Social
  • RSS feed
  • Twitter
  • Facebook
 

Ondergewaardeerde Liedjes


De Ierland-battle

Die andere jaarlijst heeft het netjes voor ons op een rij gezet: Ierland heeft, na de V.S., de U.K. en Nederland, het grootste aandeel, meer nog dan bijvoorbeeld Canada, Australië, Zweden of België. Niet slecht voor een eiland met krap zes miljoen inwoners. Dus is het méér dan terecht dat we dit land vandaag even op een voetstuk plaatsen in de vorm van een muzikale battle, en een fraaie bloemlezing samenstellen van Ierse muziek.

Ierland heeft een indrukwekkende muzikale erfenis, die teruggaat tot de Keltische roots. Uiteraard is muziek uit Ierland zeer divers, maar het lijkt haast wel of het vaak muziek is met een extra ruw randje, muziek dat meer uit het hart komt dan uit het hoofd. Het is natuurlijk een land dat vaak klappen kreeg, van bijvoorbeeld grote buurman Engeland, voortdurende leegloop door grote migratiestromen, of nog niet zo heel lang geleden een jarenlange alles verlammende burgeroorlog. Of al die tegenslag de reden is dat er zoveel mooie muziek uit Ierland komt?

Keuze Erwin Herkelman: Gilbert O’Sullivan – Matrimony (1972)

Aan ons lijf geen polonaise

Met de Ierland-battle in het verschiet, ging ik er eens goed voor zitten. Vriendin de deur uit, dochtertje op bed en de LP van Gilbert O’Sullivan op de platenspeler. Ik had de laptop op schoot en was dan ook helemaal klaar om de woorden uit mijn vingers te laten vloeien.

Maar na de eerste vier nummers van kant A van Himself en geen enkel woord op papier zette ik het af. Het was te veel. Zijn bijzondere stemgeluid begon me te irriteren. En dat terwijl ik toch diverse plaatjes van de zanger in mijn favorietenlijstje heb staan. Nothing Rhymed, Alone Again (Naturally), Clair… Matrimony. Ik vind ze allemaal leuk. Alleen voor mij dus liever niet achter elkaar. Neemt niet weg dat de liedjes van de zanger, in de seventies standaard getooid met bloempotkapsel en in jaren ’30-outfit, mij zeker wel bekoren. Met name het vrolijke Matrimony. Een liedje over een ‘huwelijk’ zoals wij dat óók hebben gevierd. Nou ja, een geregistreerd partnerschap.

Geen opsmuk, geen feest, niet de gehele dag in het middelpunt van de belangstelling. We moesten er ook niet aan dénken. Niets voor ons. Gewoon, de liefde tegen elkaar uitspreken op een zonnige donderdagochtend in maart in het plaatselijke gemeentehuis was voor ons genoeg. En ja, het was óók wel handig dat we dan verder niet van alles hoefden te regelen voor de nalatenschap voor ons aankomende dochtertje.

Nee, wij waren niet van een huwelijksaanzoek op de top van een of andere imposante berg. Niet van een ceremonie op een über-romantische locatie. Niet van een feest waarin wij de liefde zouden vieren, te midden van vrienden en kennissen, gekleed in een strak kostuum en een prachtige witte bruidsjurk. Doe normaal. Zonde van ons geld.

Keuze Der Webmeister: Stiff Little Fingers – Alternative Ulster (1978)

Punk als verbindende factor

Stiff Little Fingers waren eind jaren zeventig een punkrockband uit Belfast, en die stad was toentertijd het episch centrum van de Noord-Ierse Burgeroorlog tussen Katholieken en Protestanten. Voortgekomen overigens uit een coverbandje dat hoofdzakelijk Deep Purple-covers speelde. Ik kan het me nauwelijks voorstellen.

Alternative Ulster is een vaste waarde in de jaarlijkse Snob 2000, en tekstueel is het een klassieke punksong, als we punk enig sinds breed en tijdloos mogen opvatten. Het handelt over verveling, niks te doen te hebben en nergens heen kunnen. Dat laatste nog eens extra versterkt met verwijzingen naar de politie en het leger die in de straten van Belfast patrouilleerden. Muziek was in die jaren één van de weinige verbindende factoren tussen de strijdende partijen, en concertzaaltjes waren één van de schaarse plekken no mans-land waar zowel Katholieken als Protestanten samenkwamen. Het lijkt een beetje op het verhaal over een voetbalpartijtje tussen de loopgraven in de 1e Wereldoorlog.

Nothin’ for us in Belfast
The Pound’s so old it’s a pity
OK, there’s the Trident in Bangor
Then walk back to the city
We ain’t got nothin’ but they don’t really care

Al sinds de jaren ’50 waren Pop & Rock een doorn in het oog van beide strijdende religieuze partijen, en Punk was natuurlijk helemáál muziek van de duivel. Voor de jeugd van Noord-Ierland werd Punk, althans voor even, een uitweg uit het claustrofobische sektarische geweld van alledag, een derde verbindende stroming, naast de Protestanten en Katholieken. En punkzaaltjes in Belfast werden de vrijplaatsen voor dit harmonieuze gedachtegoed, een Alternative Ulster in letterlijke zin. Zelfs Punkbands van buiten Noord-Ierland kwamen in die tijd massaal in Belfast optreden omdat dat hun Punk-imago ten goede zou komen. Zo liet The Clash zich maar al te graag fotograferen tussen militaire voertuigen in de stad, voor de nodige street-credebility.

Alternative Ulster werd door dit alles min of meer het onofficiële volkslied van Noord-Ierland, omdat de jeugd aan beide zijdes van het front zich in het lied herkenden en het om die reden omarmden.

Keuze Jan-Dick den Das: Thin Lizzy – Róisin Dubh (Black Rose): A Rock Legend (1979)

Heldenepos

Roisin Dubh is een politiek lied geschreven ergens in de 18de eeuw. Roisin Dubh, een dochter zo gaat het verhaal, van de Graaf van Tyrone. Een lied waar de Rosin Dubh, The Black Rose een metafoor is voor Ierland. Het verhaal Roisin Dubh was de inspiratie voor het nummer Black Rose van Thin Lizzy.

Thin Lizzy een band uit Ierland met als standplaats Dublin. De band heeft vele bezettingen gekend maar laten ik me hier beperken tot de tijd dat het nummer Black Rose werd opgenomen. De onvolprezen Phil Lynott met zijn typische stemgeluid en tevens bassist heeft de band altijd aangevoerd. Gary Moore en Scott Gorham op gitaar, Brian Downey op drums. Een bezetting waar je u tegen zegt. Phil Lynott en Gary Moore, een Noord-Ier, zijn verantwoordelijk voor Black Rose. In feite een aaneenschakeling van traditionele Ierse liedjes. een hymne over Ierland, The Black Rose.

Veel Ierser kan het niet worden, de tekst geschreven door Lynott die toch wel poëtische kwaliteiten mag worden toegedicht, staat bol van verwijzingen naar Ierse helden.

Pray tell me the story of young Cuchulainn
How his eyes were dark his expression sullen

Cuchulainn is belangrijkste held en halfgod uit de Ulstercyclus: een verzameling Oud-Ierse verhalen rondom de regering van Conchobar MacNessa, de daden van Cú Chulainn en de voortdurende conflicten tussen de Ulaid en de Connachta. De legendes van lang geleden, Phil wil het weten zodat hij de geschiedenis van het land waar hij zo trots op is weer door kan geven aan zijn kinderen.

Oh Tell me the legends of long ago
When the kings and queens would dance in the realms of the Black Rose
Play me the melodies so I might know
So I can tell my children, oh

Het nummer is geschreven in 1979 en de Ierse helden uit de 20ste eeuw worden niet vergeten. De schrijvers James Joyce, William Butler Yeats, Oscar Wilde en Brendan Behan worden prominent genoemd. Voetballer George Best, volgens vele een van beste ter wereld, en daarnaast ook bekend van vrouwen en drank wordt door Lynott niet overgeslagen. Van the Man kennen we natuurlijk allemaal, de soms wat nukkige muzikant Van Morrison.

But Van is the man
Starvation once again
Drinking whiskey in the jar-o
Synge’s Playboy of the Western World

Play of the western is een toneelstuk van J.M. Synge, dichter en schrijver. Bij de eerste uitvoering 1907 braken er rellen uit, aangewakkerd door Ierse nationalisten en republikeinen die de inhoud van het stuk beschouwden als een overtreding van de openbare zeden en een belediging tegen Ierland. En natuurlijk komt Whiskey In The Jar ook nog even langs. Een epos over in Ierland met de helden van vroeger en nu opgetekend in een pakkende song van een kleine zeven minuten.

Prachtige en heerlijke gitaarlicks en je herkent de traditionele muziek verpakt in een heerlijk stevig jasje. Thin Lizzy bewijst hier een grote eer aan het land waar ze vandaan komen, waar ze trots op zijn, waar ze van houden. Hun Zwarte Roos, hun Ierland. Het is gewoon prachtig, zonder opsmuk, maar eerlijk, rauw en je waant in die pub en ziet de mensen het biertje drinken en dansen. Phil heeft het over the legends, helaas zijn the legends Phil en Gary niet meer onder ons, maar The Black Rose, Roisin Dubh weet wel raad met zijn helden, sinds 2005 staat er in Dublin een standbeeld van Phil Lynott en wordt er ieder jaar op zijn verjaardag een tribute-concert gegeven door verschillende bandjes.

Keuze Remco Smith: In Tua Nua – Seven Into The Sea (1986)

Huiswerk op mijn bureau en radio aan

Ierland. Land van gras. Van dorpjes met geverfde gevels. Land van de onmetelijke en ruwe rotskust, met kliffen die klinken als een metalsong: The Cliffs of Moher. Met net buiten Dublin alleen maar B-wegen waar de locals als dwazen doorheen jagen. Land van rockmuziek met violen. The Pogues. The Dubliners. Het is al weer een jaar of wat dat ik er voor het laatst was, maar ik vond het er prachtig.

Muziek uit Ierland was best vergelijkbaar met de muziek uit Groot-Brittannië, maar had een randje. Iets schurends wat die muziek extra interessant maakte. Bandjes als The Waterboys of Hothouse Flowers hadden niet uit Londen kunnen komen, gevoelsmatig. De plek om dat soort muziek in de jaren ’80 tegen te komen was de VARA, op de dinsdag. Ruimschoots voor de horizontale programmering die 3FM en Radio 2 kenmerken, had iedere omroep zijn eigen dag. Iedere dag had daarmee zijn eigen kleur. Ik heb daar nog wel eens heimwee naar. Robin Albers op maandagmiddag, Jeroen van Inkel op de vrijdagochtend. Het waren kenmerkende stemmen die speciaal waren voor die dag. Voor VPRO op de woensdag was ik, denk ik, te jong. Fons Dellen en Lotje IJzermans draaiden muziek die ik echt niet begreep.

Voor de licht-alternatieve muziek was de dinsdag de dag. De VARA. Met Twee meter de lucht in en daarna De Verrukkelijke 15. Dat waren de programma’s waar net die liedjes werden gedraaid met de twist. Met het beetje schurende randje. Bandjes zoals In Tua Nua. In mijn herinnering een typische eendagsvlieg. Maar wat een ontzettend fijn liedje was Seven Into The Sea. Ook hier weer met net een rafelrandje wat je in de Britpop niet had aangetroffen. Een gitaartje dat doet denken aan de oude U2. Uiteraard een viool. New Wave maar met die overduidelijke Ierse twist. Een liedje dat mij direct weer terugbrengt naar mijn tienerkamer, huiswerk op mijn bureau en radio aan.

Keuze Marèse Peters: Luka Bloom – An Irishman In Chinatown (1990)

Jeugdzonde? Zonde!

Denkend aan Ierland zie ik groene dalen laag door oneindig bergland gaan. En hier en daar een pub. Ik heb goede herinneringen aan een vakantie in Ierland in de jaren ’90: liftend (dat kon toen nog) van de ene mooie plek naar de andere. Ultieme vrijheid. En het weer deed ook best aardig mee.

Vraag je me naar mijn eerste muzikale associatie bij Ierland, dan komt er niemand anders bij me op dan de sympathieke bard Luka Bloom. Hij timmert al meer dan 30 jaar aan de weg en doet dat op zijn eigen onnavolgbare manier. De man en zijn gitaren (hij geeft ze steevast vrouwennamen) spelen overal; geen ruimte is hem te klein, geen festival is hem te groot. Hij was al authentiek voordat dat hip was. Hij is romantisch en idealistisch zonder dat het irritant wordt. Ik schreef al eens eerder over mijn liefde voor Luka.

Zijn oeuvre bestaat inmiddels uit zo’n 20 albums. Hier kies ik voor een nummer uit zijn beginperiode. Het album Riverside staat vol met folky-ambachtelijke en toch ook verrassend stevige liedjes. An Irishman In Chinatown springt eruit vanwege zijn lichtvoetige en charmante bescheidenheid.

Bij een van de vele gelegenheden waarop ik Luka live heb zien optreden, riep er iemand uit het publiek om dit nummer. Nooit is Luka te beroerd om iets te spelen, maar hierover zei hij: Iedereen mag een jeugdzonde op zijn naam hebben staan. En dit is de mijne.

In de jaren daarna heb ik me suf gepiekerd over de reden waarom hij dit nummer als een jeugdzonde zou kunnen zien. Te veel een niemendalletje? Spijt van een eventuele stereotypering van de Chinese vrouw waarmee hij een (denkbeeldig) avontuurtje beleeft? Ik weet het niet. Hoe dan ook, ik luister er nog steeds met veel plezier naar. Zonde om dit nummer af te doen als een jeugdzonde.

Keuze Joop Broekman: My Bloody Valentine – Only Shallow (1991)

Genadeloos harde schoonheid

Toen de pers de term ‘shoegaze’ steeds meer ging gebruiken voor bepaalde Britse bands, was ik met andere muziek bezig. Begin jaren ’90 hadden rock, metal en de leukere hitpararadedance (toen nog wel) de voorkeur. Dat er in het Verenigd Koninkrijk leuke muziek uitgebracht werd, ging toen compleet langs me heen. Happy Mondays vielen me nog wel op, naast The Stone Roses. Maar dat was het wel. Oh, Maxi Priest. die zag ik live op Aruba, waar ik ruim drie maanden stage liep. Een internationale reggae-ster zette het eiland op zijn kop. Van nieuwe muziekontwikkelingen bleef ik in die periode verstoken, tot mijn nichtje op bezoek kwam met cassettes met daarop de laatste hits. Weinig spannends. Blij dat ik weer terug was in Nederland, ik kon weer naar moderne klanken op zoek.

Vier jaar later. De Britpop-golf laat me volledig koud. Op dat moment is er één album dat me wel heeft geraakt, namelijk Döppelganger van het Engelse Curve. Zangeres Toni Halliday legt haar betoverende vocalen met het grootse gemak over de gitaarlagen heen. De plaat klinkt nogal overgeproduceerd voor de ongeoefende luisteraar. Dat is simpel op te lossen. Gewoon de volumeknop opendraaien. Net zoals de band deed tijdens optredens. Producer Alan Moulder (die nog een tijd lang een setje vormde met Toni) hielp ook bij de totstandkoming van My Bloody Valentine’s Loveless. Zou je een top-10 moeten maken met shoegaze-platen, dan vind je daar zeker Döppelganger en Loveless in terug.

My Bloody Valentine ontstaat in Dublin, Ierland. Voor het zover is, zitten gitarist Kevin Shields en drummer Colm O’Ciosoig eerst nog in andere bands met verschillende stijlen. Van punk gaat het via garagerock naar sixties-rock met allerlei effecten op de gitaren. Ondertussen komen bassiste Debbie Googe en gitariste Billinda Butcher er bij. De laatste wordt ook nog Shields’ partner. Butcher is met haar ijle zangstem de juiste zangeres voor de sound waar Shields naar toe werkt.. Twee EP’s zien het levenslicht, het viertal krijgt al gauw de naam van ‘Jesus And Mary Chain-rip off’. In 1988 worden ze ontdekt door het Creation-label. Het geluid is ondertussen zó weird, dat ze van labelbaas Alan McGee de vrije hand krijgen. Eerste album Isn’t Anything krijgt lovende kritieken, ook al zijn de gitaren voor het grootste deel vervangen door effecten uit de MIDI, Shields’ favoriete speeltje op dat moment.

Voor album nummer twee volgt een andere aanpak. Shields woont ondertussen zo wat in de studio. En ontdekt dat je met de tremolo-arm van de gitaar in combinatie met een reverse reverb-pedaal een waanzinnige muur van gitaarlagen kan neerzetten. Er volgen eerst nog twee mooie ep’s, en tijdens optredens gaat de band alleen maar harder spelen. In de studio slaat Shields door in zijn drang naar perfectie. Of zeg maar studio’s, want er wordt uiteindelijk op negentien plekken aan Loveless gewerkt. Eindelijk verschijnt de plaat in november 1991. Het kostbare opnameproces betekent bijna het failliet van Creation (al kwam er een paar jaar later weer genoeg geld binnen met Oasis). My Bloody Valentine wordt vlak na de release van Loveless op straat gezet. Ze tekenen vervolgens bij Island records. Shields heeft intussen zijn eigen thuisstudio, neemt van alles op maar er wordt niks uitgebracht. In 1997 betekent dit het einde van de band. Tien jaar later zijn ze plotseling weer samen, treden hier en daar op (waaronder een keer in de Eindhovense Effenaar). En in 2013 ziet MBV het levenslicht. Een nogal fragmentarische plaat, met naast het vertrouwde beukwerk ook warme en mooie melodieën. Bij vlagen ga je ruim 20 jaar terug in de tijd.

Loveless is een geweldige geluidstrip. Dit album kun je gewoon niet zacht afspelen, of op de achtergrond. Opener Only Shallow geeft je een voorproefje van wat je te wachten staat. Dromerige vocalen die niet al te hoog in de mix zitten, een golvende bas, ambientklanken, en glijdende gitaarlagen.

Keuze Guido de Greef: The Cranberries – Dreams (1992)

Onderdompeling

Ik draai alleen maar Ierse muziek in de auto, vertelde de gids. Hij reed mij en een groep wandelaars rond door Connemara. Ik hoorde Snow Patrol. Vreemd, vond ik; ik dacht altijd dat zij uit Noord-Ierland kwamen. Later die dag volgden nog Van Morrison, Feargal Sharkey. Iers leek me een rekkelijk begrip. Maar ik leerde die dag een wijze les: Ieren uit de republiek beschouwen het Britse Noord-Ierland als hun eigendom. Ulster, zoals het gebied in de volksmond wordt genoemd, is een stuk land dat gewoon nog een keer moet worden teruggegeven.

De liefde voor Ierland zat er al vroeg in. Dat kwam door een verhaal dat ik als klein jongetje had gelezen, over een jongen die met z’n ouders op vakantie ging naar Ierland. Het lag zo ver weg dat je niet één, maar zelfs twee zeeën over moest. Dat moest dus Heel Ver Weg zijn. Die vakantie was prachtig, maar het noodlot sloeg toe toen de hoofdpersoon z’n favoriete knuffel vergat mee naar huis te nemen. Drama natuurlijk, maar alles kwam goed: de knuffel werd maanden later alsnog opgestuurd.

Die liefde werd de jaren erna alleen maar groter. Ik luisterde veel naar Ierse folk, later kwam daar rock bij. Pas in 2011 kwam het tot die reis. Toen trok ik drie weken langs de Ierse westkust; van Galway, via de Araneilanden en de The Burren, Killarney, Limerick, Dingle naar Cork. Aan het begin en het einde van de reis werd Dublin aan gedaan. Het was onvergetelijk. Het landschap, de vriendelijke mensen (er is geen beter land om in je eentje rond te trekken dan Ierland, iedereen praat met je), de live muziek die elke avond in zowat elke pub is te horen.

Mijn iPod-playlist Éire was m’n metgezel. Die eert aan de ene kant de folk, met Mary Black, Clannad en The Corrs, en aan de andere kant het moderne Ierland: Luka Bloom, Bell X1, The Script en Villagers. Hoe verder je in de playlist komt, hoe moderner de muziek wordt.

Deze dag reed ik langs de meren van Connemara, internationaal beroemd gemaakt door een Franse chansonnier, vreemd genoeg. Na twee wandelingen in wisselvallig weer (het blijft Ierland) reden we nog een laatste rondje langs de kust. De zon brak door, op het water voeren kleine Ierse bootjes, hookers genaamd. We stapten uit om van het weer te genieten. Uit de autoradio klonk Dreams van The Cranberries.

Keuze Alex van der Meer: Sultans Of Ping F.C. – Where’s Me Jumper (1992)

Jolly Jumper

Dire Straits dissen, dat was ook lang mijn hobby. De bandnaam – bewust een malapropisme van Sultans Of Swing – beviel me dus goed toen in 1992. Dat de gitaarmuziek van Sultans Of Ping F.C. ook nog eens vrolijk en punky was, dat was ook nog mooi meegenomen. Voor de rest hoefde het dan ook niet hoogdravend te zijn. Where’s Me Jumper was gewoon jolly, maar vooral ook jolly good.

Where’s Me Jumper was voor de band een doorbraak, vier jaar na de oprichting. Vervolgens werd het hoogtepunt niet echt meer geëvenaard. Op een gekke manier is de band ook wat zoekende geweest heb ik het idee. Met name als het gaat om de bandnaam. Al vlot verdween de F.C. uit de naam, en werd het gewoon Sultans Of Ping. In 1996 veranderde het wederom, en werd het nog korter: Sultans. Vervolgens werd in datzelfde jaar de band ontbonden. In 2005 volgde een heroprichting onder de naam The Sultans Of Ping. Met een The en weer zonder de F.C.

Uiteraard spreken we hier dus niet over een heel beroemde act of de allerbeste of meest succesvolle band uit Ierland ooit. Al is dit Where’s Me Jumper wel het nummer dat na vandaag heel lang in je kop blijft zitten. Dat beloof ik je. Go, go, go!

Keuze Marco Groen: The Mahones – Drunken Lazy Bastard (1994)

Croí folláin agus gob fliuch

Sinds de Skids en The Pogues weten we dat Keltische traditionele muziek prima samen kan gaan met punk. ‘Volkse’ muziek zoals die bedoeld is: meezingen in de kroeg over politieke thema’s, het andere geslacht en het nuttigen van grote hoeveelheden alcoholhoudende dorstlessers. Het kunstje hebben bovengenoemde bands wellicht – deels – afgekeken van Thin Lizzy, die al in de vroege jaren ’70 aloude klanken verwerkten in hun blues-achtige hardrock. Hun eerste single, Whisky in the Jar, is zelfs rock-versie van een Ierse traditional. Folkmuziek leent zich blijkbaar prima voor een versmelting met punk. Het ritme, de klanken en manier van zingen hebben zo hun overeenkomsten. De Heideroosjes bijvoorbeeld vullen er al menig jaar, menige zaal mee.

In het kielzog van de pioniers kwamen soortgelijke bands op, waarvan sommige geeneens uit de laatste ‘stronghold’ van het Keltische taalgebied (Schotland, Ierland, Cornwall, Bretagne) kwamen. In de nieuwe wereld identificeren zoveelste-generatie migranten zich nog immer met het land van hun voorouders. Aspecten uit het gemythologiseerde land der oorsprong worden door ze gecultiveerd, wat het voordeel met zich meebrengt dat het vaak lekkere muziek oplevert. Denk hierbij aan bands als The Real McKenzies, Violent Femmes, The Prodigals en de de meest bekende exponent: de Dropkick Murphys. Iets minder bekend zijn de heren en dame uit Kingston, Ontario; The Mahones. Volgens de legende opgericht op Saint Patrick’s Day in het jaar des Heren 1990. Dit maakt ze een Iers-Canadese band, waarbij gemeld dient te worden dat voorman/gitaar- mandolinespeler/zanger Finny McConnell ‘echt’ uit Baie Átha Cliath komt. De stad die wij beter kennen onder de naam Dublin. Een Dubliner die niet bij The Dubliners speelt.

The Mahones hanteren, wellicht als een soort ode aan hun helden, wezenlijk dezelfde bandnaam als de originele naam van The Pogues: Pogue Mahone, wat een verengelsing is van de liederlijke Iers-Gaelische uitdrukking ‘póg mo thóin’. Tip: probeer ‘m niet uit in Ierland, tenzij je een liefhebber van een seksuele handeling tegenkomt dat op ‘trimmen’ rijmt.

De herrieschoppers staan voornamelijk bekend als het ideale voorprogramma. De hoeveelheid bands waarvan zij de support-act waren zijn iets te talrijk om in dit stukje te duwen, maar bands als The Buzzcocks, Skunk Anansie, The Band, Van Morrison, Hüsker Dü en The Prodigy mogen wel even vermeld worden. Aan het begin van 2019 mochten ze zelfs het voorprogramma van Avatar verzorgen in de Melkweg. Gezien de hoeveel beschikbare ruimte die men daarvoor kreeg (circa 5 vierkante meter voor een band met 6 leden) ging dat niet eens zo heel erg slecht. Minpuntje waar zij waarschijnlijk niets aan konden doen was het erbarmelijke geluid. Desalniettemin waren bepaalde ‘klassiekers’ goed herkenbaar en dus meezing-fähig. Het deel van het publiek dat niet alleen voor Avatar aanwezig was kon lekker meebrullen met onder andere Down the Boozer, Paint the Town Red (bekend van de film The Fighter) en Drunken Lazy Bastard.

Aan dat laatste nummer, dat eveneens vaak fungeert als afsluiter, hangt een persoonlijke anekdote. Een aantal jaar geleden hadden twee van de bandleden een nogal lange overstaptijd op Schiphol, wat ze de tijd gaf om een mini-concert in te lassen in een Ierse kroeg te Alkmaar. De aanwezige kroegtijgers werden daar verrast met een show die qua enthousiasme niet onderdeed voor elk ander concert van The Mahones. Opvallend aan dit optreden was het moment waarop het de toenmalige kroegeigenaar lukte om Drunken Lazy Bastard te verzieken door zelf een stukje van de lead-vocals op zich te nemen. Een goede reden om ‘m hier nog nog even in het zonnetje te zetten. Het nummer bedoel ik dan. Niet de kroegeigenaar.

Keuze Marcel Klein: Narrow Pass – Flying From Ireland (2009)

Grensgeval

In 2019 was ik voor het eerst van mijn leven in Ierland en verbleef ik ongeveer tussen Belfast en Dublin op de grens van Noord-Ierland en Ierland. Een bijzondere belevenis. Niet alleen kun je anno 2019 gelukkig nog steeds zonder problemen de grens tussen beide landen overlopen, maar je proeft ook alle zorgen rondom Brexit. Maar is er ook nog het grote verschil tussen de twee landen. Ierland als zelfstandig land, Noord Ierland is nog steeds onder het bewind van Londen. En de geschiedenis kom je overal tegen.

Je hoeft niet ver Noord-Ierland in te lopen om te zien wat er in de zeventig en tachtiger jaren gebeurd is, en eerder. Veel monumenten van gedode vrijheidsstrijders en de geschiedenis ligt gewoon op straat. Ook actueel, want de voor- en tegenstanders van Brexit laten dit ook duidelijk merken door borden, pamfletten en uitspraken. Het lijkt op de grens te verharden, maar ook in Ierland merk je het meteen. Veel Noord Ieren werken in Ierland en andersom en maken zich grote zorgen. Zorgen om hun baan, hun huis of grotere zorgen over nieuwe spanningen die oplaaien.

Daarnaast is het natuurlijk ook een fantastisch mooi (groen) land, waar je heerlijk kan wandelen en kan genieten van de lokale bieren. Ook op muziekgebied is er genoeg te genieten en te beleven. Maar als ik aan Ierland denk dan denk ik vooral aan folkmuziek. En die heb je in alle maten, zoals bijvoorbeeld de mystieke klanken van Clannad. Genoeg Ierse muziek om een keus uit te maken, maar toch maak ik een heel andere keus. Mijn oor viel op het nummer Flying From Ireland van de Italiaanse band Narrow Pass. Italiaanse progressieve rock heeft over het algemeen (vind ik tenminste) een duidelijke link met Ierland. Veel fluit, zachte gitaren, folky neo-prog en dat brengt mij vaak terug naar Ierland.

Narrow Pass is (of was, want het is niet duidelijk of ze nog bestaan) een groep rondom Mauro Montobbio. En hij heeft versterking van allerlei muzikanten van allerlei bands uit Italië. Zo zingt zangeres Valerie Caucino bij Eris Pluvia, maar ook bands als Arcanciel, Finisterre en Ancient Veil hebben hun input.

Een lang nummer, ruim negen minuten, met alles in zich van Italiaanse neo-prog met een vleugje Ierland. De zang, de gitaren, de fluit. Een mooie hommage aan Ierland, waarbij deze ondergewaardeerde Italiaanse band teruggrijpt op Genesis uit de jaren ’70. Denk Trick Of The Tail.

Voor mij, als ik mijn ogen sluit en hierna luister, ben ik weer in Ierland. En hoop ik dat de mensen die ik daar gesproken heb gauw duidelijkheid krijgen over Brexit. En hoop ik dat alle negatieve sentimenten vanuit het verleden toch langzamerhand weg mogen glijden.

Keuze Tricky Dicky: Hozier & Mavis Staples – Nina Cried Power (2018)

Krachtige oproep

Er komt heel veel goede muziek uit het Smaragden Eiland, maar veel blijft onder de Nederlandse radar. Vooropgesteld, ik vind de oude U2 (tot medio jaren negentig) erg goed en Van Morrison kan weinig fout doen, maar beiden zijn nauwelijks ondergewaardeerd. En dus kwam ik (al vrij snel) tot mijn keuze, want ondanks een vette hit in 2013 is het onterecht stil rond Hozier. In Ierland scoorde hij nog vier Top 10 hits, maar zelfs in Engeland gebeurde er niet veel. Ja, zijn tweede album uit 2019 verkocht daar meer dan uitstekend en hetzelfde geldt voor de V.S., maar in Nederland…..

In 2018 komt zijn vierde EP uit: Nina Cried Power en tot mijn verbazing lijkt de luisteraar in ons kikkerlandje er geen oor voor te hebben. Onbegrijpelijk, want behalve de schitterende vocale ondersteuning van Mavis Staples en het vingerwerk van Booker T. Jones is het een lied waarvan een enorme kracht uitgaat. Bijna gospelesk en Mavis schreeuwt, nee spuugt de woorden uit. Bovendien is het lied geïnspireerd door zangers die protestliederen in hun repertoire hebben/hadden waaronder Billie Holiday, Nina Simone, Joni Mitchell, John Lennon, James Brown, Bob Dylan en Woody Guthrie. The fights that took place 100 years ago or 200 years ago for whatever – civil rights or workers’ right etc. – don’t stop. There is no final victory.

Het is in Chicago opgenomen, nadat Hozier en Mavis Staples elkaar op het Newport Folk Festival ontmoet hadden.

Keuze van Vincent van der Vlies: Fontaines D.C. – Too Real (2019)

Hoge lat

Eens in de zoveel tijd komt er een debuutalbum voorbij waar je echt weer even van denkt: wauw, wat is dit ontzettend goed en vet. Of beter: waarvan je echt weer even oprecht geniet van verrassingen in de muziek. Ik had het ook bij het uitkomen van Silent Alarm van Bloc Party, bij Original Pirate Material van The Streets en bij Whatever People Say I Am, I Am Not van Arctic Monkeys. Allemaal albums waar (zeker bij die laatste twee) de realiteit van het Engelse jongeren leven beschreven werd. En nu is er een Iers evenknie in de vorm van Fontaines D.C.

Vorig jaar kwam het album Dogrel uit en het is een instant klassieker zoals dat dan heet. Het gruizige postpunk geluid (lekker geproduceerd overigens door Dan Carey die hier een Mercury Prize nominatie voor kreeg) is vaak opzwepend, soms ingetogen en verzadigd met veel verwijzingen naar workingclass problemen in het Dublin na de financiële crisis. Of zoals ze zelf in een interview noemden: It’s like a city [Dublin] that’s just got over the slump part of the day hungover and starts to feel good again. Desalniettemin gaat het nog vaak over drank, drugs, snel geld, dat soort dingen. Maar bovenal lopen de teksten over van ironie en sarcasme, zijn ze soms zeer poëtisch, verwijzen ze naar schrijvers en dichters. Het is ook niet zo gek dat deze band teksten belangrijk vindt. Naar verluid hebben zij allemaal een voorliefde voor poëzie en is dat ook wat de vijf heren bindt.De titel Dogrel voor het debuutalbum is dan ook niet geheel toevallig gekozen aangezien een doggerel een komische vorm van rijm was populair bij de working class.

The winter evening settles down

The bruised and beat up open sky, six o’clock
The city in its final dress
And now a gusty shower wraps the grimy scraps
Of withered leaves all about your feet

Schitterend toch? De eerste zin is een verwijzing naar een gedicht van T.S. Elliot dat verwijst naar stedelijke achteruitgang (wist ik ook niet uit mezelf hoor), de rest is van henzelf. Het thema van het nummer is minder fraai en gaat over snel geld maken en wordt muzikaal opgezweept door stuwende noisy gitaren en baslijnen. Echt heel vet en fraai.

Ik vind echt dat Fontaines D.C. hiermee een hoge lat gelegd heeft voor alle postpunk en Indie rockbands of hoe je het genre ook wil noemen om muzikaal maar vooral ook tekstueel een beter debuutalbum af te leveren dit decennium.

Keuze Freek Janssen – Fontaines D.C. – Televised Mind (2020)

Duisterder en toch frisser dan het debuut

Als ik daar even op mag inhaken, Vincent…

Zeker, Fontaines D.C. was wel een van de verrassingen van 2019 en Dogrel was ontegenzeggelijk een puike plaat. Tegelijkertijd had ik er ook een beetje mijn bedenkingen bij. Dat een band als Fontaines D.C. zulke hoge ogen gooit anno 2019, met muziek die amper anders klinkt dan wat we al sinds begin jaren tachtig horen, laat ook wel weer zien dat er niet bijster veel geïnnoveerd wordt in rockmuziek.

Ik ben er niet bewust mee bezig, heb er ook niet echt last van, maar het gebrek aan vernieuwing (veel rockbands van nu klinken als hun voorbeeld uit de jaren zeventig, tachtig of negentig) doet mij een beetje wegdrijven van de rock. Fontaines D.C. heb ik daarom niet heel erg omarmd vorig jaar, maar de opvolger A Hero’s Death uit 2020 vind ik al een stuk frisser klinken. Met frisser bedoel ik niet dat de sound nu zo licht is, integendeel; de muziek van de heren is een stuk duisterder dan die van debuutalbum Dogrel.

Maar het is iets minder letterlijk teruggrijpen op postpunk, iets meer vernieuwingsdrift. En dat heeft rock wel nodig.

Keuze Alex van der Heiden: The Waterboys – Postcard From The Celtic Dreamtime (2020)

Vanuit het uiteinde van Ierland

The Waterboys, of moet ik Mike Scott zeggen (zie blog van Marloes), leveren om de paar jaar een nieuw album af en dit jaar was het weer zover. Het album Good Luck, Seeker verscheen met prachtige nummers zoals Postcard From The Celtic Dreamtime. Op dit album varieert Mike Scott de nummers af met spraak en zang en dat bevalt mij heel goed. Zijn stem die met de jaren wat geleefder wordt, daar kan ik uren naar luisteren. Zeker wanneer hij met zijn lekkere vette Iers prachtige poëzie declameert.

De teksten van Postcard From The Celtic Dreamtime werden uit de oude doos opgeduikeld, aldus Mike Scott. Ze waren geschreven in het uiteinde van Ierland toen ook het album (of nummer?) Fisherman’s Blues werd geschreven. In afzondering en even weg uit de hectiek en druk van alledag. Misschien ook niet verwonderlijk een paar jaar na het succes van The Whole Of The Moon. Het resultaat mag er zijn, maar droom vooral weg bij de prachtige Ierse kust, de zwarte zee en de witte schuimkoppen.

 From my window I watch far waves
crashing on the bay
white spray against black sea
distance compressing their dance into slow motion

 
 

1 Comment

  1. Bart H

    Klein landje, maar inderdaad veel keuze. Ik ben een grote singer- songwriter fan, dus dan is in het land van de buskers enorm veel talent te vinden.

    Damien Rice mag zeker niet ontbreken. Zijn bekendere “hits” even buiten beschouwing latende, ga ik voor “I Remember”. Het eerste gedeelte zingt Lisa Hannigan, in het tweede stuk zoekt Damien de rand van de waanzin op. Check youtube voor een versie waar ze helemaal los gaan.

    Dan is er nog Glen Hansard. Bij het grote publiek vooral bekend van de film Once en het Oscarwinnende Falling Slowly (samen met Marketa Irglova).

    Deze man kan iedere avond zingen alsof iemand net 5 minuten geleden zijn hart heeft gebroken. Een oogwenk later is hij weer grappen aan het maken en zingt hij moeiteloos onversterkt een concertzaal vol.

    Van de Once soundtrack zou ik “Leave” of “Say it to me now” uitkiezen. Als ik verder één nummer aan zou mogen bevelen, dan ga ik voor Bird of Sorrow.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.