Herman Brood was groter dan het leven: zanger, pianist, schilder, acteur, auteur en bovenal de Nederlandse belichaming van seks, drugs & rock-‘n-roll. Met zijn Wild Romance schoot hij eind jaren zeventig even richting internationale roem: Saturday Night haalde zelfs de Amerikaanse hitlijsten. Achter de flamboyante junkie, de nationale knuffelrocker en de kunstenaar met de dikke zwarte signatuur school een muzikant met een opvallend breed repertoire. Van rauwe rock-’n-roll tot blues, reggae, ballads en Nederlandstalige samenwerkingen. Zijn leven overschaduwde soms zijn liedjes, zeker na zijn dood in 2001, toen de mythe definitief groter werd dan de man. Maar vandaag zetten we vooral zijn liedjes centraal. Onze bloggers doken in de platenkast en vonden genoeg ondergewaardeerde Brood-liedjes om een battle mee te vullen. Geef ons heden ons dagelijks Brood! 

Keuze Willem Kamps: Cuby + Blizzards – Somebody Will Know Someday (1967)

Paradijsvogel

Het zal in de jaren tachtig zijn geweest. Op zaterdag gingen wij nogal eens statten in Delft, waarbij de middag standaard eindigde in de Locus Publicus vanwege de grote keuze speciaalbier. Nadat ik het gordijn opzij had geschoven en via het smalle pad tussen de tafels door naar de bar liep, kwam een bekend gezicht mij tegemoet. Hij voor mij, ik niet voor hem. Herman Brood begaf zich richting uitgang. Met zijn lange zwarte, double breasted leren jas en vermoedelijk een liter likeur in z’n kraag, viel het mij op toen hij me passeerde wat een klein mannetje het eigenlijk was.

Herman moest die avond waarschijnlijk spelen in de legendarische Eland. Zijn lengte correspondeerde niet met mijn imaginaire, grote Herman Brood. Toen ik hem in datzelfde decennium had gezien in De Sater in Leidschendam, was me de geringe lengte niet opgevallen. Vermoedelijk teveel onder de indruk van ’s mans performance (achter de piano). Toch, een echte fan ben ik nooit geweest, al gingen mijn lief en ik wel altijd swingen op Dope Sucks.

Onlangs kreeg ik van een vriendin Broodje Gezond en Rock ’n Roll junkie te leen, en leerde Herman beter kennen, wat en hoe ie was: een eigenzinnige, aan alles en iedereen maling hebbende paradijsvogel, met een geheel eigen wijze van piano spelen. Zo gaf hij een jazzy touch aan Somebody Will Know Someday, waarvan Eelco Gelling zei: ‘Je hoorde een hele solo, maar hij speelde de helft. De rest suggereerde hij’. Z’n kracht én zwakte ineen; want als het erop aankwam gaf Herman vaak niet thuis. Bij mij duurde het nogal voordat ik dat wist, maar Someday I Knew it.

Keuze Patrick Schellen: Cuby + Blizzards – Kid Blue (1976)

Toen konnie het nog…

Herman Brood, tja … Ik ben van de generatie dat hij nog wel eens als verdwaasde junk op tv voorbij kwam. Muziek was daardoor nooit mijn eerste associatie met hem. Het was voor mij vooral een rare kwiebus van wie je nog wel eens wat schilderwerk zag. En dat is eigenlijk best jammer. Ik heb later natuurlijk wel eens wat over hem gelezen, maar eigenlijk had ik al weer weggestopt dat hij ooit pianist was bij Cuby + Blizzards. Een band wiens reputatie inmiddels wat bezoedeld is geraakt door het gedweep van een oude zeur op televisie.

Maar als pianist schreef hij mee aan enkele van hun bekendste nummers. Window Of My Eyes, Another Day Another Road en dus Kid Blue. En dat pianospel is toch echt een stuk vitaler dan de verwarde en trage man zoals ik hem meegekregen heb. Wat eeuwig zonde dat hij zo graag de seks, drugs en rock-‘n-roll-ster wilde uithangen.

Keuze Peter van Cappelle: Herman Brood & His Wild Romance – Doin’ It (1978)

Iets soulvoller dan Saturday Night

Herman Brood was in mijn kindertijd vooral een paradijsvogel waar mijn ouders niks van moesten hebben. Zijn muziek kende ik niet goed toen hij doodging, maar de dag waarop hij overleed kan ik nog heel goed herinneren. Ik was 12 en kwam thuis nadat ik bij een schoolvriendje had gespeeld. Toen kwam het op het 8 uur-journaal. Ook over de manier waarop hij een einde aan zijn leven had gemaakt hadden mijn ouders wel een oordeel, terwijl het natuurlijk heel triest Is dat iemand geen andere uitweg meer ziet dan dat. Die zomer werd postuum zijn versie van My Way een nummer 1-hit. Zijn eerste, terwijl hij daarvoor drie decennia aan muziek had gemaakt. Weliswaar met wisselvallige platen.

Zijn muziek ontdekte ik pas in de jaren daarna. Natuurlijk de hits, zoals Saturday Night en Never Be Clever. Ik kocht een verzamelaar waarop naast deze rock-‘n-roll-hits ook uitstapjes stonden die niet al te serieus te nemen waren. Zoals De Breedbekkikkers. Aan de andere kant was Hermans kracht juist dat hij zichzelf ook niet al te serieus nam.

Eén nummer dat mij opviel was Doin’ It. Afkomstig van het album Shpritz, waarop ook Saturday Night staat. En net als Saturday Night had dit nummer ook een kenmerkende openingsriff van inmiddels wijlen Dany Lademacher. Alleen is Doin’ It iets soulvoller dan Saturday Night. Alleen al door het refrein met de sterke achtergrondzang van Herman’s vaste achtergrondzangeressen de Bombita’s. Had Doin’ It eigenlijk niet net zo’n klassieker moeten worden als Saturday Night? Zonde dat het toen nooit als single is uitgebracht – wat toen nodig was om een nummer meer bekendheid te geven en tot een hit te maken.

Keuze Remco Smith: Herman Brood & His Wild Romance – I Love You Like I Love Myself (1979)

Waar eens de boterbloemen bloeiden

Ik ben één van die mazzelaars die Herman live heeft gezien. Twee keer: november 1992 in Noorderligt, Tilburg en in september 1995 in Lantaarn, Hellendoorn. Ik vond het beide keren een belevenis. Die wat onhandige tred naar de toetsen, steeds die blik van: wat doe ik hier ook al weer? En die liedjescatalogus die er echt mag zijn. Saturday Night natuurlijk, maar ook Never Be Clever, Love You Like I Love Myself. Matige zanger, maar dat deed er niet toe met zulke goede muzikanten om zich heen: David Hollestelle was toch echt een beest van een gitarist. En dan ook nog de Bombita’s natuurlijk. Blij hem live te hebben gezien.

Nu ik het zo zeg: drie keer heb ik hem live gezien. Voorafgaand aan het concert in Noorderligt was Brood uitgenodigd om op de KUB (destijds de naam van Tilburg University, niet alles klinkt beter in het Engels) een schilderij te maken. Start zou om drie uur zijn: geen Brood. Half vier, vier uur, geen Brood. Iedereen mocht inmiddels bier halen en dat zou in mindering gaan op zijn gage. Half vijf stommelde hij binnen, in het universiteitscafe waar hij met enige ergernis tegemoet werd getreden. Die ergernis was snel weg. Brood ging als een bezetene het doek te lijf. Studenten om hem heen die een kleur scandeerden: “GROEN GROEN”. Aarzelende blik naar de spuitbussen: Brood was kleurenblind.  “ROOD ROOD”. Binnen een half uur was het doek volgekalkt met een soort van cowboy met daaronder de tekst: Waar eens de boterbloemen bloeiden. Een stormachtig applaus was zijn deel. Brood keek om zich heen, zag twee studentes staan die hij met een vaste hand rond hun middel naar buiten geleidde.

Keuze Alex van der Heiden: Herman Brood & His Wild Romance – No Ballad (1984)

Goede vrienden

Wat was er veel ophef toen Goldband-zanger Milo Driessen een cokesnuif nam op het podium. Deze drugsverheerlijking hoort niet op een podium, en met het oog op jongeren kan ik het daar wel mee eens zijn. Overigens heb ik wel zwaardere vergrijpen op dit vlak gezien, onder andere van Herman Brood die een handvol spuiten (zonder naald gelukkig) het publiek in wierp en met een leren band om zijn bovenarm zijn optreden begon. Het was niet meer om aan te zien in die laatste jaren. Wij gingen er niet heen voor de muziek, maar vooral om dit drugsfenomeen te zien. Weinig rock-‘n-roll, eigenlijk een zielige vertoning.

Wat je er muzikaal van vindt, laat ik aan jou. Zeker is dat Brood een bijzondere man was. Hij omringde zich met andere bijzondere mensen waaronder Henny Vrienten. Brood ontwierp de hoes voor Vrientens eerste solo album Geen Ballade. Deze titelsong werd geen grote hit, in tegenstelling tot Als Je Wint van Brood en Vrienten – dat ook op het album van Vrienten te vinden is. Het nummer Geen Ballade viel kennelijk goed in de smaak bij Herman Brood en hij maakte er een Engelse versie van. Vrienten is halverwege te herkennen in de backing vocals.

Keuze Quint Kik: Herman Brood & His Wild Romance – Tattoo Song (1984)

Kauwgom

Reggae: Een slecht excuus om een heel genre op te hangen aan telkens hetzelfde nummer, sneerde mijn onderzoeksmedewerker ooit. Lange tijd kon ik me daar prima in vinden: ik had weinig op met muziekbeleving waarbij je flink moest blowen om de eentonigheid te verdragen. Pas toen ik de onaards dubby producties van Lee Perry op het spoor kwam, ging ik daar heel anders over denken.

In alle eerlijkheid vond ik als 10-jarige popreggae best te pruimen: ik zat aan de buis gekluisterd als Pass The Dutchie of Do You Really Want To Hurt Me voorbijkwamen in TopPop. Uit die tijd dateert ook mijn kennismaking met het fenomeen Brood, via de reggae van de Tattoo Song. Een malle knuffeljunk, waarover ik tot dat moment hooguit had gelezen in de Panorama of de Nieuwe Revu bij ons thuis in de leesmap.

Het onschuldige toneelstukje bij de Top 10-hit Als Je Wint dat er enkele maanden aan vooraf was gegaan, viel door mijn kinderogen bezien in het niet bij die scene uit de tattooshop. Van gedoe met naalden verschoot ik al snel van kleur; ik kwam geregeld in ziekenhuizen. Mijn vader keek op enig moment op vanachter zijn krant en stelde me gerust: Voor zulke plakplaatjes moet je héél veel kauwgom eten.

Keuze Leendert Douma: Breedbekkikkers – Nur Ein Wunsch (1985)

Zoon van alle moeders

Dit schreef ik twee dagen na zijn dood, als hoofdredacteur van het legendarisch obscure internetmagazine NU WIJ WEER!. (Helaas niet meer online.)

Herman Brood is dus dood. Mijn moeder hoorde het op het nieuws. “Och, die arme lieve jongen”, fluisterde zij, verdrietig en vertederd. Heel raak. Want Herman wás een lieverd: een dromerige jongen, type zeven sloten tegelijk. Je kon niet anders dan van hem houden. En dat gold zeker voor het vrouwelijk geslacht. Herman riep moedergevoelens op. Veelzeggend was dan ook de titel van zijn dichtbundel: Zoon van alle moeders.

Het verklaart ook zijn innige band met Majoor Bosshardt. De heilsoldate is immers de Moeder Aller Zonen, een Maria-figuur. Hun band had bijna iets heiligs. Onbedoeld zette de protestantse NCRV, in het programma Villa Felderhof, een katholiek icoon neer dat zijn weerga niet kent. De Zoon van Alle Moeders werd in bad gestopt door de Moeder Aller Zonen (Kijk vanaf 09.50) Een beetje vreemd was het wel: een calvinistische Maria ontfermt zich over een geperverteerde Christus. Maar tegelijkertijd was het beeld tot tranen toe ontroerend.

Het is dezelfde soort ontroering die Brood wist op te roepen in het nummer Nur ein Wunsch, B-kant van een obscuur singletje (Hou Kontakt) opgenomen met de Breedbekkikkers. Begeleid door kerkklokken kweelde Brood in gebroken Duits:

Ich fin’ das nicht schlimm, mutti,
das du niemahls gegen mir lacht.

Ich hab’ nur ein Wunsch
für die nächste Weihnacht:
Ich möchte kucken,
wenn du pipi macht

De zanger is hier een achtjarig jongetje dat liefde tekort komt, en dat voor kerstmis maar één ding van zijn mama wil: intimiteit. De kleine Herman is zo slim om maar meteen het onderste uit de kan te vragen. En wat is er nou intiemer dan te kijken naar een plassende vrouw?

Hermanus kwam in werkelijkheid uit een warm nest. Beppie Brood was een lieve Zwolse, met alle begrip voor de fratsen van haar zoon. Maar Herman was zozeer een kind dat zij niet in haar eentje de moederrol kon vervullen. Daar had Brood iedere vrouw die op zijn pad kwam voor nodig: vriendinnen, echtgenotes, minnaressen, ja zelfs dochter Lola moest er aan geloven. “Papa, doe nou niet zo gek”, verzuchtte zij menigmaal, vertederd als een volwassen dame. En Herman baadde zich in alle vrouwelijke aandacht.

Waarom dan toch die zelfmoord, met zoveel liefde om hem heen? Een zoon toont de ellende niet graag aan zijn moeder. Herman moest de uitwassen van zijn verslavingen in z’n uppie dragen. Toen dat niet meer ging besloot hij de hulp in te roepen van de Allerhoogste. De Moeder van God…

Vanaf het dak van het Amsterdamse Hilton vloog Herman Brood door naar de hemelpoort. Hij werd daar al opgewacht door de Heilige Maagd Maria. Met een devote glimlach nam zij hem in haar armen. “Welkom thuis, kleine Herman”, fluisterde Moeder Maria. Toen ging zij hem voor naar het damestoilet.

Keuze Jeroen Mirck: Herman Brood & Jules Deelder – Oh Kut (1996)

Vaginaal episch

Door de tragiek rond Herman Brood willen we nog wel eens vergeten wat een geweldige performer hij was. Een veelzijdig kunstenaar, een levenskunstenaar. Zijn beste muziek maakte hij in zijn jonge jaren, maar ook verderop in zijn carrière bleef hij geregeld verrassen. Denk aan zijn winnende hit met Henny Vrienten, zijn carnavaleske samenwerking met Sjef van Oekel en zijn uitstapjes naar big band, jazz en hiphop. Zijn meest aanstekelijke one-off vind ik nog altijd de vertolking van het gedicht Oh Kut (of zo je wilt: Kutgedicht) samen met Jules Deelder. Hiphop-beatje eronder en gaan met die banaan. Met die klem, die kluif, die spons, die kruik. Vaginaal episch.

Keuze Marco Groen: Herman Brood & His Wild Romance – You Can’t Break a Heart and Have It (1996)

Een Bay Stater met een mening

Muzikale reizen zijn van die trips waarvoor je gewoon op de bank kunt blijven zitten. De Spotify-achtigen en het wereldwijde web zijn je vervoersmiddelen. Eén van die uitstapjes begon (zoals zo vaak bij mij) bij de Pixies. De vertrouwde terminal vanwaar ik al heel wat van de wereld heb gezien.

In 2001 ontdekte leadzanger Black Francis/Frank Black het fenomeen Herman Brood. Beetje laat, maar daar staat hij niet alleen in. Het turbulente leven en de gestoorde schilderijen van Brood maakte een diepe indruk op Black. Hij bezocht broodnodige plekken in Nederland en vond inspiratie voor het schrijven van het solo-album Bluefinger, een verwijzing naar de bijnaam van Zwollenaren. Elk nummer op het album gaat direct of indirect over ‘s lands bekendste junk. En er staat zelfs een cover op: You Can’t Break a Heart and Have It. Ik had er nog nooit van gehoord. Niet gek wellicht, want ik ben niet de grootste liefhebber van Brood in dit land. Gezien de mogelijkheid tot gekke vocale uithalen past dit nummer perfect bij Black. Bijzonder goede keuze. Toffe versie.

Het is een nummer dat destijds niet als broodjes over de toonbank is gegaan. Sterker nog: het staat niet eens op een studioalbum en is pas later op een box verschenen (gemiste kans om dat simpelweg een broodtrommel te noemen). Vreemd, want You Can’t Break a Heart and Have It is pure, rauwe rock-‘n-roll van eigen bodem. Dit is het perfecte nummer om op zaterdagnacht(!) te draaien wanneer je enigszins beschonken op eerdergenoemde bank ploft na het stappen. Kortom, deze moet je even ongekookt tot je nemen.

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.