch laat Shane MacGowan zien dat hij dat hij dat als de beste kan.

Het is een gedicht waarin beschreven wordt hoe gruwelijk het leven in de gevangenis was ten tijde van de Spaanse burgeroorlog: duister, sinister en ontdaan van elke vorm van decorum. Shane verwijst in de tekst direct naar de Franse schrijver Jean Genet en diens debuut Our Lady Of The Flowers, maar ook indirect is de sfeer van het boek goed verwerkt in het nummer.  In Our Lady Of The Flowers beschrijft Jean Genet de Parijse onderwereld. Een plek waar mensen met, destijds onacceptabele, afwijkende seksuele normen zich ophielden. Een plek zonder enige normen en waarden, vol dood en verderf. Een plek waar de humaniteit geleidelijk verdwijnt. Ofwel: de hel.

Life’s a bitch, then you die
Black Hell
Hell’s ditch – naked howling freedom

Wat het nummer nog meer kracht geeft is dat Shane MacGowan verschrikkelijk mooi “lelijk’ kan zingen, als je dat woord al wil gebruiken voor zijn vocale capaciteiten. Maar hierdoor wordt de inhoud van het gedicht versterkt en komt de sfeer van het nummer goed binnen en kruipt onder je huid. Welbeschouwd is Hell’s Ditch meer spoken word. Na een instrumentale introductie van ruim anderhalve minuut, waarin de unheimische sfeer al voelbaar is, brengt Shane met rauwe stem het gedicht. En dat duurt slechts 46 prachtige seconden.

Keuze Vincent van der Vlies: Slayer – Seasons In The Abyss (1990)

It rules!

Omdat Freek Janssen Michael Kiwanuka voor mij wegkaapte ging ik nadenken over een alternatief en zo komt dat ik in plaats van iets fijnbesnaards, iets met een lange metal intro doe (en waarom ook niet)? En als je dan aan Slayer denkt, denk je altijd aan Angel Of Death, War Ensemble, of Raining Blood (een mooie top drie van songtitels ook) en minder snel aan Seasons In The Abyss.

Okée, eerlijk is eerlijk, ergens snap ik wel dat deze minder populair is. In tegenstelling tot die andere drie die direct en hard beginnen heeft Seasons een trage intro en borduurt eigenlijk voort op een nummer als South Of Heaven (ook een toppertje natuurlijk) van het gelijknamige voorgaande album. Beide hebben een langzaam en lang intro en meerder tempowisselingen. Toch is Seasons een van mijn persoonlijke favorieten. Dat heeft ook te maken met het feit dat het nummer makkelijker te spelen is op de gitaar dan andere van hun nummers en het een van de eerste metal nummers was die ik kon spelen op de gitaar. Zeker het refrein is voor iedere gitarist goed te doen, maar tegelijk ook heel interessant qua melodie omdat deze uit noten bestaat die dicht bij elkaar staan op de toonladder.

Maar het is ook het intro! Het intro is dik twee minuten en bestaat in eerste instantie uit variaties op een zelfde donkere melodie in twee octaven. Dit wordt gevolgd door een akoestisch stukje waarna het nummer verder opbouwt in een uptempo stuk en uiteindelijk het nummer start. Het intro laat een duistere sfeer achter waarbij je weet dat het natuurlijk een onmiskenbaar kenmerk is van een band als Slayer, maar tegelijkertijd ook heel knap is, omdat het altijd blijft boeien. Er is steeds weer een nieuw element dat toegevoegd wordt, waardoor ook steeds de sfeer iets verandert. Zelfs Beavis en Butthead hebben er in hun bespreking van videoclips wel eens een aantal woorden aan gewijd, waarbij in de (niet al te beste in Egypte opgenomen clip) een ruiter te paard door hen aangespoord wordt om de band uit de woestijn te schoppen, omdat ze niet luid genoeg spelen. Maar the beginning part rules. It rules! (bewijs). En wie durft deze bekende muziekcritici tegen te spreken?

Keuze Alex van der Heiden: The Gathering – Sand And Mercury (1995)

Een prima uitvaartlied

Dat er op mijn uitvaart vooral goede muziek gedraaid moet worden is voor mij een vaststaand feit. Ooit had ik bedacht dat Sand And Mercury van The Gathering daar dan gedraaid zou worden. Inmiddels ben ik daar niet meer helemaal zeker van, maar dat komt vooral doordat de keuzes steeds groter worden en er natuurlijk ook andere aspecten in je leven komen zoals liefde en kinderen.

De gedachte om dit nummer op een begrafenis te draaien vond en vind ik vooral komisch, omdat ik het me helemaal beeldend kan voorstellen hoe de mensen die afscheid nemen steeds ongemakkelijker worden. De uitvaartbegeleider of een nabestaande heeft het liedje aangekondigd, omdat de tekst en zang zo mooi passen bij dit event.

De muziek begint rustig te spelen en klinkt heel mooi, sereen en aangenaam. Je kunt horen dat het een rockband is en je denkt aan een mooie ballade. Dat klopt ook wel, want na 50 seconden komt er een duidelijke melodie door, dus dan zal die prachtige tekst en zang wel beginnen. Nee toch niet, nog even goed luisteren. Oh wacht na nog eens 30 seconden zwelt de muziek aan, nu gaat het komen waarschijnlijk. Mensen beginnen wat te schuifelen, voorzichtig wordt gekeken naar de familie van de overledene en dan na weer 30 seconden wordt de muziek weer rustig. Oké, dan zal de zang wel komen, even genieten nog van deze prachtige klanken… Of wacht, de prachtige klanken hebben nu weer een halve minuut geduurd en de muziek zwelt aan en begint wat bombastisch te worden. Waarschijnlijk, de overledene kennende, breekt nu een hartverscheurende metalstem los en….. nee, of toch, ja na nog eens 30 seconden…. Nee toch niet, het is een soort achtergrondkoor, maar nog niet echt sprake van zang. Wel zijn de gitaren gaan pompen, dus we zullen nu wel een keer bij het beloofde lied aan zijn gekomen. Maar nee, de pompende gitaren houden driekwart minuut aan en gaan dan over in een metalritme. Deze twee variaties wisselen elkaar nog ruim een minuut af om tot een resolute stop te komen. Hé? Einde van het nummer? Er kwam toch zang? Heeft de uitvaartbegeleider van deze uitvaart zich vergist? O nee, het gaat toch door met hele kalmerende zen-muziek. Bezoekers beginnen met elkaar te fluisteren of dit nu wel het juiste nummer is, want waar blijven die mooie teksten? Nu zal het wel komen…. O nee toch niet, er komt na 40 seconden voorzichtig wat gitaar bij deze yoga muziek. Nu dan misschien? Nee? Ja?… Weer 20 seconden, 30 seconden, 40 seconden…….

My dear, don’t leave me now
Close at the edge of my end
All this time you have been my friend
Don’t go, stay for a while

Het tweede couplet is minstens zo mooi en beschrijft het laatste uur van samenzijn en de vraag om een omhelzing. Mochten de aanwezigen bij de uitvaart nu hun aandacht er nog bij hebben dan zouden ze mogelijk een traantje wegpinken, maar het ligt meer in de lijn der verwachting dat iedereen zo ongemakkelijk is geworden, dat dit totaal niet meer doordringt, behalve voor de échte muziekliefhebber die meer dan negen minuten intens heeft geluisterd en genoten van dit epische nummer. De afsluiting moet je écht je best voor doen, om ten volle te verstaan. Dat is een fragment uit een BBC interview met Tolkien en refereert aan de essentie van The Lord of The Rings. Het betreft een filosofische uitspraak van Simone de Beauvoir uit A Very Easy Death en Tolkien citeert: There is no such thing as a natural death. Nothing that happens to Man is ever natural, since his presence calls the whole world into question. All men must die, but for every man his death is an accident. And even if he knows it and consents to it, an unjustifiable violation.

Keuze Marcel Klein: Spock’s Beard – The Doorway (1996)

Verkeerde been

Een battle over lange intro’s; die kan ik niet aan mij voorbij laten gaan. Vele progressieve rockbands hebben die gemaakt en de keuze is dan lastig, ik zou er wel een paar kunnen schrijven, maar ik heb gekozen voor het nummer The Doorway van Spock’s Beard.

Het is halverwege de jaren ’90 als de band langzamerhand in beeld komt. Via het label van IQ (Giant Electric Pea) worden twee albums uitgebracht van een onbekende Amerikaanse band. Hun debuutalbum heet The Light en de opvolger Beware Of Darkness. Op hun debuut staan lang uitgesponnen nummers met lange intro’s, maar ik heb gekozen voor mijn favoriete nummer van deze band The Doorway, afkomstig van hun tweede album.

Voor bij wie het kwartje nog niet is gevallen, de voorman van deze band heet Neal Morse. Een bekende naam in de progwereld. Niet alleen betrokken bij deze band, maar bijvoorbeeld ook bij Transatlantic (met Mike Portnoy van Dream Theater), maar ook (sinds vele jaren) als solo-artiest  waarbij hij met name over zijn christelijk geloof zingt. Maar hij heeft een eigen stijl met lang uitgesponnen nummers, waarbij hij wordt omringt door een uitstekende groep muzikanten.

Bij Spock’s Beard had hij die ook al, en dat is ook in dit nummer te horen. Het begint allemaal heel rustig met piano, en het duurt een minuut voordat de synths en gitaren er bij komen en zorgen voor een intro wat dusdanig lang is, dat de gemiddelde top 40 song alweer voorbij is. Als de zang van Neal Morse uiteindelijk invalt, krijgen ook drums, bas en gitaren definitief de ruimte. Rauw, maar net als het nummer over lijkt te gaan in een normale rocksong komt de piano terug en gaat een akoestische gitaar verder. Zo heeft dit nummer verschillende snelheden en lagen en blijft het tien minuten lang genieten. Elke keer wordt je al luisteraar weer op het verkeerde been gezet en zelfs als het nummer afgelopen lijkt te zijn, komt er nog een instrumentaal outro wat uiteindelijk weer terugkeert bij het thema van het intro.

The Doorway is een optimistisch nummer. Waar de thematiek vaak donker is, lijkt dit wel een eerste doorkijkje van Neal Morse naar het Christelijk geloof. Aan de andere kant kan dit ook zomaar eens een mooie liefdesverklaring zijn. Maar wat het ook is, het is een meer dan uitstekend nummer, wat perfect aangeeft waar Neal Morse allemaal toe in staat is.

Keuze Joop Broekman: Turbonegro –  The Age of Pamparius (1998)

Vol verwachting klopt het hart

Een lang intro past uitgesproken goed bij rock en metal. Het is een voorbode van wat komen gaat, een inleiding op wat komen gaat. Aktie, spektakel, er staat iets op uitbarsten. Klaar om uit jouw speakers te knallen, zó jouw oren in. Een lang intro is als een amuse in een goed restaurant: it promises delight to come. De Engelsen kunnen dat zo mooi zeggen, he.

En nog wat anders: een lang intro is ook erg geschikt om je optreden mee te beginnen. Zeker als het een van je beste songs is. Dan weet je als fan dat het wel een meer dan fijne avond moet worden. Voor een blogger met een brede smaak iets minder fijn, wanneer er een keuze voor een stukje gemaakt moet worden. Ik had al twee titels in mijn hoofd, en heb voor de vorm nog even voor de kast gestaan. Ook op Spotify door de playlists gescrolled, maar eigenlijk was de keuze makkelijk. Een band met een cultstatus, en een uitstekende live-reputatie. Want spelen, dat kunnen deze Noren wel.

Eigenlijk was het album Apocalypse Dudes een blinde aankoop. Jij kan hier prima tegen, deze gasten weten wat rocken is, zei iemand er nog bij. Turbonegro bestaat dan al een paar jaar, ik kende ze nog niet. Maar na het beluisteren van de eerste drie tracks ben ik óm. Wat een power, wat een sound. Een plaat waar ik nog nu steeds energie van krijg. Stevige punkachtige rock, waar in de voorgaande jaren wel wat aan geschaafd was omdat de nadruk eerst nog meer op punk lag. Met het bijbehorende geluid. Toch betekende het twee jaar eerder al hun doorbraak met Ass Cobra. Tsja, die titels en vooral hun songteksten, de band heeft het niet zo op politiek correct zijn. Als een nummer al ergens over gaat, dan is het politiek correcte meer dan geschikt om goed de draak mee te steken.

Ik weet nog dat ik totaal niet wist wat ik moest verwachten toen ik voor het eerst naar Apocalypse Dudes ging luisteren. Het langzame intro laat een wijds spectrum van toetsen en gitaren horen, waar dan nog een voorzichtige basslijn en een hihat-aanslag bij komen. Na een ruime minuut kondigt zanger Hank von Helvete fluisterschreeuwend de Apocalypse Dudes aan. En breekt de hel los. Een jaar later komt de meer dan uitstekende live-plaat Darkness Forever! uit. Je mag maar één keer raden waarmee de band opent.

Keuze Freek Janssen: Michael Kiwanuka – Cold Little Heart (2016)

IJzingwekkend mooi

Lange intro’s hebben vaak iets joligs. En dat bedoel ik op een goede manier. Zo van ‘we zitten even lekker met elkaar te jammen, oh wacht, waren we eigenlijk een liedje aan het opnemen? Ga nog eens even zingen dan’.

Luister maar eens naar Sound And Vision van David Bowie. Je hebt bijna het gevoel dat je stiekem zit mee te luisteren met een lekkere jamsessie. October van U2: idem. The Edge zit even te pielen, een prachtig stukje piano te spelen. Bijna op het eind bedenkt Bono zich dat ie ook nog even wat tekst erin moest droppen.

Cold Little Heart van Michael Kiwanuka is anders. De helft van het bijna tien minuten durende nummer bestaat uit een intro die uiterst zorgvuldig is opgebouwd. Aan het eind, zo rond 4:23, hoor je een ijzingwekkend mooie twist, die wat mij betreft behoort tot het mooiste wat het afgelopen decennium ons heeft gebracht.

Gelukkig zijn steeds meer mensen daarvan overtuigd. Dankzij een oproep van Rob Stenders haalde het vorig jaar de 67ste plek in de Top 2000, ondanks dat het als single niet eens de Top 40 haalde.

 
 

2 Comments

  1. Louis Armstrong hoort eigenlijk niet in deze lijst. Wat hier een intro wordt genoemd, is gewoon de instrumentale solo. Die is in de jazz hoofdzaak, niet bijzaak. Dat hij ook nog het liedje waarop ze jammen zingt, dát is bijzaak.

    Mij schiet meteen de “Drieteriejeblues” van Normaal te binnen. Daarvoor geldt trouwens iets soortgelijks: de lange gitaarsolo aan het begin is ook meer dan voorspel. Maar ter zake: dit nummer was het choquerende debuut van Normaal: bluesrock in het Achterhoeks, met een tekst die alleen over poep ging: “Ik zat laatst te drieten op de plee.” Als er toen al in het dialect werd gezongen, dan was het Driekusman, polka op klompen met de accordeon erbij, zoals ze rond 1900 deden. Tegenwoordig hoort boerenrock bij het oosten als paasvuren en droge worst, maar toen… je kunt je gewoon niet voorstellen wat er schok er door het publiek moet zijn gegaan!

  2. Willem Kamps

    Voordat ik factcheckers op m’n nek krijg; Manus zat in de Koningsstraat in Den Haag, het verlengde van de Boekhorststraat. Desalniettemin blijft het de meest weirde platenzaak ooit.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.