Het muzikantenbestaan kan hard zijn. Je ploetert als muzikant maar door, vaak zonder succes. Terwijl de wereld om je heen doordraait: je krijgt misschien een gezin, een maatschappelijke carrière en verplichtingen. Er is heel wat doorzettingsvermogen nodig om dan niet af te haken. Of om zelfs juist op latere leeftijd te starten met muziek maken. En misschien is er dan heel, heel soms dat geluk dat je een meesterwerk maakt. Vandaag zetten we de doorzetters in de spotlights. Of de geluksvogels, net hoe je het ziet.

Keuze Patrick Schellen: Ali Farka Touré & Ry Cooder – Ai Du (1994)

Deze plaat bracht de Malinese blues naar het grote publiek

Goed, Ali Farka Touré bracht in de jaren ’70 al platen uit. Het duurde echter tot de jaren ’90 voordat zijn muziek grotere internationale succesen bracht. En met name het album Talking Timbuktu dat hij met Ry Cooder opnam, maakte van Ali Farka Touré een gevestigde naam. Hij was op dat moment al in de 50. Van het album werden een miljoen exemplaren verkocht en het was het eerste commerciële succes voor het World Circuit label.

In het kielzog van dit succes wisten ook andere Malinese artiesten een internationale doorbraak te forceren. Artiesten als Boubacar Traoré, Tinariwen, Oumou Sangaré en zijn zoon Vieux Farka Touré zijn slechts enkele voorbeelden van artiesten die geprofiteerd hebben van het pionierswerk van Ali Farka Touré. En tegelijkertijd wist deze Afrikaanse muziek dan weer de Westerse Muziek te beïnvloeden, bijvoorbeeld Vampire Weekend, Local Natives en Khruangbin laten deze invloeden duidelijk in hun muziek terugkomen. Natuurlijk zijn er meer platen die hier belangrijk voor geweest zijn zoals Graceland van Paul Simon. Maar de invloed van Talking Timbuktu mag ook zeker niet onderschat worden.

Keuze Quint Kik: Fred Eaglesmith – Bells (1997)

For whom the bells toll

Als twaalfjarige een gitaar oppakken, om vier jaar later al liftend of als verstekeling aan boord van de goederentrein het Canadese landschap te bereizen: Frederick John Elgersma (1957) was er vroeg bij. Een legioen van Fredheads – een liefdevolle verwijzing naar fans van de Grateful Dead – zweert bij dit buitenbeentje van de Americana. Op zijn veertigste vond Fred Eaglesmith pas bredere erkenning.

Dat was met album nummer acht: Lipstick Lies & Gasoline (1997). Een veelbelovende titel, die samen met de afbeelding op de hoes – een vlinder op de grill van een truck – direct tot de verbeelding sprak. Bezong Eaglesmith altijd al met verve de beslommeringen van truckers, boeren en dolende zielen, dit keer kwam alles drie keer zo hard binnen dankzij de rock-productie van Scott Merritt.

Zelden kwamen zijn teksten beeldender voor het voetlicht dan op LL&G: in een nummer als Bells maakt de scheurende gitaar de wanhoop over een op de klippen gelopen relatie haast tastbaar. Als de klok luidt, doet hij dat voor iedereen. Behalve voor Fred; hij liet na met het album te toeren en liet daarmee een kans gaan om zich te bewijzen als de evenknie van Steve Earle of Lucinda Williams.

Keuze Erwin Tijms: The Flaming Lips – Race For The Prize (1999)

They’re just humans with wives and children

Zanger Wayne Coyne (1961) en zijn band The Flaming Lips timmerden al sinds 1983 aan de weg. Ja, er was een klein hitje, She Don’t Use Jelly, nadat ze bij het grote Warner Bros hadden getekend. En er was ook waardering voor het album Clouds Taste Metallic. Maar het grote, epische doorbraakalbum moest nog komen. Dat kwam in 1999, toen Wayne al 38 was, met het briljante meesterwerk The Soft Bulletin. Het was de start van commercieel en artistiek succes dat tot zeker rond zijn 50e aanhield. Na The Soft Bulletin zijn Yoshimi Battles The Pink Robots (2002) en Embryonic (2009) ook zeker albums die je meesterlijk mag noemen.

Een van de mooiste nummers van The Soft Bulletin is naar mijn mening Race For The Prize. Nadat zijn vader de diagnose kanker kreeg, schreef Wayne Coyne een hoopvol nummer over twee wetenschappers die een medicijn proberen te vinden for the good of all mankind. Zijn vader overleed al lang geleden. The Flaming Lips spelen het nummer nog steeds ieder optreden

Keuze Jeroen Mirck: Arno – Lola etc… (2002)

Nooit jong, nooit oud

Wij Belgen zingen niet in één taal, want we kunnen geen enkele taal behoorlijk spreken. In Brussel verstaan ze niet eens mijn Oostendse dialect. Dit zei Arno Hintjens in 1983 tijdens een interview op de dag dat zijn band TC Matic optrad op Pinkpop. Ik was toen twaalf jaar oud, dus heb daar weinig van meegekregen.

Het zal ergens in 2010 zijn geweest dat ik een album van Arno in handen kreeg: Charles Ernest uit 2002, vernoemd naar zijn grootvader en zijn eigen doopnamen. Het moest zo zijn: ik kwam net uit een relatie met iemand die Frans sprak en vond in de keuken van mijn nieuwe vriendin een album dat grotendeels in het Frans was opgenomen. Niemand in haar woongroep kende het album of wilde het hebben, dus nam ik het mee naar huis. Ik heb de cd dat jaar grijsgedraaid. Wow, wat een krachtige mix van rock en chansons!

Arno was al boven de vijftig toen hij Charles Ernest opnam. Er zou nog een zevental albums volgen tot aan zijn dood in 2022. Net als goede wijn bleef deze Belg goed tot op hoge leeftijd. Hij stierf in het harnas, want in de maand voor zijn dood werkte hij nog aan Opex, dat postuum zou verschijnen.

Het beste werk van de oude Arno is wat mij betreft Charles Ernest. Het bevat twee heerlijke francofone rockers: Ma femme (met een welgemeend godverdomme aan het einde) en Je veux nager (lekker stout: ma femme n’est pas là). Toch is het absolute hoogtepunt de fragiele ballad Lola etc, waarvan een Engelse variatie achteraan het album staat onder de titel Solo Gigolo. Een meertalig meesterwerkje, al prefereer ik de Franse versie. Daarin rijmt Arno er heerlijk op los: Lola, dans mes bras, diva, Sahara, Cinderella, Kama Sutra, Volga, Olga, vodka, cinéma. Gezongen met een stem vol levenswijsheid. Arno was nooit jong, maar ook nooit oud. Hij was er altijd en hij was altijd goed. In welke taal dan ook.

Keuze Guido de Greef: Linda Thompson – Dear Old Man Of Mine (2002)

Stem terug

In de jaren zeventig vormde Linda Thompson een duo met Richard. Een professionele, én een romantische verbintenis. Maar tegen het einde van het decennium was de liefde zichtbaar bekoeld. Nick Hornby schreef in 31 Songs over een optreden van het duo: Linda zag er ellendig uit, alsof Thompson haar wilde verkopen. En gitarist Simon Nicol keek voor elk optreden waar de nooduitgang was.

Het einde kwam in 1982, na het album Shoot Out The Lights. Linda bracht een solo-album uit, maar ze kreeg stemproblemen. Spasmodische dysfonie, al hield Linda het erop dat het een gevolg was van de stress, overgehouden aan de slechte relatie met Richard. Zeventien jaar lang zou ze geen nieuwe plaat maken. Pas in 2002 verscheen het toepasselijk getitelde Fashionably Late, dat ze met tussenpozen had opgenomen. Thompson zong weer, met een diepe stem. Een stem die ze met behulp van botox had teruggekregen.

Dat album is een mooie who’s who van de folkwereld, met bijdragen van Kate Rusby, Van Dyke Parks, Robert Kirby, en Rufus en Martha Wainwright. Zelfs Richard speelt mee. Het laatste liedje, Dear Old Man Of Mine, is een bitterzoete ode aan haar ex-man.

Here’s to the dreams that went awry
And to the tears I could not cry
For it was long ago that I said goodbye
To that dear old man of mine

Thompson zou na Fashionably Late nog twee albums maken, maar de stemproblemen kwamen terug. In 2024 verscheen Proxy Music. De liedjes op dat album zijn van de hand van de zangeres, maar ze zijn ingezongen door anderen, waaronder haar kinderen Kami en Teddy Thompson.

Keuze Remco Smith: Candi Staton – You don’t have far to go (2006)

Dat prachtige kraakje

Een heel klein beetje teleurgesteld was ik aanvankelijk wel. De zoveelste release van You Got The Love (uitgebracht in 1986, 1991, 1996 en 2006) liet me op draf naar de Plato aan De Meent hollen. Achter de balie de altijd stuurse uitbater van Plato. Op mijn vraag of hij de nieuwe Candi Station had, keek hij me recht aan en zei: Staton. Ik maakte nog een keer de fout, wat me op een reprimande kwam te staan. Als ik het tegen mijn concertmaat heb over die chagrijn van Plato, weet je nog, dan weet hij precies wie ik bedoel. Tegenwoordig zie ik de chagrijn overigens met regelmaat, in Rotown, in de regel aan de rechterkant van het podium. Dan kan er opeens een lachje van af.

Ik kreeg His Hands van Candi Staton in mijn handen geduwd. Die bleek aanzienlijk anders dan de danceversie van You Got The Love en ik moest daar gewoon even aan wennen. Dat is vervolgens ruimschoots gelukt. Wat een mooie plaat had Staton gemaakt, op haar 66ste. Pure soul, prachtige gospel, met dat kraakje in de stem die er blijk van geeft dat Staton door de jaren heen genoeg heeft meegemaakt. Luister maar naar de opener You Don’t Have Far To Go, van dit volkomen ten onterechte behoorlijk ondergewaardeerde meesterwerk.

Keuze Halbe Kroes: Sharon Jones & The Dap-Kings – Retreat! (2014)

The true Dap-Queen

Sharon Jones was 40 jaar toen ze echt doorbrak. Ze bracht een aantal albums uit met The Dap-Kings (u weet wel, dat ensemble die ook de schitterende muziek opnam met Amy Winehouse). Onder andere het nummer 100 Days, 100 Nights werd een bescheiden hit. En op het album Give The People What They Want, waar Retreat! op staat, leverde dat haar zelfs een Grammy-nominatie op. Niet slecht voor iemand die pas laat kwam bovendrijven.

Wat me vooral pakt in dit nummer is hoe direct het is. De band zit er strak in, met die typische Daptone-sound, en daar overheen haar stem die alles naar zich toetrekt. Het klinkt alsof het net zo goed live had kunnen zijn. En daar wringt voor mij de schoen een beetje, want man, wat ik had haar graag live willen zien. Spijtig genoeg is Sharon Jones veel te vroeg overleden, uiteindelijk aan complicaties van alvleesklierkanker. 

Kijk vooral en vaak beelden van liveoptredens van haar met band en je ziet de energie terug die je ook hoort op haar platen. Met in je achterhoofd dat ze bij sommige optredens al aan de zware chemo’s zat. Des te indrukwekkender. Retreat!

Keuze Freek Janssen: Spinvis – Trein, Vuur, Dageraad (2017)

Zijn muziek is juist zo mooi vanwege die levenservaring

Erik de Jong was 41 toen hij doorbrak als Spinvis. Hij mag niet ontbreken in deze battle, al was het maar vanwege de grote hoeveelheid prachtig (en invloedrijk) werk dat hij sinds die doorbraak heeft uitgebracht (check ook de podcast die we over zijn oeuvre maakten).

Bij Spinvis denk ik weleens dat zijn muziek juist zo goed is vanwege die levenservaring. Erik heeft veel gezien, meegemaakt en daarover gereflecteerd en gemijmerd. Veel van zijn songs gaan ook over vroeger, over herinneringen.

Trein, Vuur, Dageraad (Erik was 56 toen het uitkwam) is een typisch Spinvisliedje: je rijdt in een nachttrein door Europa, kijkt door het raam, en denkt wat na over het leven. Als het couplet overgaat in het refrein, voelt het alsof je de zon aan horizon op ziet komen. Maar het liedje wordt pas echt weergaloos bij het outro, dat begint met Tussen liefde aan de linkerkant en rechts de eeuwigheid. Dit is Spinvis op zijn best: hoewel de tekstregels eigenlijk een beetje aan elkaar geplakt zijn en geen rationeel-logisch verhaal vormen, voel je wat hij hier bedoelt. Dat je op reis soms even meer tot jezelf komt dan in de dagelijkse sleur. (Althans, dat maak ik ervan.)

De mooiste versie van Trein, Vuur, Dageraad die ik ooit hoorde: tijdens de weergaloze show die Spinvis gaf op Lowlands in 2024.

Keuze Johan Hol: Fabrizio Paterlini – Snow (2018)

Van de cijfers naar de toetsen

Tot zijn 35ste leefde Fabrizio Paterlini een vrij degelijk bestaan en werkte hij als accountant. Hoewel zijn liefde voor de piano er altijd al was, bleven de toetsen jarenlang ondergeschikt aan de cijfers. Pas op 33-jarige leeftijd begon hij serieus te componeren voor solo piano. Twee jaar later, op zijn 35ste, nam hij het gedurfde besluit om volledig voor de muziek te kiezen. Een keuze uit liefde voor diezelfde muziek want een echte vetpot was het in het begin niet, getuige de crowdfunding actie voor zijn tweede album in 2009.

Op dat moment was hij bij het grote publiek nog niet zo bekend, inclusief bij ondergetekende. Mijn eerste kennismaking met Fabrizio Paterlini kwam er rond de release van zijn album Winter Stories. Wat mij betreft het mooiste album dat hij ooit gemaakt heeft. Een album dat je direct laat vergeten waar je bent en je laat opgaan in het moment en een album dat je echt integraal moet luisteren.

Een album vol met ondergewaardeerde liedjes die stuk voor stuk, maar juist vooral samen een meesterwerk vormen. Maar als ik dan toch één nummer moet kiezen, dan kies ik voor Snow, omdat dat in vrijwel ieder winters verhaal terugkomt. In de week voorafgaand aan de release van Winter Stories speelde Fabrizio iedere dag een nummer van het album live vanuit zijn woonkamer en plaatste dat op YouTube. Hieronder zijn post op Day #6.

Keuze Hans Dautzenberg: Robert Finley – Souled Out On You (2021)

Jong geleerd

Ik las dat Robert Finley (1954) in 2019 had meegedaan aan America ’s Got Talent, maar was uitgeschakeld in de halve finale. Wat een opluchting! Als muzieksnob kun je natuurlijk niet aankomen met een AGT finalist. De beelden zeggen genoeg. De jury vraagt: Hoe oud ben je? 65. Applaus! Hoe ben je in de muziek terechtgekomen? I had to loose my physical sight, so that I could see my true destiny. Applaus! Wat een held!

Maar, in weerwil van mijn AGT aversie, is het verhaal van Finley ook te mooi om niet te vertellen. Opgroeiend in eenvoud in Louisiana, leert hij vanaf 11 jaar gitaar spelen. In 1970 gaat hij het leger in, waar hij als gitarist in de legerband belandt. Toerend door Europa leert Finley de fijne kneepjes van het artiestenvak, maar eenmaal terug in Amerika verruilt hij de gitaar voor timmermansgereedschap. Muziek maken doet hij alleen hobbymatig, onder meer als straatmuzikant.

Door glaucoom verliest hij op latere leeftijd het zicht en zijn werk als timmerman, maar niet zijn muziek. In tegendeel, met steun van de Music Maker Relief Foundation weet hij een bestaan op te bouwen als muzikant. Dit resulteert in 2016 in zijn eerste album met de veelzeggende titel Age Don’t Mean A Thing. Er volgen meer albums in samenwerking met Dan Auerbach.

Keuze Ed van Nunen: Marshall Allen – Square the Circle (2025)

Gouden plak op onderdeel Hoogste Leeftijd

Je kan natuurlijk gaan voor het winnen van de poll hier onderaan de Battle, maar met deze bijdrage ga ik voor de gouden plak op het onderdeel: De Hoogste Leeftijd. Marshall Allen zit vanaf 1950 in The Sun Ra Orkestra, en leidt het orkest sinds de dood van Sun Ra in 1993. Dat doet hij nu nog steeds; over twee maanden wordt de goede man 102! Hij heeft altijd in dienst van het Orkestra gestaan, maar een paar dagen na zijn honderdste verjaardag ging hij de studio in en nam hij zijn debuutalbum op: New Dawn. Dat is pas een leeftijd om te debuteren!

Nu vind ik die plaat wel aardig, maar zeker vergeleken met The Sun Ra Orkestra is het wat braaf. Dat kan je zeker niet zeggen van de plaat die hij als Marshall Allen’s Ghost Horizon een paar maanden daarna uitbracht: Live in Philadelphia. Die kost is een stuk pittiger, veel meer richting het Orkestra. Een live plaat dus, samengesteld uit verschillende optredens, met hedendaagse jazzgrootheden als James Brandon Lewis en Immanuel Wilkins of experimentele herrieschoppers als Wolf Eyes.

Het is soms nogal piepknor-jazz; daar moet je ook maar tegen kunnen, maar om iets dichter bij de popmuziek te blijven heb ik gekozen voor het nummer Square the Circle. Dat is met bassist James McNew van Yo La Tengo en Charlie Hall, de drummer van War on Drugs. Dit nummer is toegankelijker; de bas hangt lekker in de groove, en met het hypnotiserende hoor je er met wat goede wil ook wel een soort jazzversie van War on Drugs in terug. De eeuweling toetert daar lekker overheen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.