Gisteren was de dag dat Johnny Cash in 2003 overleed. In 1957 maakte hij zijn eerste plaatje en in 2014 kwam zijn laatste studioalbum postuum uit. De teller stopte bij 67 plus 4 soundtrackalbums en 12 (waarvan sommige legendarische) livealbums.

The man in black heeft zich in de jaren negentig opnieuw uitgevonden met zijn American Recordings serie en laat een bijzonder rijk oeuvre na. Een greep…

Keuze Maarten Scheer: 25 Minutes To Go (1962)

Aftellen

Wat een keus uit het hele oeuvre van Johnny Cash. Eerst terugdenkend aan het eerste nummer
dat ik hem bewust hoorde. The Wanderer van U2. Laten we eerlijk zijn; daar gaan we deze
battle niet mee winnen. Voeg daarbij ook nog de druk van het debuteren tijdens een battle en je begrijpt dat deze keuze me wakker heeft gehouden.

Met de verschillende Johnny’s die er zijn, die van de liefdesliedjes, verhalende liedjes en nog
veel meer, kies ik voor een bad-ass Johnny. Aan het begin van dit nummer zit hij op Death Row met nog 25 minuten te gaan. Vast nadat hij iemand had neergeschoten om hem te zien sterven. Waarom 25 Minutes To Go? Een sterk staaltje galgenhumor waarin hij de laatste 25 minuten bespreekt die hij heeft voordat hij wordt opgehangen. Het is een cover van Shel Silverstein. Hij ziet hoe de galg wordt gebouwd; belt de burgemeester; wordt uitgelachen door de sherrif maar het mag uiteindelijk allemaal niet baten (sorry voor de spoiler maar dit nummer komt uit 1962). Verder lijkt het mij, als zanger, lastig een nummer te zingen waar niet echt een refrein in zit of een refrein dat zich steeds aanpast.

Wat is het dan dat voor mij dit nummer maakt? Je weet niet waarom hij op ‘death row’ zit maar je maakt wel alles mee dat er gebeurt op de laatste momenten dat iemand daar zit. Misschien wat geromantiseerd maar als Johnny het zingt geloof ik het. Daarmee is voor mij BadAss Johnny dé Johnny! Verder gaat hij, geheel in battle modus, strijdend ten onder!

Keuze Mirjam Geertsma: The Ballad Of Ira Hayes (1964)

Geschiedenisles in vier minuten

Lang geleden zette mijn vader op zondagmiddag regelmatig wat platen uit zijn verzameling op. Als jeugdige tijdens de zondagslunch werd ik dan natuurlijk automatisch verplicht om er naar te luisteren. Mijn vader hield zowel van The Beatles (mèh) en The Rolling Stones (yeah) maar daar luisterde hij toen al nauwelijks meer naar. Zijn andere liefhebberij in de muziek was namelijk countrymuziek. Skeeter Davis, Buck Owens & The Bucaroos en nog meer brave, zoete muziek. Behalve Johnny Cash. Dat vond ik toen al best leuk.

Als twintiger heb ik een keer een verzamelaar voor een paar gulden aangeschaft vanwege een paar bekende nummers en ik was blij verrast. Het kon minder braaf. Wat ik toen vooral leuk vond was de verhalen in de teksten. Veel nummers vormden een verhaal over een persoon of een gebeurtenis net zoals bijvoorbeeld A Boy Named Sue. Cash heeft overigens nauwelijks nummers zelf geschreven. Hij maakte voornamelijk gebruik van tekstschrijvers of zong traditionals in een nieuw jasje. Nog weer later ging Cash samenwerken met Rick Rubin de bekende rock/metal/rapproducer. Rubin zocht perfecte nummers uit voor Cash zijn doorleefde stem (hij heeft het grootste gedeelte van zijn leven stevig gerookt) die uitstekend combineerde met de duistere thema’s uit de teksten. Zo coverde hij een aantal bekende metal/rocknummers. Rusty Cage van Soundgarden of van Cash. Ik ben er nog steeds niet over uit wie het nummer nu het beste uitvoert. Wat het nummer Thirteen, geschreven door Glenn Danzig, betreft ben ik er wel over uit. Cash doet hem het beste. Duister, onderkoeld en ingehouden.

Wat die verhalende liedjes betreft is The Ballad Of Ira Hayes mijn favoriet. Misschien is het zelfs een vroege protestsong. Bob Dylan heeft hem later ook gedaan. Het nummer is in 1961 geschreven door een tekstschrijver en gaat over een echt persoon. Ira Hayes. Een American Native die op zijn 20ste stopte met school en zich inschreef om te vechten in de tweede wereldoorlog. Na de slag om Iwo Jima is er een iconische foto gemaakt van het plaatsen van de Amerikaanse vlag. Links achteraan zie je Ira Hayes. Ira werd vervolgens ingezet bij fundraising events om geld los te krijgen voor de voortzetting van de oorlog. Hij voelde zich daar niet goed bij, voelde zich geen held en daarnaast werd hij achter zijn rug om uitgelachen om zijn afkomst, hij kwam steeds vaker te laat of dronken aanzetten tot hij weer terug naar de oorlog werd gestuurd. Na de oorlog ging hij weer op het reservaat wonen waar geen werk, niks was. Bovendien had hij een posttraumatisch stresssyndroom opgelopen door de oorlog. Op zijn 32ste stierf hij. Officieel aan chronisch alcoholisme en onderkoeling, maar het schijnt dat hij zo bezopen was dat hij voorover viel en stikte in zijn eigen braaksel. The Ballad Of Ira Hayes start met een klaaglijke roep om Ira Hayes en dan volgt het verhaal… Luister maar!

Keuze Martijn Janssen: The Long Black Veil (1965)

Jeugdige bravoure versus dodelijke ernst

Wat valt er nog te zeggen over Johnny Cash? Pionier in de jaren vijftig. Superster in de jaren zestig. Teruggezakt in de vergetelheid gedurende de jaren zeventig en tachtig. Creatieve en commerciële hergeboorte in de jaren negentig. Van country-ster tot een zanger die elk liedje zo’n gewicht kon meegeven dat het nooit niet een standaard geweest kon zijn.
Naar eigen zeggen kende Johnny Cash zo’n duizend liedjes uit zijn hoofd. Vele daarvan heeft hij zelf geschreven en ook grote hits mee gehad. Maar ook nam hij vele traditionals op en covers van anderen. Hij was de outlaw, de bad-ass voor wie het allemaal niets kon schelen. Maar hij was evenzeer een recht geschapen persoon die het morele kompas leek te benadrukken bij personen of karakters die ver van het rechte pad af leken te zijn.

Veel van dit komt samen in The Long Black Veil. Geschreven in 1959 voor Lefty Frizzel werd het door Johnny Cash opgenomen in 1964 (en uitgebracht in het jaar erop) alsook tijdens zijn American Recordings periode in 1993 (hoewel pas in 2003 uitgebracht op de Unearthed Box). Hoewel het geen murderballad in de traditionele betekenis is gaat het wel over een man die onterecht wordt beschuldigd van een moord. Hij heeft een alibi dat hem van een ter dood veroordeling kan redden maar hij maakt er geen gebruik van. De hoofdpersoon was namelijk samen met de vrouw van zijn beste vriend. Hij verkiest ervoor om te sterven en het geheim mee te nemen in zijn graf in plaats van de affaire bekend te maken. En zo dwaalt er ‘s nachts regelmatig iemand in een zwarte sluier rond bij het graf. Het is zodoende een typisch Johnny Cash nummer maar dat maakt het niet minder pakkend.

Zoals gezegd heeft Johnny Cash dit zowel aan het begin als aan het eind van zijn carrière opgenomen. En tussendoor speelde hij het ontelbare keren live. Bij een eerdere battle, die van de murder ballads, had ik een vergelijkbaar dilemma toen het ging over Delia’s Gone. Daar gaf het berouw na 32 jaar de doorslag, een berouw dat ook de hoofdpersoon in de gevangenis leek te hebben. De versie van The Long Black Veil die het hier voor mij wint is Johnny’s originele opname. De toon is iets luchtiger, er is zelfs een dameskoortje op de achtergrond! Hoewel de hoofdpersoon terecht is gesteld lijkt er wel een jeugdige bravoure te zijn naast het verdriet om het verlies van zijn leven. De versie uit de tijd van American Recordings is ernstiger, zwaarder. Maar hoewel de oorspronkelijke moord al tien jaar voor het nummer heeft plaatsgevonden is de hoofdpersoon in mijn ogen niet tien jaar ouder geworden. Hij is immers terechtgesteld.
En zo blijven de liedjes van Johnny Cash fascineren. Hoewel zijn laatste periode met de American Recordings albums een groot hoogtepunt is in zijn oeuvre hoeft niet elk nieuw opgenomen nummer een verbetering te zijn. Maar ze geven er vaak wel een nieuwe draai aan en zetten je aan om te graven in de vele versies die deze zanger van liedjes heeft opgenomen.

Keuze Lenny Vullings: You Wild Colorado (1965)

Tien zinnen

Ik heb altijd al een voorliefde gehad voor de ‘kleine nummers’: korte en kalme nummers met een ingetogen structuur en spaarzame instrumentatie. De focus komt vaak meer op de tekst en overdracht te liggen in plaats van op bombastisch gedoe of zwetende solo’s. Deze kleine nummers dragen een impressie van een emotie mee. Omdat ze zo nederig zijn, wil men ze nog wel eens over het hoofd zien en zo worden ze snel ondergewaardeerd. Johnny Cash schreef met You Wild Colorado een schoolvoorbeeld van een klein nummer.

Het voldoet aan alle criteria: 4 akkoorden, 1:45 in lengte, beeldende tekst, twee coupletten en twee refreintjes, slechts een gitaar en een stem. En wát een stem had deze man toch. De seconde dat hij het nummer inzet weet je meteen dat je naar Johnny Cash luistert, je hangt aan zijn lippen. De Coloradorivier is diep, maar deze stem maakt hem bodemloos.

You Wild Colorado staat op een album omringd door covers van onder andere Bob Dylan en verder slechts één andere eigen compositie (All Of God’s Children Ain’t Free). En zelfs in dit illustere gezelschap krijgt Cash het voor elkaar om hier een tekst neer te pennen die zich met de mooiste mag meten. Hij zingt naar de rivier en vergelijkt deze met zijn vrouw, en in deze vergelijking gooit hij een flinke portie verdriet en introspectie. Hij voelt zich duister aangetrokken tot de gewelddadige stroom, noemt het de rattenvanger van de woestijn, en zou er wellicht in willen springen, maar hij doet het niet.
Het kleine refreintje vat het prachtig samen:

If I had no love of life, I’d become part of your flow
But I fear the place you’d take me, you wild Colorado

In tien regels tekst vertelt Cash een prachtig poëtisch verhaal. Het is absurd weinig, maar toch heb ik uren gemaald over deze zinnen. Er zit stiekem zoveel in, vooral de enigszins ambigue vergelijking met zijn vrouw. En dat vind ik zo leuk aan deze kleine nummers: de kans om je fantasie en eigen interpretaties erop los te kunnen laten. De woorden razen als een rivier door het brein en slijten langzaam diepe kloven van informatie. Zo wordt iets heel kleins vanzelf erg groot.

Keuze Der Webmeister: Jackson (1967)

Lovestory

Eén van de meest vertederende lovestories in de muziekgeschiedenis is die van Johnny Cash en June Carter. En zoals het bij een goede lovestory hoort is deze natuurlijk vastgelegd in een Oscarwinnende Hollywoodfilm: Walk The Line.

Bij hun eerste ontmoeting, eind jaren ’50 bij een optreden van Elvis, slaat de vlam gelijk over, maar beiden zijn al een getrouwd met een ander. Al in 1963 schrijft June Cartner het lied Ring Of Fire, waarin ze haar liefde voor Johnny Cash beschrijft. Via een hoop omwegen en na het overwinnen van allerlei moeilijkheden vinden ze elkaar, om vervolgens meer dan 35 jaar getrouwd te blijven, tot de dood van June in 2003 hen scheidt.

June begon als achtergrondzangeres bij Johnny, maar naarmate de liefde onvermijdelijk bleek, nam het stel ook duetten op, zoals het onderstaande Jackson, een hit uit 1967. In datzelfde jaar hadden Nancy Sinatra en Lee Hazlewood ook aardig wat succes met hun versie van het nummer.

We got married in a fever
hotter than a pepper sprout

Het lied Jackson gaat over een getrouwd paar, waarbij het vuur in de realiteit aardig gedoofd is, en beiden willen daaraan ontsnappen, door zich in het nachtleven te storten van de stad Jackson in Tennessee, beiden met hun eigen bedoelingen. June en Johnny waren op het moment van de opname officieel nog geen stelletje, maar de liefde spat echt van het vinyl af, en luttele maanden erna werd het huwelijk gesloten.

Keuze Quint Kik: The Folk Singer (1968)

Onheilspellend

Mijn weg tot Johnny Cash begon – niet geheel verrassend – bij Johnny Cash At San Quentin, de tweede van zijn befaamde ‘gevangenisplaten’ en degene die je op rommelmarkten nou eenmaal eenvoudig tegen het lijf loopt. Dat blauw uitgelichte silhouet van Cash, van achteren beschenen door een felle podiumlamp; je mist alleen het straaltje zweet dat zich over zijn voorhoofd een weg naar beneden baant, zoals op de hoesfoto van die andere gevangenisplaat At Folsom Prison. Ik kocht At San Quentin in 1994 bij mijn eerste bezoekje aan de vrijmarkt op 5 mei in de Utrechtse wijk Lombok.

In de zelfde periode duikelde ik ook de verzamelaar Star Portrait op, een dubbelaar met alle grote hits uit de jaren 60, zoals Ring Of Fire, I Walk The Line en Folsom Prison Blues. Dat laatste nummer was in 1968 als single uitgebracht met een werkelijk fenomenale B-kant die Cash op het lijf geschreven leek: het indringende The Folk Singer (All I knew to give it was song after song after song), geschreven samen met Charlie ‘The Devil Went Down To Georgia’ Daniels. Maar nu loop ik op de feiten vooruit: eerst was er natuurlijk nog die wederopstanding met dank aan Rick Rubin.

In tegenstelling tot mijn vrienden en muziekminnende collega’s, die halsoverkop verliefd werden op Cash’ American Recordings, hield ik het liever bij Star Portrait. Niks mis met Johnny Cash die Glenn Danzig, Nick Lowe of Loudon Wainwright III covert, maar dankzij het nummer Man In Black en een nieuwe verzamelaar met deep cuts die tot mijn platenverzameling was doorgedrongen was ik intussen voor een andere Cash gevallen: die van sociaal bewogen man in het zwart, die het opdissen van stoere verhalen over het wilde westen afwisselde met een groot hart voor de gewone man.

Tussen zijn eerste grote hits van begin jaren ’60 en zijn comeback met voornoemde gevangenisplaten aan het eind van dat decennium, stortte Cash zich onvermoeibaar op de ene na de andere conceptplaat. Van CBS kreeg hij carte blanche om albums vol te kletsen met geschiedenislessen over Amerika: de opkomst van de stoomtrein, het harde leven van de landarbeider en het tragische lot van de indianen. Sommige van die platen werken wonderwel: het had een haar gescheeld of ik had op deze plek geblogd over The Legend Of John Henry’s Hammer of The Ballad Of Ira Hayes.

Gek genoeg wijdde Cash nooit een plaat aan het leven van de troubadour. Afgezien van zijn cover van Kris Kristofferson’s To Beat The Devil lijken weinig van zijn nummers het leven als rondtrekkende zanger cq. chroniqueur centraal te stellen. En waar dat nummer nog gewoon te vinden is op een regulier zij het vergeten album (Hello I’m Johnny Cash), lijkt The Folk Singer het lot beschoren van an even deeper cut; afgezien van de single Folsom Prison Blues trof ik het origineel na lang zoeken op de Europese verzamelaar International Superstar.

Ik leerde The Folk Singer kennen via de cover van Nick Cave. Waar Cave al geen lachebekje is – zijn gegrom is dermate onheilspellend, dat ik liever een lampje extra aan laat als ik deze versie ’s avonds opzet – lijkt het nummer bij Cash met iedere zinsnede een zichzelf versterkende Apocalyps te herbergen. Did you forget the folk singer so soon? And did you forget my song? Love, God, Murder, Life, The Folk Singer: ook die laatste verdient met terugwerkende kracht een eigen conceptplaat.

Keuze Tricky Dicky: Sunday Mornin’ Comin’ Down (1970)

Hoofdpijn

Bijna iedereen heeft minimaal een keer zo’n moment in zijn leven. Wakker worden met een dikke vette kater en een tong van leer. In sommige gevallen is opstaan een risico, want alles draait en de slokdarm lijkt éénrichtigsverkeer te worden. Iets te gezellig, de vorige avond. Nooit meer, dacht ik in stilte. Niet dat het heel vaak voorkwam, maar pas na mijn dertigste behoorden deze escapades definitief tot het verleden. Wijsheid komt met de jaren en gaandeweg bleek ook het herstelvermogen steeds minder te worden.

Ik ben een Cash-fan, want de man heeft met zijn sonore stem een waslijst aan mooie liedjes gezongen en op latere leeftijd oudjes een briljante nieuwe jas gegeven. Sunday Mornin’ Comin’ Down is echter van de hand van niemand minder dan Kris Kristofferson, die wel vaker scherpe teksten over het gevolg van iets te veel plezier schreef. De verplichte alcoholische versnapering om de hoofdpijn te verlichten, het minst vieze hemd zoeken en aantrekken en in dit lied een eenzame zondag tegemoet zien.

Kristofferson schreef het toen hij schoonmaker bij Columbia Records was. Een vreemde beroepskeuze voor iemand die een ‘masters’ in Engelse literatuur heeft en kapitein in het Amerikaanse leger was geweest. Bovendien had hij een vliegbrevet voor onder andere helicopters. Maar hij wilde ten koste van alles componist worden en dus leende hij een wentelwiek, vloog naar het huis van Cash en landde het ding in zijn tuin met een muziektape van Sunday Mornin’ Comin’ Down in zijn achterzak. Het klinkt als een inbreuk van privacy (en dat is het eigenlijk ook), maar Cash en hij kenden elkaar sinds 1965.

Cash vond het dermate goed dat hij het live in de Johnny Carson Show opnam. De producers vroegen hem de tekst Wishing, Lord, that I was stoned aan te passen naar Wishing, Lord, that I was home, maar hij zong het zoals het geschreven was en legde zelfs de nadruk op ‘stoned’. Het bereikte de eerste plek in de Countrylijsten.

Keuze Hans Dautzenberg: The Man In Black (1971)

Oudere zus

Oudere broers zijn heel belangrijk in de popmuziek. Oudere broers hebben smaak. Ze hebben LP’s en ze spelen vaak gitaar. De jongere broer wil hem overtreffen, in smaak, in het ontdekken van muziek, op de gitaar. Jaloezie, competitie en fanatisme in een bed van emotie, binnen dezelfde genenpool. Voorbeelden te over van bands waarin broers het maken. Door harmonieus samenwerken – de Bee Gees – of elkaar te lijf gaan – Kinks, Oasis. Het resultaat mag er altijd zijn. Zelfs als de broer er niet is, is hij soms de drijvende kracht. Luister naar Johnny Cash. Diens twee jaar oudere broer overleed op 12-jarige leeftijd door een ongeluk. Johnny nam de schuld ongevraagd op zich, al schijnt zijn vader daar ook aan bijgedragen te hebben. Voeg bij deze tragiek een prachtig donkerbruine stem, een snufje eigengereidheid, schets er een decor van arme katoenplukkers in het zuiden van de V.S. bij en je hebt een verhaal.

Ik heb geen oudere broer. En de platenkast van mijn oudere zus bevatte Heintje, waarvan mijn moeder zei dat hij bij ons om de hoek, naast mijn beste kleuterschool-vriend, had gewoond. Ik heb dat nooit bevestigd gezien. Dat was kennelijk vóór dat hij Ein Schloss voor zijn Mama in België bouwde. Toch heb ik Johnny Cash ontdekt via mijn zus.

Toen mijn belangstelling een beetje gewekt was voor muziek, laten we zeggen zo rond 13 jaar, luisterde ik naar van alles. Je zoekt houvast in de Top 100 Aller Tijden – tja 100, dat was voldoende om het kaf van het koren te scheiden, kom daar eens om na 2000 – en je spit onbevangen nieuwsgierig door de rijen platen van je zusje. Mijn lieve zus was toen, en is nog steeds, getrouwd met haar jeugdliefde. Ik mocht op zoektocht in de Fundgrube die de LP-verzameling van mijn zwager was.

Gezeten tussen de platenspeler en de platenkast, met een grote koptelefoon op mijn oren, ging ik op expeditie. Steeds weer. Zo vond ik in de geplaveide middle of the road, klassiekers als Louie Louie en In The Summertime van Alle 13 Goed of een vroege (1975!) discostamper als Shame, Shame, Shame (Shirley & Co.) van The Best Of Disco. Ontdekte in het warme, vochtige moeras van het complete oeuvre van Creedence Clearwater Revival, parels als I Put A Spell On You, Proud Mary, Who’ll Stop the Rain en het Vietnamprotest Fortunate Son. Of waande ik me in de studio bij de soulgoden op het album Black Gold 24 Carat, toen ik met stijgende opwinding voor het eerst van mijn leven nummers als Soul Man, Memphis Soul Stew, It’s A Man’s World en (Sittin’ On) The Dock Of The Bay hoorde. Andere ontdekkingen waren het in uitklaphoes gestoken Hot Burrito van The Flying Burrito Brothers (met onder andere Wild Horses) en de Stones-verzameling Rolled Gold.

En er was die blauwe hoes. Een man kijkt omlaag, het tegenlicht van de spot achter zijn hoofd geeft hem een sacraal aura, de hals van een basgitaar priemt in zijn borst als de loop van een pistool. Johnny Cash At San Quentin. Nee, ik was niet meteen fan. Country vond ik maar zo zo. En toch. Dit was bijzonder. Een optreden in de gevangenis, begreep ik van de hoestekst. Een gevangen publiek, dat was wat ik beluisterde. A 1.000 -strong caged animal (Phil Sutcliffe in Blender oktober 2006). Het zette de zaalreacties in een heel ander daglicht. Dit album was een hoorspel, een spannende verhandeling over een driekhoeksverhouding tussen een zanger met outlaw trekjes, de gevangenisautoriteiten die hem binnen lieten en de gevangenen die smulden van zijn plaagstoten naar de bewakers en zijn stoere mannen liedjes. Zoals over een jongen met de naam Sue. Een hoorspel in een hoorspel. Had Cash dit niet geschreven als zijn broer niet was verongelukt? Ik weet het niet. Maar ik had het niet gehoord, als ik mijn zus me niet die platenkast had laten ontdekken. Het was daar dat mijn liefde voor muziek op het goede spoor is gezet.

De revelatie van de complexe persoon Cash als artiest, als echtgenoot, als Amerikaan, als Christen, als boef en als schrijver heeft zich voor mij geleidelijk voltrokken. Bij elke onthulling werd het beeld boeiender. En raadselachtiger. The Man in Black werd hij genoemd, een etiket waar hij zelf in 1971 achteraf een verklaring bij formuleerde.

Keuze Martijn Janssen: The Wanderer (1993)

Handleiding

Veel liedjes kunnen op zichzelf staan. Je hoort ze, of hier op Ondergewaardeerde Liedjes laat je ze aan anderen horen, en de kwaliteit van het liedje komt direct naar voren. Maar er zijn ook nummers die je eigenlijk niet los van de context kan horen. Bij The Wanderer, het nummer dat Johhny Cash samen met U2 opnam voor hun album Zooropa, heb ik dat gevoel. Ik vind het een geweldig nummer maar vind ook dat het verhaal erachter net zo belangrijk is. Want anders lijkt het net een vreemde pastiche van een countrynummer op een vreemde U2 plaat.

U2 begon de jaren negentig met nieuwe creatieve inspiratie. Weg ging hun imago van humorloze wereldverbeteraars. In plaats daarvan kwamen de zonnebrillen, ironie, glamour en de glitter van hun Zoo TV periode. Hier stonden rocksterren! Dit alles verbloemde dat onder de gevatte opmerkingen en gladde lach de muziek van het album Achtung Baby bloedserieus was. Daar was volop bitterheid en hartezeer te vinden over verbroken relaties (zoals de scheiding van gitarist The Edge met zijn eerste vrouw) of over relaties die op breken stonden (de band zelf toen ze op verschillende golflengtes leken te zitten aan het begin van de plaatopnamen). Opvolger Zooropa leek muzikaal wat luchtiger maar ook daar gingen liedjes over onzekerheid, de toenemende druk van de maatschappij en over het geloof.
En dan was daar ook nog The Wanderer. Een nummer waarin Bono uiteenzet hoe het nu zit met de band de afgelopen jaren. Het is de ontmaskering van de Zoo TV periode. Het lied verhaalt over een man die zich probeert te zondigen naar de zaligheid.

I went out there in search of experience
To taste and to touch and to feel as much
As a man can before he repents

Hoezeer de band ook probeert om de bedoeling te verhullen met een lullige sci-fi countryshuffle aankleding en een cliché countrygitaarsolo de vocalen van Bono prikken door alle ironie heen. De band vreest dat ze zo het etiket van pompeuze hoeders van het goede doel weer terug krijgen. Maar het nummer is eigenlijk te goed om niet te gebruiken, om weg te stoppen in hun archief. De oplossing dient zich aan wanneer Johnny Cash in Dublin, Ierland langskomt.

Begin jaren negentig lijkt de carrière van Johnny Cash opgedroogd. Zijn albums doen niet veel meer, zijn publiek krijgt meer grijze haren of heeft helemaal geen haar meer. Maar als rasartiest blijft hij optreden. En zo komt hij in contact met U2, na afloop van zijn concert in Dublin. Blij verrast door de uitnodiging om langs te komen in de studio blijkt hij de perfecte persoon om The Wanderer in te zingen. Want de zware vocalen van de man in het zwart maken elke songtest tot in steen gebeitelde tafelen. Het relaas van de man die even de krant gaat halen en vervolgens de wijde wereld in trekt krijgt zo epische proporties. Elke serieuze intentie van U2 lijkt over het hoofd te worden gezien nu het zo wordt uitvergroot door de voordracht van Johnny Cash.

En dat is wat het nummer zo bijzonder maakt voor mij. Je hebt het grote contrast tussen de  ‘ironische’ muziek en de serieuze zang van Johnny Cash. Dan is daar die geweldige tekst die op het lijf van Cash lijkt te zijn geschreven maar ook de intentie van de band treffend samenvat. Nog geen jaar later gaat Johnny Cash in zee met producer Rick Rubin en gaat hij terug naar de basis van alleen een gitaar en zijn liedje. Het album American Recordings geeft hem een nieuw leven. De jaren van rondzwerven in de muziekwildernis zijn dan voorbij. The Wanderer is weer thuis.

Keuze Remco Smith: I See A Darkness (2000)

Chemie

Johnny Cash. Dat was voor mij tot 1994 toch de man van dat vreselijke Ring Of Fire. Voor mij was er geen aanleiding om dieper in Cash te duiken. Ik was toen 21 jaar, zat in de grungefase. Dan is ‘kuntrie’ toch al snel iets waar je niet vrolijk van wordt. Ook al waren studievrienden van mij in Garth Brooks; het was voor mij geen reden om mij in die muziekstroming onder te dompelen. Zeker niet omdat Cash mij kuntrie om de leuk leek, zoals bij A Boy Named Sue. Ik had geen goesting om de catalogus van Cash er eens bij te pakken.

In 1994 werd dat anders, dankzij Delia’s Gone. De eerste single van American Recordings. Rick Rubin, befaamd producer van onder meer Beastie Boys en Run DMC, vond dat Cash afgestoft moest worden. Alleen een gitaar, stem extreem ver in de productie. Veel eigen liedjes maar ook veel covers. Wel behoorlijk uitgemolken, als ik eerlijk ben. American Recordings tot en met American VI: Ain’t No grave uit 2010 (zeven jaar na zijn dood): het kon een tandje minder. Veel liedjes recht in de roos, maar ook wel een groot aantal missers. Gemakzuchtig vooral, zoals bij One op American III. Of Personal Jesus op IV. In beide gevallen was het origineel superieur. Interessanter werd het bij covers van bands/zangers die ik nauwelijks kende. Bird On A Wire van Nick Lowe bijvoorbeeld. Zo’n vertolking doet je naar het repertoire van die zanger grijpen. Op zijn best werden de American platen dan opeens de start van een ontdekkingsreis.

Het mooiste liedje vind ik toch wel I See A Darkness, op American III: A Man Comes Around. De betovering zit hem denk ik in de eerste zin (Well you’re my friend) en de chemie van de stemmen van Cash en Bonnie Prince Billy, die het origineel had opgenomen en nu als achtergrondzanger fungeerde. Daarmee weten zij mij echt te raken. En dat is uiteindelijk waar het bij goede muziek om te doen is. Bonnie Prince Billy heeft trouwens ook net, in 2021, nieuwe muziek uitgebracht. Alle reden om nu eindelijk ook eens echt in die muziek te duiken.

Keuze Erwin Herkelman: Wayfaring Stranger (2000)

Een mooi contrast

Trinity (NL) leerde mij al dat er in Christelijke hoek af en toe ook best leuke muziek gemaakt wordt. Dat bewezen zij met Pueblo Mundial, maar tijdens datzelfde concert noteerde ik ook een ander nummer: Wayfaring Stranger.

Een ‘traditional’, zoals de kenners dat plachten te zeggen. Voor het eerst gedocumenteerd in 1858 maar waarschijnlijk al veel ouder. En zoals bij dit soort traditionals te doen gebruikelijk ook al in vele versies en variaties verschenen. Onder andere door Burl Ives, voor wie het zijn ‘signature song’ werd én de titel van zijn eigen radioprogramma. Maar ook Emmylou Harris waagde zich eraan. Daarnaast kwam het vaak terug in oorlogsfilms.

En later sloot ook de Nederlandse gospelband dus aan in het rijtje van uitvoerende artiesten. Met hun Peruaanse roots maakten zij er een lekker uptempo nummer waar de vrolijkheid vanaf straalde. Maar toen ik het opzocht in Spotify stuitte ik ook op de versie van Johnny Cash. En dat wekte mijn nieuwsgierigheid.

Cash nam zíjn versie op voor het album American III: Solitary Man. Hij kampte op dat moment met een slechte gezondheid, was in het ziekenhuis opgenomen met een longontsteking en moest daardoor zijn tournee inperken. De gezondheidsproblemen hadden ook hun effect op zijn stem. Die was nóg dieper, nóg zwaarder dan normaal, iets dat ook goed terug te horen is in dit liedje.

Het gigantische contrast tussen beide versies vond ik zó mooi dat ze uiteindelijk allebei in mijn favorietenlijstje belandden. En zo hoor ik ze nog af en toe eens voorbij komen. En waar ik de handjes in de lucht toe bij Trinity, houd ik me bij Johnny Cash altijd even stil zodat die prachtige, doorleefde stem de ruimte kan vullen.

Keuze Jeroen Mirck: I Hung My Head (2002)

Intensiteit

Er zijn mensen die de American Recordings van Rick Rubin met Johnny Cash smalend afdoen als een commercieel slimme marketingtruc, maar deze sceptici weten de impact van de vier coveralbums niet op waarde te schatten. Helemaal bijzonder is dat dit project zelfs op het vierde album (The Man Comes Around uit 2002; de laatste plaat die Cash ooit maakte) één van ‘s mans mooiste performances aller tijden opleverde: zijn persoonlijke zwanenzang Hurt, compleet anders dan het ook briljante origineel van Nine Inch Nails.

Op datzelfde album staat nog zo’n tijdloze parel. Eentje die je verbaasd doet uitroepen: hoe kan dit nummer níet door Cash zelf zijn geschreven!? Ik heb het over I Hung My Head, een indringende monoloog over iemand die een domme moord pleegt, ter dood wordt veroordeeld, vergeving vraagt en een vorm van verlossing beleeft. Typisch Cash, maar het nummer komt uit de pen van… Sting. De Britse Police-voorman schreef het voor zijn soloalbum Mercury Falling (1996) als ode aan de TV-westerns en countrymuziek waar hij zo van houdt. Welnu, de componist van Roxanne weet die Amerikaanse sfeer perfect neer te zetten. De tekst is bijna Bijbels, zo mooi en puur.

Toch is het de versie van Cash die dit nummer eeuwigheidswaarde geeft. De ‘man in black’ maakt er pas echt de American Recording van die het nummer op papier al was, maar zijn stem voegt er bovendien gevoel en intensiteit aan toe die het origineel een beetje miste. Muziekblad Rolling Stone formuleert het als volgt: To sing tenderly of violent death is a performer’s great achievement, but to actually hear a snapshot of guilt in Cash’s voice makes this song the cream of the murder ballad crop.

Keuze Jan-Dick den Das: Like The 309 (2006)

De laatste trein

Johnny Cash schreef graag liedjes over treinen, in 1955 was daar Hey Porter. Het was meteen zijn eerste hit. Zijn allerlaatste liedje ging ook over de trein. Like The 309 uitgebracht drie jaar na zijn dood op 4 juli 2006. Als je het nummer luister hoor je de breekbare stem van Cash, maar wat is het mooi. De trein met nummer 309 die het landschap doorkruist met daarop zijn kist.

It should be a while before I see doctor Death
So, it would sure would be nice if I could get my breath
Well, I’m not the cryin’, nor the whinin’ kind
Til I hear the whistle of the 309, of the 309, of the 309
Put me in my box on the 309

Het is zo’n nummer wat subliem is in zijn eenvoud, de muziek daarin voel je trein gaan. Slidegitaar, bas, drum en gitaar veel meer is het niet maar het werkt gewoon meer dan goed. En Johnny die de prachtige tekst zingt zoals hij dat alleen kan, in dit geval laag, zoals gezegd breekbaar maar ook enigszins grimmig. Als dit het liedje is wat je als laatste schrijft ben je een grote en dat was hij natuurlijk ook. Zo’n artiest waar je een film over zou kunnen maken, wat dus ook is gebeurd. Een leven vol drank, drugs, God en June Carter waar hij sinds 1968 samen mee was. June overleed op 15 mei 2003, Johnny dus vier maanden later. In die vier maanden nam hij nog 30 nummers op waaronder dus Like The 309.

Write me a letter, sing me a song
Tell me all about it, what I did wrong
Meanwhile, I will be doin’ fine
Then load my box on the 309
On the 309, on the 309
Gonna get outta here on the 309

Like The 309: een klein liedje van een groots artiest.

Keuze Marco Groen: God’s Gonna Cut You Down (2006)

Repent!

Er was een tijd dat artiesten het als een eer beschouwden om gecoverd te worden door Joe Cocker. De nummers die Cocker op geheel eigen wijze vertolkte werden in een ander jasje gestoken en in sommige gevallen zouden ze populairder worden dan het origineel. Hetzelfde gaat in iets mindere mate (maar niet veel) op voor Johnny Cash. Een man die, in tegenstelling tot Joe Cocker, wel in staat was om zijn eigen liedjes te schrijven. Voorbeelden van werkjes die succesvol door Cash aan de man gebracht werden zijn Personal Jesus (oorspronkelijk van Depeche Mode), Won’t Back Down (Tom Petty) en natuurlijk Hurt van Nine Inch Nails. Toen ik voor het eerst geconfronteerd werd met zijn uitvoering van God’s Gonna God You Down was ik dan ook in de veronderstelling dat hiermee hetzelfde aan de hand was. Had ik dit nummer namelijk niet eerder ‘ontdekt’ op het album Play van Moby, waarna ik er kort daarna achter kwam dat dit een bewerking was van het ‘origineel’ van The Blind Boys of Alabama? Van die gedachtegang bleek niets te kloppen.

God’s Gonna Cut You Down is namelijk een Amerikaanse traditional. Het type lied waarvan het origineel, als zoiets al bestaat, niet meer te achterhalen is. Johnny Cash, Moby en The Blind Boys of Alabama waren verre van de enigen die hiervan een uitvoering hebben uitgebracht. En ze waren zeker niet de eerste. De vroegst bekende opname komt uit 1937 van de Heavenly Gospel Singers. Dat juist een gospel band dit oppikte is niet helemaal toevallig; qua tekst past het nummer dan ook perfect bij dit genre. Voor alle zondes die je op je geweten hebt zal je gestraft worden. Je kan er een tijdje voor weglopen, jezelf verstoppen, maar uiteindelijk rekent god met je af. De gebruikelijk dreigende retoriek die we van de Abrahamistische religies gewend zijn. Perfect materiaal om muziek van te maken.  Het werkt al jaren erg goed voor veel metalbands, die gretig de pentateuch gebruiken als inspiratie. God’s Gonna Cut You Down ontkwam een tijdje aan deze verkettering. Het bleef voornamelijk hangen binnen de Christelijke scene. Pas in de 21ste eeuw waagden wat minder fundamentalistische artiesten zich aan het nummer. Er volgden versies van Elvis, Tom Jones en nog wat later volgden er sarcastische uitvoeringen van Nina Hagen en Marilyn Manson. Veel serieuzer was de uitvoering van Johnny Cash. De man in het zwart weet tijdens het zingen ervan de indruk te wekken dat het tijd wordt om met gierende banden naar een biechthokje te rijden. Cash zingt alsof hij het meent. De emotie in zijn stem doet vermoeden dat hij zich grote zorgen maakt over het uiteindelijke, eeuwige lot van zijn medemens. Samen met de uitvoering van The Blind Boys of Alabama zorgt dit ervoor dat deze versies zeer geloofwaardig zijn, wat ze meteen ook beter maakt dan andere pogingen. Vooral die van Elvis is eigenlijk lachwekkend te noemen, wat in dit geval geen compliment is. Persoonlijk vind ik de uitvoering van de blinde ‘jongens’ (ze zijn tamelijk bejaard) nét wat beter dan die van Cash, maar een echt uitgemaakte zaak is de podiumverdeling niet.

Het nummer is onder verschillende namen uitgebracht: de een noemde het Run On, maar er zijn ook uitvoeringen te vinden die God Almighty Is Gonna Cut You Down, God’s Gonna Cut ’em Down, Sermon Of Run On For a Long Time heten. Het is allemaal hetzelfde nummer met exact dezelfde boodschap. Voor wat betreft de videoclip zet Johnny Cash alle andere versies in de hoek: het is een aaneenschakeling van beroemdheden die, zo te zien, allemaal spijt hebben van hun zondige leven.

Keuze Joop Broekman: Rosanne Cash – Sea Of Heartbreak (2009)

Ondergewaardeerd

De liefde voor Johnny Cash kreeg ik mee van mijn vader door zijn wekelijkse country-uurtjes. Nou ja, ik zou het geen liefde noemen. Meer de waardering, eigenlijk. De traditionele country bleef niet erg hangen, maar ik had er ook geen hekel aan. Alleen die line dance tunes, dat genre gaat nooit wennen.

In eerste instantie waren het de grote hits, die trouwens nog altijd fijn klinken. Bij A Thing Called Love krijg ik nog steeds dat warme gevoel van vroeger, toen ik het als kind voor het eerst hoorde. Een van de vroegste herinneringen waar ik de zon hoorde schijnen in de muziek. Die beschrijving is best lastig uit te leggen, maar in je hoofd kan er veel. Verder ken ik lang niet al zijn muziek, de man in het zwart heeft zoveel songs uitgebracht. Met een diepe duik op in zijn oeuvre op een vrije zaterdagmiddag ben je er nog lang niet. Al kun je wel een eind komen, want hij was niet van de langdurige liedjes. Maar een klassieker als Live At San Quentin, die hoort gewoon in de kast te staan. Ik koester de vinylversie (met bliepjes!) die ik op een rommelmarkt uit een bak trok. En net als andere snobs heb ook ik een mening over de reeks American Recordings. Lang niet iedere poging is raak.

In het leven van Cash gebeurde van alles. Uit zijn eerste huwelijk kwam dochter Rosanne, die ondertussen ook al zo’n ruime 40 jaar muziek maakt. Haar stijl is poppy country, waarin je rock, folk en blues hoort. Invloeden van Americana hoor je vrij subtiel, maar ze zijn er. In de Verenigde Staten is ze in het genre country een grote mevrouw, pakt ze af en toe zelfs een prijs, maar aan deze kant van de oceaan houdt het niet over. Ik weet niet meer hoe ik haar ontdekte, een jaar of zeven geleden. Waarschijnlijk via de site Kindamuzik, waar ik wel meer (voor mij) onbekende muziek scoorde. Toen ik The River & The Thread voor het eerst hoorde, vond ik het niet meteen erg bijzonder. Het lag wel meteen goed in het gehoor. Een lekker warm geluid, fijn geproduceerd. Ik had hooguit haar naam wel eens gehoord, maar wist toen nog niet dat ze al een aardige tijd bezig was. En ook van een behoorlijk constant niveau. Veel van haar platen kun je gerust draaien op bijvoorbeeld een middag of avond waarop je helemaal niets hoeft. Een goed glas bourbon er bij en het genieten is aardig compleet, hoor.

Naast The River & The Thread kan ik je ook The List uit 2009 aanraden. De titel slaat op een lijst met de allerbeste country- en Amerikaanse liedjes die ze op haar 18e verjaardag van haar vader kreeg. Uit deze lijst koos ze twaalf songs waarmee ze aan de slag ging. Op het album hoor je ook beroemdheden zoals Elvis Costello en Jeff Tweedy. En in Sea Of Heartbreak hoor je Bruce Springsteen heel mooi ingetogen meezingen. Het nummer ken je wellicht van de American Recordings-reeks. Maar deze versie vind ik beter, mooier, en vooral warmer.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.