Ondergewaardeerde Liedjes


The Battle: David Bowie

Met een beetje fantasie kun je de jaren 1969 – 1984 zien als één periode in de ontwikkeling van de popmuziek. Voorbij was de tijd van de hippies en Flower Power; pop was niet meer alleen voor tieners, maar samen met zijn luisteraars volwassen geworden. Het beste werd die overgang belichaamd door The Beatles: begonnen als de sixties-versie van One Direction, door de jaren heen alle spectra van muziek verkend (en daarmee het zaadje gelegd voor veel nieuwe stromingen) en in 1970 uit elkaar gegaan als meest invloedrijke popmuzikanten sinds het ontstaan van Rock ‘n Roll.

Vijftien jaar later kwam MTV en stond Thriller van Michael Jackson op 1 in de albumlijsten; de start van het tijdperk van de mega-artiest. De tussenliggende jaren vormden een periode van enorme experimenteerdrift. Bijna alle muzikale genres die we nu nog kennen werden in deze tijd geboren of volwassen (funk, disco/dance, hiphop, reggae, punk). Belangrijker nog: de ontwikkelingen gingen zo snel, dat muziek aan het eind van de jaren zeventig compleet anders was dan die aan het begin van het decennium. Dat kun je van de zeroes niet zeggen.

David Bowie mag je zien als het ultieme boegbeeld van deze jaren. Zijn doorbraak Space Oddity uit 1969 staat nog met één voet in het hippie-tijdperk. Daarna verandert hij zo ongeveer met elk album van stijl en imago; iets wat we Madonna vanaf 1984 ook zagen doen. Vreemd genoeg is MTV en de geboorte van de mega-artiest de doodsteek voor Bowie. Zijn mega-hits Let’s Dance, China Girl en This Is Not America worden hem niet in dank afgenomen door critici. Bowie is trendsetter af en maakt alleen nog maar muziek voor het geld, en daarmee raakt hij zijn cultstatus kwijt.

Een artiest die zo divers is en zo veel los maakt, daar bestaan ook veel verschillende meningen over. Daarom mag een Bowie Battle niet ontbreken op Ondergewaardeerde Liedjes.

Keuze Tom KniesmeijerThursday’s Child (1999)

Het nummer waarin alles op zijn plek viel, maar de critici luisterden al niet meer

David Bowie. Altijd een beetje slachtoffer van de ‘jongetjesmentaliteit’ in de popjournalistiek, waarbinnen vooral priegelen op een gitaar punten scoort. Ziggy Stardust, ja, dat kon nog door voor een rockalbum. De twijfelende Bowie van daarna, met zijn overgevoelige tijdgeestantenne, die voldoet niet aan de impliciete ‘Bruce met Ballen’ norm. Te ongrijpbaar. Die mijd je dus, in de voorkeurslijstjes.

Zonde.

Bowie maakte na Ziggy vele ondergewaardeerde meesterwerken. Luister naar Scary Monsters (1980) of Earthling (1996) en huiver. Thursday’s Child, uit 1999, kun je alleen maar een doeltreffend sluitstuk van drie zeldzaam rijke decennia noemen. Seeing my past to let it go, zingt Bowie en laat muziek en tekst vervolgens aanzwellen tot een monument van melancholie en berusting.

Het nummer bevat alles wat Bowie culturele waarde geeft. Identiteit en context, daar gaat het over in Thursday’s Child. De verwijzing naar een Velvet Underground nummer (…for Thursday’s child is Sunday’s clown) is veelzeggend. Bowie werd na Let’s Dance beschuldigd van uitverkoop en irrelevant verklaard. De kameleon was te vaak van kleur verschoten. Nu gaat hij de confrontatie met zichzelf aan – in de video bij het nummer kijkt hij letterlijk in de spiegel – en ziet een eeuwige buitenstaander:

Something about me stood apart, a whisper of hope that seemed to fail, maybe I’m born right out of my time.

De reddingsboei moet komen vanuit de toekomst. Iedere nieuwe kleurschakering laat immers een facet van dezelfde man zien:

Throw me tomorrow, now that I really got a chance.

Uiteindelijk valt alles op zijn plek, laat Bowie ons in dit nummer weten. Maar de critici, ze luisteren niet meer.

Zouden ze wel moeten doen.

Keuze Freek Janssen: Wild Is The Wind (1976)

Bowie weet als enige uitvoerder veel drama in het nummer te leggen

Ik ben geen groot fan van Bowie, laat ik daar voor uitkomen. Niet omdat ik zijn muziek niet waardeer, maar vooral omdat ik er nooit aan toe ben gekomen om zijn albums regelmatig te luisteren (met uitzondering van Ziggy Stardust).

Ik kan dan ook niet meepraten over het meest ondergewaardeerde Bowie-liedje. Wel staat er al jaren een liedje van Bowie standaard in mijn iTunes- en Spotify-lijstjes, en dat is het onbekende Wild Is The Wind. De video van dit nummer verscheen op een verloren zomerse zondagavond aan mij tijdens Zomergasten – ik weet niet eens meer wie de gast was, maar volgens mij presenteerde Joost Zwagerman de uitzending. Wat een melancholie, wat een dynamiek en dramatiek!

Bowie nam Wild Is The Wind op in 1976, hij kende het met name van zijn idool Nina Simone. Oorspronkelijk werd het liedje opgenomen door Johnny Mathis voor de gelijknamige film (Wild Is The Wind dus). Zelfs George Michael heeft nog ooit een uitvoering van het nummer opgenomen. Maar al deze versies halen het niet bij die van Bowie. Man, wat heeft die man een soul in zijn strot:

You touch me, I hear the sound of mandolins
You kiss me, with your kiss my life begins
You’re spring to me, all things to me
Don’t you know, you’re life itself!

Keuze Miranda Apeldoorn: I’m Afraid of Americans (1997)

Als geen andere natie weten Amerikanen de planeet te homogeniseren

God is an American.
Je zou soms inderdaad denken, dat Amerikanen dat denken, als je ziet hoe ver de invloed van dat land strekt. Neem alleen al de feestdagen in ons land. Kerst als een excuus om je energierekening in één klap te verdubbelen via ingenieuze lichtshows in je voortuin, het is ook bij ons steeds meer in opgang. En ik hoorde de moeders onder mijn vriendinnen klagen dat de helft van de koters nu snoep komt vragen met Halloween in plaats van met Sint Maarten.

God is an American.
David Bowie zingt het met veel gevoel voor ironie in het opzwepende nummer I’m afraid of Americans, dat in 1997 op zijn album Earthling belandde. Als geen andere natie weten Amerikanen de planeet te homogeniseren. Dus wanneer op een dag ooit écht sprake is van een verenigd Europa zoals het op papier eens bedacht is, hebben we dat waarschijnlijk aan hen te danken. Moeten we daar blij mee zijn? “The invasion of homogenised culture […] narrows expression of life”, zei Bowie onder meer toen hem gevraagd werd naar het waarom van het nummer. Amen.

Trent Reznor van Nine Inch Nails begreep Bowie wel, en maakte gezellig samen met hem een clip waarin Reznor als schrikwekkende Amerikaan Bowie achterna zit. Dat gevoel van onbehagen dat in de tekst zit, komt in de muziek uitstekend tot uitdrukking. De gitaren klinken steeds gejaagder, de zang steeds meer als een bezwering in een soort ijdele hoop het naderend onheil nog af te kunnen wenden. Het tikje elektronica dat er doorheen is vermengd, maakt het plaatje helemaal af. Het maakt de vervreemding compleet die je voelt, wanneer je om je heen kijkt en denkt: ‘Maar ziet niemand dan wat ik zie gebeuren?’

Toen hij dit nummer maakte, had Bowie als muzikant al een staat van dienst van zo’n dertig jaar. Dertig jaar van kameleon spelen, van zichzelf opnieuw uitvinden. Het vuur, de pit die er in dit nummer zit; hij lijkt schijnbaar onvermoeibaar. En zie, tot op de dag van vandaag blijft hij bezig nieuwe wegen te bewandelen. Daarmee is hij zelf misschien het beste bewijs dat het tij nog te keren valt, en we niks niet bang hoeven te zijn voor Amerikanen.

Keuze Menno Kooistra: Lady Grinning Soul (1973)

Het definitieve bewijs dat Bowie wél kan zingen

Ondergewaardeerde liedjes. In het geval van David Bowie komt al gauw zijn Tin Machine werk ter sprake. Urgentieloze herrie werd het genoemd. Ik heb het altijd erg goed gevonden (Prisoner of Love, Amazing, One Shot, Amlapura, You Belong in Rock ‘n Roll om een aantal hoogtepunten te noemen), hoewel op de tweede plaat van de vier mannen inderdaad een aantal onnodige songs zijn te vinden.

Bowie’s latere werk is natuurlijk in de verste verte niet te vergelijken met alles wat hij in de jaren zeventig (tot en met 1980) maakte, maar ook hier zijn pareltjes te ontwaren. Ondergewaardeerd en weggedrukt door hitsingles zijn wellicht Loving the Alien (1983), Time Will Crawl (1987), Miracle Goodnight (1993), The Motel (1995), Something in the Air (1999) en Everyone Says Hi (2002). Oh, en laten we het hele The Buddha of Suburbia album niet vergeten.

Toch ga ik voor een jaren zeventig-track. Een nummer van het sublieme Aladdin Sane (1973): Lady Grinning Soul. Wellicht ondergewaardeerd omdat Bowie het nog nooit live heeft uitgevoerd. Wellicht ook de reden waarom het zo’n bijzonder liedje blijft. Is het ondergewaardeerd door Bowie zelf?

In Lady Grinning Soul gaat alles om de sfeer. Vanaf de eerste pianoklanken van Mike Garson word je er in gezogen en neemt de melodieuze zang je mee in een film. ‘Bowie’s lost James Bond movie theme song’, zoals Chris O’Leary op zijn uitgebreide Bowie-blog Pushing Ahead of the Dame schreef. Lady Grinning Song is een liefdesliedje. Er wordt gezegd dat het over de soulzangeres Claudia Lennear gaat (net als Brown Sugar van de Stones). De lyrics zijn donker (She will be your living end) en sexy:

And when the clothes are strewn don’t be afraid of the room
Touch the fullness of her breast
Feel the love of her caress

Bowie’s stem heeft nog nooit zo zuiver, helder en krachtig geklonken. Het definitieve bewijs dat hij wel degelijk kan zingen. Het samenspel tussen Garson en gitarist Mick Ronson roept nog altijd kippenvel op. Lady Grinning Soul is een film en een droom: een dromerige film of een filmische droom. En een ode aan de kunst van de liefde.

Onderstaande video maakte ik afgelopen maand (op een muziekmix van DJ Sandeman) en is een eerbetoon aan Bowie met veertig van mijn persoonlijke Bowie-favorieten. Het intro van Lady Grinning Soul is te horen onder de vocaltrack van Fame, vanaf de veertigste minuut.

Keuze Marèse Peters: Nature Boy (2001)

Een liedje over de liefde met vreselijke (en misschien wel fatale) obstakels

Ik durf mijzelf absoluut geen Bowiekenner te noemen, maar wel een grote liefhebber. Dus ik hoefde niet lang na te denken over het meest ondergewaardeerde nummer van deze man. Het staat voor zover ik weet niet op een regulier Bowie-album, en is ook nooit een hit geweest. Als je het al kent, dan komt dat doordat het op de soundtrack staat van de film Moulin Rouge! Je weet wel, dat heerlijk flamboyante Baz Luhrmann-spektakel dat ik iemand eens treffend hoorde omschrijven als ‘een enorme bak glitters die over je wordt uitgestort’.

Ik krijg altijd kippenvel als ik het nummer hoor. Het is een beetje mystiek, de tekst is eenvoudig maar heeft een soort universele zeggingskracht. Bowie bezingt een strange enchanted boy, die over grote wijsheid beschikt:

The greatest thing you’ll ever learn
Is just to love and be loved in return

Dat het geen origineel Bowie-nummer is, staat duidelijk in de credits. Toch heb ik de herkomst van het nummer nooit achterhaald, tot ik het ineens tegenkwam in de Top 2000-omissielijst van Martijn Vet. Uitgevoerd door ook geen onbekende: Nat King Cole. Een dromerige, rijk georkestreerde versie. Mooi en warm. Echt iets voor bij een kop chocolademelk en een knappend haardvuur. Of onder de kerstboom, zo u wilt.

Ook de versie van Nat King Cole blijkt echter niet het origineel: het nummer werd in 1947 geschreven door een echte ‘nature boy’ en hippie avant-la-lettre: eden ahbez (zonder hoofdletters). De goede man woonde in een tent onder de ‘L’ van de beroemde HOLLYWOOD-letters, at alleen rauw voedsel, geen vlees en droeg sandalen, witte gewaden, lang haar en een baard. Echt hip dus, in de jaren ’40.

ahbez had een bescheiden hit met zijn ‘Nature Boy’. Nat King Cole was degene die er een evergreen van maakte. Later werd het nog door veel meer pop- en jazzartiesten gecoverd, onder meer door John Coltrane, Big Star, Grace Slick & the Great Society. Maar niemand deed het zoals Bowie het doet.

Want Bowie neemt het romantische, harmonieuze nummer en legt er een nieuwe laag overheen. Een spannende, bijna verontrustende laag. Zijn stem is scherp, niet warm zoals die van Cole. Hij speelt met akkoorden die je nekharen rechtovereind doen staan. En hij durft het nummer te laten exploderen. Als je hier onberoerd onder blijft, ben je een hele kouwe.

Nature Boy is het openingsnummer van de soundtrack van Moulin Rouge en daarmee is de toon voor het verhaal gezet: dit gaat over de liefde, maar met een hoop vreselijke (en misschien wel fatale) obstakels. Tijdens de aftiteling word je getrakteerd op een tweede versie van Bowies nummer, door Massive Attack. Met hun remix doen zij er nog even een heel vervreemdend, maar wel lekker schepje bovenop.

Ik zei het al: kippenvel.

Keuze Rob Gommans: Look Back in Anger (1979)

Vijftien jaar later opeens weer die herkenning op de festivalwei van Werchter

Toen God David Bowie schiep, nam hij een rib en sneed daar zo ongeveer alle popsterren vanaf de jaren zeventig uit. Tot zover Bowies niet te onderschatten invloed op den populairen muziek. Maar ook pop-adel maakt – terecht of onterecht – ondergewaardeerd werk. Bij Bowie geldt dat – onder meer – voor zijn album Lodger uit 1979.

Het is deel drie van Bowies Berlijn-trilogie (Low/Heroes/Lodger) en de laatste keer in lange tijd dat hij met Brian Eno als producer samenwerkte. Werden de eerste twee delen nog ontvangen als vernieuwende artpop (‘there’s old wave, there’s new wave and there’s David Bowie’), Lodger wordt pophistorisch gezien als een ‘moetje’. Gemaakt omdat de opnames nou eenmaal gepland waren, en dat terwijl het tandem Bowie/Eno op zijn laatste benen liep.

Ze wisten van gekkigheid niet meer wat te doen, en dus wisselden muzikanten van instrument, werden backingtracks achterstevoren gedraaid en hergebruikt, en meer van dat soort ongein. Niet bepaald een voltreffer dus, dit album.

Maar. Hoe terecht ondergewaardeerd ook, toch kies ik voor deze Bowie-battle een track van Lodger: Look Back in Anger. Een van de wél goede nummers op dat album, met z’n opgefokte drums en zanger die als een malle aan het belten is. En daarbij is het een track met een persoonlijk verhaal. Dat begint bij mijn tante, oom en twee nichtjes. Het zal begin jaren tachtig zijn geweest. Op bezoek op zondagmiddag, je kent dat wel. Ik was zelf een jaar of 7, mijn nichtjes al wat ouder. Dus die keken Toppop. En daar kwam dat filmpje voorbij van die zanger met dat wassenbeeldengezicht, die een schilderij maakt van zichzelf als engel. En die na veel moeilijk kijken in de spiegel verandert in een – stijlvolle, dat wel – gedrocht-achtige. Wist ik veel dat dat verhaallijntje gebaseerd was op The Picture of Dorian Gray. Wist ik veel dat dit nummer mijn liefde voor die zanger later nog eens zou doen ontvlammen. Wist ik veel dat dit überhaupt de Grote Bowie was? Maar intrigerend was het wel…

Een jaar of vijftien later, Rock Werchter. Het is de eerste avond, en ik loop de wei op. ‘Waiting so long, I’ve been waiting so long’, hoor ik vanaf het grote podium. Ken is dit nummer? Daar staat een man in een kruising tussen een judo-gi en een zijden pyama, bijna doorschijnend wit. Ik sta de rest van de show gebiologeerd te kijken. Wat een charisma! Wat een band! En wat een oeuvre!

Later vraag ik een nogal Bowie-mindede vriend of hij die track kent, ‘Waiting so long…’ enzovoort. Het blijkt Look Back in Anger. Met die Dorian Gray-clip. De cirkel is rond. En ik ben blijvend Bowie-adept.
Moraal: stem op Look Back in Anger. En zet hem ff flink hard op. Met videoclip erbij.

 
 

3 Comments

  1. Prachtige nummers, stuk voor stuk. En opvallend veel ouder werk. Helemaal eens, want de titel van dit blog citerend, kennen de laatste twee decennia van Bowie veel ‘ondergewaarde liedjes’.

    Mijn favoriete nummer van Bowie is echter uit begin jaren ’70: Starman.

    Waarom? Omdat het zo’n verdomd goede melodie heeft, die niet uit je kop is te krijgen (Muse is daar ook briljant in, trouwens. Ik ken iemand die Muse t*ringherrie vind, ‘maar ze maken wel lekkere melodietjes’). En het gaat over naar de radio luisteren. Dat is altijd +veel.

  2. Roland! Schud me de hand! Ik ben helemaal weg van Starman. Op de een of andere vreemde manier vind ik het een beetje een fout nummer. Ik hoor er iets BZN- / George Baker-achtigs in. Maar dan leuk goed ;).

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *