Social
  • RSS feed
  • Twitter
  • Facebook
 

Ondergewaardeerde Liedjes


The Battle: side projects

Een nevenactiviteit is als naar volle tevredenheid standaard de boodschappen doen bij een bepaalde grootgrutter, maar toch het gevoel hebben dat er iets ontbreekt in het assortiment. En dus besluit eens rond te neuzen in je de specialiteitenwinkel. Gewoon, even iets geheel anders. Verandering van spijs doet tenslotte eten.

En dat is nu precies wat de artiesten hier ook gedaan hebben. De kwaliteit droop van hun ‘standaardwerkjes’ af, maar ze wilden meer… iets exotisch, andere kost. Of dat gelukt is? Wij vinden van wel met deze selectie van ondergewaardeerde pareltjes.

Keuze Danny den Boef: The Cross – Heaven For Everyone (1988)

Een tweede kans

Roger Taylor kennen we natuurlijk allemaal als drummer van hitsensatie Queen. Of die met dezelfde naam bij Duran Duran. Afhankelijk van de gekozen kant van van het muzikale spectrum, natuurlijk.

Roger Taylor (die van Queen dus) zong naast het drummen ook nog eens niet geheel onverdienstelijk. In de ‘jaren 80’ was hij nogal druk. Niet alleen bracht hij in de eerste helft maar liefst twee soloplaten uit, maar kennelijk waren de zes platen die hij met Queen in dat zelfde decennium uitbracht niet genoeg. Nee, meneer Taylor had behoefte aan nóg een side-project. En die vond hij, in de vorm van een nieuwe band. The Cross was geboren.

De band met naast Taylor onder andere de multi-inzetbare Spike Edney (onofficieel ook wel het vijfde lid van Queen genoemd) bracht in totaal drie albums uit en bestond van 1987 tot en met 1993. Wellicht het meest opvallende aan de band was de aanwezigheid van drummer Josh Macrae. Twee drummers in een band, dat moet vuurwerk geven zou je denken, maar nee. Tijdens het gehele bestaan van de band drumde Taylor zelf geen enkele keer. Geen enkele keer! Ik vind dat nogal wat.

Helemaal los van Queen kwam Taylor niet. Op het eerste album Shove It speelde gitarist Brian May een stuk gitaar mee op het nummer Love Lies Bleeding (She Was A Wicked, Wily Waitress). Ook Queen frontman Freddie Mercury mocht mee doen, want op het nummer Heaven For Everyone verzorgde hij de backing vocals. Alleen vierde Queen man John Deacon was nergens te bekennen. Zoals eigenlijk altijd. Waar is die man de laatste 25 jaar gebleven? Niemand weet het.

De titel Heaven For Everyone doet wellicht een muzikaal belletje rinkelen. Dat kan kloppen, want het in 1987 relatief snel vergeten nummer kreeg in 1995 zowaar een tweede leven. Tijdens de opnamesessies had Freddie Mercury namelijk niet alleen de backing vocals ingezongen; er bestond ook een versie waarbij hij de leadvocals op zich nam. Tijdens het maken van het Queen album Made In Heaven werd besloten dit nummer een Queen jasje aan te meten en het volledig opnieuw in te spelen, tezamen met de vocals van de inmiddels overleden Mercury. Het gesproken intro, het middenstuk en het einde – allen gezongen/ingesproken door Taylor op de originele versie – verdwenen. Waarom weet niemand, maar met succes. Een top 10 notering in verschillende hitlijsten over heel de wereld was een feit. In Nederland kwam Heaven For Everyone zelfs tot de 3e positie in de Top 40.

Toch blijft het origineel, in de versie gezongen door Roger Taylor, een klein ondergewaardeerd pareltje uit de 80’s. Maar goed, ik ben altijd al erg gecharmeerd geweest van de vocalen van Taylor. Lekker rauw. Lekker puur, ongepolijst. Rock pur sang.

Eigenlijk is Heaven For Everyone gewoon een prachtig nummer, dat al even mooi begint.

While you are imagining,
imagine for instance the sights which you can take advantage of.
Look at the beautiful cloud formations below you and above you.
This could be heaven.
Think of the colour of the sun as it shines off the clouds…

Mierzoet misschien, maar het hele nummer gaat over het feit dat we allemaal wat liever tegen elkaar moeten doen, zodat het dan voor iedereen een klein feestje op aarde wordt. Wees gewoon lief voor elkaar. Een prachtige en actuele gedachte, die soms zo verdomd ver weg lijkt.

Keuze Tricky Dicky: Tin Machine – Under The God (1989)

Over de verloedering van de maatschappij

Het debuut van Tin Machine was ingegeven door de wens van David Bowie – en na tegenvallende (maar terechte) kritieken op zijn Never Let Me Down album uit 1987 – om weer eens muziek voor zichzelf maken en niet voor de massa.

Kennelijk deelden de critici en het platen/muziekkopende publiek zijn smaak niet, want de verkopen vielen (zwaar) tegen. Ik, daar aan tegen, vond de hardere rock en controversiële teksten een verademing en het album gaf een knipoog naar de stevigere nummers van Heroes, zoals Beauty And The Beast en Joe The Lion maar dan zonder de electronica. Terug naar de basis, dus!

Tin Machine, het album, komt op je af als een ijzeren muur. De overige bandleden stelden dat alle door Bowie gecomponeerde nummers niet herschreven mochten worden. Ergo, het basisidee en de eerste gedachte moesten overeind blijven. Het veroordeelde Bowie tot messcherpe gedachten, of zoals hij het zelf zei: Prevention is better than cure. Persoonlijk had hij liever één en ander aangepast. Tegelijkertijd stelde hij dat alles in een eerste take op het album gezet moest worden, zodat de rauwheid gewaarborgd werd.

Dit bleek zonder meer tijdens de live-optredens, die de plaatopname met gemak overstegen. Bowie was in topvorm en uit alles blijkt dat hij het gewoon heel erg naar zijn zin had. De absolute toptracks waren Crack City en Under The God, en de laatste verwees naar de wederopstanding van neonazisme in de ‘tachtiger jaren’ en Bowie besloot de tekst zo duidelijk mogelijk te maken zonder gebruik van metaforen.

Skin heads getting to school
Beating on Blacks with a baseball bat
Racism back in rule
White trash picking up Nazi flags
While you was gone, there was war
This is the West, get used to it
They put a swastika over the door

De critici vonden het vergezocht, want extreem rechts bestond in hun optiek slechts marginaal en verhoudingsgewijs zonder veel impact op de maatschappij. Lekker weer die kop in het zand steken, want het was een schromelijke onderschatting van deze groepering, die ondergronds planden en met regelmaat buitenlanders en immigranten aanvielen en vermoorden. Wellicht moeten we stellen dat Bowie toen al meer zag dan de gemiddelde burger, want in tijden van tegenspoed en onrust blijft het verrassend hoe snel en goed  georganiseerd neonazisme de kop opsteekt.

Keuze Edgar Kruize: Mad Season – Wake Up (1995)

Verzameling superjunkies

Mad Season was een band die in de afkickkliniek is ontstaan. Alice In Chains-frontman Layne Staley, Screaming Trees-drummer Barrett Martin, Pearl Jam-gitarist Mike McCready en sessiebassist Baker Saunders hadden op zich een prima carrière. Sterker nog, begin jaren negentig was qua populariteit hun piekperiode, heel veel groter werd de ‘Seattle Scene’ niet. Toch verloren zij zich in allerhande verdovende middelen.

Die verslavingen leverden niet veel goeds op. Layne Staley ging er nadat hij jaren eerder al zijn carrière volledig vergooid had in 2002 aan onderdoor. Baker Saunders had de boel ook niet onder controle en overleed drie jaar eerder al, in 1999. McCready en Martin gingen juist de volledig andere kant op. Het kan verkeren. Het korte moment dat ze samen vanuit die gedeelde smart die een verslaving is musiceerden, ontstond er echter magie. Dat leverde een handvol optredens en een gitzwart samenwerkingsverband op in de vorm van het album Above. Het album is er vooral een dat fans van Alice In Chains en Screaming Trees zullen kunnen waarderen, vol slepende midtempo rockers en teksten die er niet om liegen. Op Wake Up gloort er nog enig licht.

“Slow suïcide is no way to go!”

Staley schreeuwt het tegen het einde van de hartverscheurende maar desondanks sfeervolle albumopener uit. Het lijkt er op dat hij zich ook wel realiseert dat er iets moet veranderen. Verderop het album gaat het licht echter uit volledig uit en lijkt de zanger zich te schikken in zijn vroegtijdig en onvermijdelijk lot. “My pain is self chosen”, zo klinkt het in River Of Deceit. “The river of deceit pulls down. The only direction we flow is down.” Eigenlijk wist je toen al dat er geen redden meer aan zou zijn…

Keuze Henk Tijdink: Moondog Jr. –  TV Song (Live) (1997)

Gedenkwaardige Kerstavond

24 december is een bijzondere dag. Kerstavond.  Maar ook de dag dat ik naar het mooiste concert ooit geweest ben. Zeker 15 jaar lang is mijn Kerst niet beter begonnen. Op kerstavond 1997 (of 1998?) trad Moondog Jr. op in de Vera, voor de lezers ten noorden van de IJssel zeker geen onbekend terrein. Ze speelden twee en een half uur en belangrijker: ik heb me twee en een half uur niet verveeld. Dat is me daarna zelden overkomen.

Het is eeuwig zonde dat de muzikale wegen van Stef Kamil Carlens en Tom Barman zo vroeg gescheiden zijn. Tom is een fantastische ‘liedjesschrijver’, maar de creativiteit van Stef Kamil maakte van dEUS een geniale band.

Die creativiteit hoor je goed op het tweede album Everyday I Wear A Greasy Black Feather on my Hat. Een conceptalbum (vind ik), maar als je er dan toch wat liedjes uit moet pikken: de single TV Song, maar ook kleinere liedjes als Jintro & The Great Luna en Shall I Let This Good Man In zijn pareltjes.

Er is helaas weinig materiaal uit de beginjaren van Moondog Jr. te vinden.  Maar gelukkig zijn er mooie beelden en opnames gemaakt bij MTV’s Most Wanted, met onvolprezen Ray Cokes. Als dat al geen reden is om te kijken!

Het heeft 15 jaar geduurd voordat Moondog Jr. van de troon gestoten als mooiste kerstavond. De geboorte van mijn dochter heeft de nummer 1 positie voor eeuwig overgenomen.

Keuze Eric van den Bosch: Oysterhead – Oz Is Ever Floating (2001)

Licht uit de hand gelopen eenmalige gebeurtenis

Steeds vaker zijn muzikanten simpelweg genoodzaakt om nevenprojecten op te starten om de hypotheek te betalen. Het geld moet verdiend worden met ooptredens in plaats van met albumverkoop, en niet iedereen kan twee jaar op tournee na elk album. Romantisch is het niet, maar het is wel de dagelijkse werkelijkheid voor menig rockmuzikant.

Andere muzikanten hebben dergelijke projecten altijd al gedaan en hebben het misschien wel nodig als brandstof voor hun eigen creativiteit. De een maakt solo-albums, de ander zoekt de samenwerking met muzikanten die hij bewondert. Of ze doen allebei, zoals Les Claypool. Naast Primus– en solo-albums verschenen er albums onder de namen Les Claypool And The Holy Mackerel, Colonel Les Claypool’s Fearless Flying Frog Brigade, The Les Claypool Frog Brigade, Colonel Claypool’s Bucket of Bernie Brains, Electric Apricot en Les Claypool’s Duo de Twang. Misschien wel zijn meest opvallende nevenproject was echter Oysterhead.

Oysterhead was aanvankelijk bedoeld voor één optreden in New Orleans in 2000. Een jaar later werd er toch een album opgenomen en werd er zelfs een tournee gepland. De band werd als supergroep bestempeld en dat is niet zo gek. Naast Claypool waren de bandleden Stewart Copeland (The Police) en Trey Anastasio (Phish). Het album The Grand Pecking Order was een echte samensmelting van ieders stijl: het furieuze drumwerk van Copeland, de tegendraadse baslijnen van Claypool en de vloeiende composities van Anastasio bleken wonderwel in elkaar te passen. Na de tournee in 2001 was Oysterhead alweer voorbij, op een reünieconcert op het Bonnaroo Festival in 2006 na. Maar dat was al veel meer dan ooit de bedoeling was.

Keuze Dimitri Lambermont: Audioslave – Show Me How to Live (2003)

Een prachtige combinatie van de ritmers van RATM met de killerstrot van Soundgarden

Een superband? Een projectje voor ernaast? Hoe je Audioslave ook indeelt, het blijft een verdomd fijne band. Een groot deel van Rage Against the Machine. Maar dan zonder de herkenbare driftkikker met dreads Zach de la Rocha. De zanger van Soundgarden – Chris Cornell -, maar zonder zijn bekende maatjes achter hem.

In 2003 ziet debuutalbum ‘Audioslave’ het levenslicht. Een prachtige combinatie van de ritmes van Rage Against the Machine met de killerstrot van Soundgarden. Harde, groovende rock met de bekende uithalen van Cornell.

De single Show Me How to Live is hun derde single van hun debuut. Het komt niet zo heel hoog in de Billboards, maar toch is het een fijn nummer. En vooral een fijne clip. De band rijdt in een Dodge Challenger (uit de film Vanishing Point) door de woestijn. De politie legt een blokkade neer. Beelden van de band worden afgewisseld met beelden uit de bekende road movie. Uiteindelijk rijden ze zich kapot. De auto explodeert. Einde Audioslave.

Naast Chris Cornell spelen dus voormalige Rage Against the Machine leden Tom Morello (gitaar), Tim Cummerford (bas) en Brad Wilk (drums) mee. Het eerste idee voor de band komt op als Zach de la Rocha de band RATM in 2000 verlaat.

De bekende producer Rick Rubin stelt voor om Cornell als zanger aan te stellen. In 2002 besluiten ze samen te gaan werken onder de naam Audioslave. In 2002 komt hun eerste single Cochise uit. Hun debuutalbum uit november 2002 wordt binnen een maand goud.

Op 15 februari 2007 houdt het hele feestje alweer op. Cornell verlaat Audioslave, “Due to irresolvable personality conflicts as well as musical differences, I am permanently leaving the band Audioslave. I wish the other three members nothing but the best in all of their future endeavors.”

De leden gaan weer terug naar hun respectievelijke bands en de supergroep is geschiedenis. Ze laten drie albums na met een geheel eigen geluid. Drie albums, drie Grammy-nominaties en een fijne clip voor liefhebbers van road movies.

Keuze Harm Eurlings: Dorléac – Tommy And The Whale (2010)

Een van de vele, vele side projects van Spinvis

Erik de Jong maakt onder zijn artiestennaam Spinvis al jaren prachtige Nederlandstalige pareltjes van nummers, in een stijl die zo eigen en origineel is dat het wel lijkt alsof hij een eigen subgenre geschapen heeft. Het is in ieder geval een stuk eenvoudiger om navolgers aan te wijzen dan het is om voorgangers te ontdekken.

Erik de Jong is geen geboren zanger. Ik vind persoonlijk dat zijn stemgeluid en zangstijl uitstekend passen bij de nummers die hij schrijft, en dat de eigenwijze manier waarop hij duidelijk niet probeert een mooizanger te zijn perfect aansluit bij de aard van de Spinvis-liedjes. Maar ik kan ook begrijpen dat er mensen zijn die het jammer vinden dat de nummers van Spinvis niet door iemand anders worden gezongen. Voor deze mensen is er een oplossing: de band Dorléac. Een samenwerking tussen Spinvis en Geike Arnaert, die met haar typerende zanggeluid jarenlang de muziek van Hooverphonic van hitpotentie voorzag. Erik en Geike hadden in 2010 samen de muziek gemaakt voor de film Adem van Hans van Nuffel, en die samenwerking beviel zo goed dat ze besloten nog datzelfde jaar onder de bandnaam Dorléac een titelloos album uit te brengen. Het is een verzameling kwetsbare liedjes, waarbij opvalt dat het typische Spinvisgeluid ook overeind blijft bij Engelstalige nummers. En de vocalen van Geike zijn zeer overtuigend.

Tommy and the Whale is het kleinste liedje op het album en misschien daardoor juist ook het mooiste.

Het goede nieuws is dat Erik en Geike van plan zijn nog vaker onder de naam Dorléac samen te gaan werken. Het slechte nieuws is dat Dorléac zeker niet het enige side-project is van Spinvis en dat het daardoor nog wel eens jaren kan duren voordat we weer iets van ze horen. Goed nieuws is dan weer dat al die sideprojects er voor zorgen dat Spinvis zijn enorme talent op allerlei vlakken tot uiting kan laten komen. Hij heeft al een dansopera gemaakt, muziek voor een parkeergarage, een muziekfilm, een samenwerking met dichter Simon Vinkenoog (het album Ritmebox), een programma op De Parade gebaseerd op een roman van de Portugese schrijver Michael Magio, en zo nog wel een paar handen vol projecten!

Zo worden we altijd weer verrast door de creatieve output van Spinvis. Met altijd weer wisselende samenwerkingsverbanden. En Dorléac is daarvan een prachtig voorbeeld!

 Keuze Freek Janssen: The New Basement Tapes – When I Get My Hands On You (2014)

Marcus Mumford had het nog wel degelijk

Sommige bands kunnen weinig goeds doen in de ogen van snobs. Mumford & Sons is er zo eentje. Het eerste album werd met gejuich ontvangen. Daarna ging iedereen Mumford & Sons imiteren, de band zelf deed het met Babel nog eens dunnetjes over. ‘Teveel van het hetzelfde’, ‘uitverkoop aan de commercie’ riepen we. Ik moest destijds erg lachen om deze tweet van Martijn Vet:

Het derde album probeerden ze daadwerkelijk iets anders te doen, ze lieten de banjo thuis, en toen misten we de banjo.

Tja.

Marcus Mumford bewees nog niet zo lang geleden dat ie toch wel een hele grote meneer is, toen hij meedeed aan het project The New Basement Tapes, waarin nooit uitgebrachte liedjes van Bob Dylan op de plaat werden gezet door artiesten als Elvis Costello, Jim James (van My Morning Jacket) en dus Marcus Mumford.

Deze track, luister maar eens. Zo puur, eenvoudig, en vol hartstocht…

Afbeelding: Mad Season

 
 

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.