Social
  • RSS feed
  • Twitter
  • Facebook
 

Ondergewaardeerde Liedjes


Dialect-battle

Omdat we bij Ondergewaardeerde Liedjes ook niet vies zijn van hokjes, citeren we voor de verandering graag een keer WikipediaDe streektaalmuziek is grofweg in twee genres te verdelen: het (feest)rockachtige, geïnitieerd door Normaal, en het luisterliedachtige, waarmee Ede Staal beroemd werd. En daarmee is ook meteen een hoop gezegd. Normaal en Ede Staal plaveiden min of meer de weg voor de dialect-muziek in Nederland, Rowwen Hèze maakte er een snelweg van. Niet voor niets dat deze pioniers alle drie voorbij komen in deze battle.

Maar wel met hun meest ondergewaardeerde liedjes, natuurlijk…

Keuze Johan Koning: Ede Staal – Het Twijde Perron (1983)

Ede slaagt erin om zelfs het woord ‘belkt’ (schreeuwt) poëtisch te laten klinken

‘Chronisch Gronings’, staat er onder meer in mijn twitter-bio. En als je dan ziet dat er bij @ndrgwrdrdldjs een dialectenbattle op stapel staat, dan kan ik natuurlijk niet achterblijven. Daar moet wat Gronings in.

Automatisch gaan mijn gedachten dan terug naar ‘vroeger’. Met een vader die een reis naar Drenthe al een hele onderneming vindt en een moeder die ook liever ‘knauwt’ dan hooghaarlemmerdijks, bestond mijn wereldje toen vooral uit dorp en beetje ommeland. De krant werd gelezen, het journaal bekeken, maar de oren werden pas echt gespitst bij Radio Noord (toen nog voor Groningen én Drenthe).

Goed, Gronings dus. Maar wat kies ik? Ga ik voor de Fiebeldekwinten? De Askan Brothers? Wia Buze, zelfs?

Of ga ik voor het ietwat studentikoze duo Rooie Rinus & Pé Daalemmer, van wie de overgrote meerderheid van de dertigers en veertigers uit de provincie Groningen minstens t Beste in huis hebben? Het duo was al gestopt (1985) toen ik ze pas leerde kennen, door datzelfde t Beste (met fijne teksten als Framenummer, Alcohol en het bekendste werk Hoornse Plas). En dus was ik erbij, toen P&R hun rentree vierden in 2005. En ik vond het geweldig toen het duo tijdens Serious Request het Glazen Huis betrad. Ik denk dat Gerard Ekdom er nog wel eens gillend van wakker wordt.

En toch ga ik voor een heel ander fenomeen. Ede Staal. Troubadour die we tegenwoordig singer-songwriter zouden noemen. Man ook die ooit uit de Top 2000 werd geweerd, eens te meer een reden om ‘m hier wel te noemen.

Ik kies voor een vèrske van Staal dat niet zo bekend is, maar dat wel precies laat zien waar hij toe in staat is. Want, hoezo wij Groningers kunnen niet romantisch zijn? Hoezo wij zijn stug? Staal slaagt er in Het Twijde Perron in om zelfs het woord ‘belkt’ (schreeuwt) poëtisch te laten klinken (‘n Luudspreker belkt wat berichten).

Mijn vriendinnetje (nu mijn vrouw) woonde een heel eind weg van Leeuwarden, waar ik studeerde. We zagen elkaar destijds veel minder vaak dan we zouden willen, maar met enige regelmaat stapten we in de trein naar elkaar toe.

Precies het gevoel dat uit Edes Taal blijkt in dit sfeervolle meesterwerkje. Afijn, lees de tekst, luister naar de recht-toe-recht-aan-stem van de zanger en bekijk vooral ook de mooie nostalgische beelden die vanwege een verzamel-dvd over Ede Staal door RTVNoord is samengesteld.

Ik mag dan tegenwoordig ver van Groningen vandaan wonen en allang getrouwd zijn, het gevoel van die treinreizen kan ik me nog helder voor de geest halen. ‘Bliede gezicht’ bij aankomst, ‘zwaarde gezicht’ bij vertrek.

Oh ja: ik zou ‘twijde’ als ‘twaide’ schrijven. Maar goed, op internet zie ik alleen maar de hierboven gehanteerde spelling.

Keuze Martijn Koetsier: Normaal – Leagere School In Hummelo (1983)

Pröpkes schieten en deerntjes ploagen was ‘t liefste wat ik dee

Michael Jackson, The Beatles, Bert en Ernie… allemaal scoren ze hoog in het rijtje met mijn eerste muzikale herinneringen. De eerste plaats is echter onbetwist voor Normaal, die ik al vroeg leerde kennen als één van de favoriete bands van mijn vader. Ik zie het cassettehoesje nog precies voor me in het dashboardkastje liggen, terwijl ik vanaf de achterbank van m’n ouders Opel Kadett half over de chauffeursstoel hang om maar niets te missen van wat er op de weg voor ons gebeurt.

Niet dat daar zoveel gebeurde overigens, want het waren stille boerenweggetjes die ons elke zondag van ons huis in Deventer naar mijn oma in Epe brachten. Desalniettemin leek het op zevenjarige leeftijd steeds weer een enorme reis, waarbij ik elke week opnieuw versteld stond van het feit dat m’n vader dat allemaal maar uit z’n hoofd wist te vinden. En steevast was het album De Boer Is Troef van Normaal uit 1983 daarbij de soundtrack.

Dialectrock heeft doorgaans een nogal een onbenullig karakter en wie die mening baseert op een concert waar vrouwen met ontbloot bovenlichaam bovenop mannenschouders een douche van bier en stro ondergaan kan ik geen ongelijk geven. Maar natuurlijk kent ook dialectmuziek een veel diepere bodem dan dat. Zo luisterde ik ook als zevenjarig ventje al aandachtig op de achterbank als Leagere School In Hummelo op de autoradio voorbijkwam.

Als ik er nu zo over nadenk is dat aan de ene kant eigenlijk heel vreemd, want hoe kun je als klein kereltje nou het sentimentele karakter van het nummer waarderen? Aan de andere kant is het natuurlijk de perfecte leeftijd om je in te leven in zinnen als De vri-je woensdagmiddag, doar leaven ik noar toe / appels jatten, flinten schieten op één of andere koe of Schoolreisjen met de klas was veur mien een hoogtepunt / breudjes en twee gulden zakgeld, een rulleken peppermunt.

Beter kun je jeugdherinneringen eigenlijk niet verwoorden. En die nostalgische ondertonen hoorde ik er later natuurlijk alsnog in.

Keuze Marèse Peters: Pé Daalemmer en Rooie Rinus – Zundagoavend Blues (1984)

Een aanstekelijk mengsel van muzikaliteit, taalvirtuositeit en vrolijkheid

Van een geboren en getogen Limburgse verwacht je dat ze uit haar dak gaat bij Rowwen Hèze, of wegsmelt bij Gé Reinders. Maar niets is minder waar. Ik verloor mijn hart op mijn achttiende namelijk aan Groningen. En aan de dialectpop van Rooie Rinus en Pé Daalemmer.

Laat je niet foppen door hun wat melige naam en hun normcore-avant-la-lettre uiterlijk. In de provincie Groningen worden Pé en Rinus – nog steeds!- vereerd als helden. Door stadjers, studenten en ommelanders. De aantrekkingskracht van dit duo zit hem in de combinatie van muzikaal sterke nummers met intelligente taalvondsten en een overdosis vrolijkheid en humor. Onweerstaanbaar – in elk geval als je een tijdje in Groningen hebt gewoond.

De geschiedenis van Pé en Rinus in een notendop: Groninger Peter de Haan en Zeeuw Frank den Hollander ontmoeten elkaar bij studentenvereniging Albertus Magnus. In 1980 winnen ze samen het Albertus-songfestival. Daarna besluiten ze om op straat te gaan spelen. Spelen ze eerst nog covers van de Kinks, al snel volgen eigen nummers in een aanstekelijk mengsel van Gronings en Nederlands. Elke Groninger kent Alcohol, Framenummer, Carnaval in ’t Noorden, Baukelien en natuurlijk Hoornse Plas. Twee elpees en een hoop hits later houden Pé en Rinus het voor gezien. Het is 1984. Ze geven een afscheidsconcert en dat was het dan. Denken ze.

Want de fans willen meer. Op veler verzoek geven ze in 1990 een reünieconcert. In 1994 treden ze twee keer op onder het motto ‘Tien jaar uit elkaar’. Hun vijfentwintigjarig artiestenjubileum vieren ze in 2005 met een aantal grote concerten. Ook daarvoor vliegen de kaartjes weer als warme broodjes over de toonbank.

Tijdens het laatste concert speelt Daniël Lohues mee op Zundagoavend Blues: een onvervalst bluesnummer, met die typische vraag-en-antwoordstructuur in de zanglijn. Pé doet zijn relaas over een zeer onfortuinlijke zondagavond op weg naar zijn studentenkamer, en Rinus vertaalt het rappe Gronings nogal losjes voor het Nederlandstalige publiek.

Als Limburgse die op zondagavond in de trein zat op weg naar haar studentenkamertje in het hoge Noorden, met een tas vol etenswaren uit de vriezer van pa en ma, kon ik mij moeiteloos identificeren met dit nummer. Zoals het hele oeuvre van Pé en Rinus eigenlijk voor altijd verbonden is met mijn studententijd in Groningen. Zo mooi wordt het nooit meer.

Keuze Henk Tijdink: Ede Staal – Nij Stoatenziel (1986)

Ede heeft iets tot kunst verheven wat in het ‘Algemeen Beschaafd Nederlands’ veel moeilijker is: een sfeer creëren

Zaterdag heb ik een begrafenis. De vader van mijn beste kameraad is overleden. Kanker. Nog geen 70 jaar geworden. Zo liggen de harde feiten nu eenmaal.

Zaterdagochtend rijd ik vanuit Deventer naar Appingedam. Een rit die ik vaker maak; mijn ouders wonen er ook nog vlakbij. Vaak rijd ik binnendoor, en iedereen die in Salland woont en wel eens naar Hoogeveen of noordelijker moet zijn, die weet dan dat je over Ommen rijdt. Daarna even de A28 op, om vlak voor Assen de snelweg weer te verlaten. Nog een kilometer of vijftig naar Appingedam over een provinciale weg. Langs plaatsen met mooie namen als Bareveld, Wildervanksterdallen en Siddeburen….

Vaak achter een vrachtwagen. Inhalen heeft geen zin, 300 meter verderop rijdt er weer een, wat schiet het op…? Er is geen plek waar emotie en omgeving zo sterk bij elkaar komen? Met mooie zomerdag een eindeloos uitzicht. En in de herfst troosteloos: Grauw en donker, een combinatie van mist in de lucht en het uitzicht van akkers, de ploeg net door de dikke zwarte klei gehaald. Steeds wordt ik er op zulke dagen aan herinnerd dat je identiteit onlosmakelijk verbonden is met je geboortegrond.

Wanneer ik naar ‘het noorden’ rij, dan komt Radio Noord zo ergens rond Assen op de autoradio. De zaterdag is mijn favoriet. Een ruilbeurs waar materiële zaken van eigenaar wisselen. Twintig vierkante meter grinttegels voor een sapcentrifuge. Dat soort werk. En rond het middaguur een helpdesk waar je vragen over autoproblemen vakkundig beantwoorden worden. En dat allemaal in het dialect. En tussendoor geregeld een liedje. Iets van het Radio 2-genre, afgewisseld met, laat ik het maar het genre ‘Jannes’ noemen. Op zulke dag is dat altijd goed.

De oervader van muziek in het Groningse dialect is Ede Staal. Een korte carrière, een jaar of vijf slechts, tot hij op 45-jarige leeftijd overleed. Ook al kanker… Slechts twee albums, waarvan de tweede ook nog eens postuum is uitgebracht. Kenmerkend is zijn lijze stem.

Dialect doet iets met de luisteraar, wat in het ‘Algemeen Beschaafd Nederlands’ veel moeilijker is: een sfeer creëren. En Ede heeft dat tot kunst verheven. Door het luisteren naar zijn woorden zie je voor je ogen gebeuren wat hij beschrijft. De dagelijkse bezigheden van de mensen op het platteland, het melancholische gevoel dat je je vaak abrupt overvalt, wanneer je in het pikkedonker, zoals dat alleen in de uithoeken van het land bestaat, door de nacht rijdt. Maar vooral de sfeer van het landschap. Over het Hoogeland, het noordoosten van Groningen, zo ten noorden van de provinciale weg van Groningen naar Delfzijl schreef hij een prachtig nummer.

Maar het mooist is misschien toch wel zijn lied over Nij Stoatenziel. Een klein gehucht aan de dijk. Daarachter de Dollard. En dan verderop Duitsland. Alleen al de openingszin, na een zeer korte introductie door een meeuw en accordeon.

Nij Stoatenziel, doe bist mien end en mien begun.
Doe bist mien moan en doe bist ook mien zun

(Nieuwe Statenzijl, jij bent mijn eind en mijn begin.
Je bent mijn maan en je bent ook mijn zon)

De zin die na het luisteren nog lang in mijn hoofd blijft zitten beschrijft in mijn ogen en oren prachtig dat het platteland je de tijd en vergankelijkheid kan vergeten. Als je het maar wil.

Nij Stoatenziel, veur wel de rust en roemte wil.
Doar stait het tij en sums de tied nog even stil

(Nieuwe Statenzijl, voor wie de rust en ruimte wil.
Daar staat het tij en soms de tijd nog even stil)

Zaterdag hoop ik onderweg weer wat te horen van Ede. Het maakt niet uit wat. De zon tussen de wolken door, bij een opdrogend wegdek na een lentebui. Een klein uurtje om eens goed stil te staan bij de vergankelijkheid in het leven.

Maar wat anders in het Gronings is ook mooi…

Keuze Freek Janssen: Rowwen Hèze – Twieje Wurd (1991)

Omdat dit het moment is om chauvinistisch te zijn

Tot pakweg twee minuten voordat ik dit stukje begon te schrijven was ik ervan overtuigd dat ik voor een andere keuze zou gaan. Maar toen realiseerde ik me dat nog niemand in deze battle voor een Limburgs liedje is gegaan.

En áls er al een moment is om chauvinistisch te zijn, dan is het nu.

Ik woon al ruim tien jaar niet meer in Limburg en heb geen noemenswaardige last van heimwee. Dat hoeft ook niet, Brabant is een geweldige provincie om in te wonen en ik hou van Brabanders.

Maar die Limburgse muziek hè… Auw aan het hartje, traantjes in de oogjes. Met name met carnaval, maar daar schreef ik al eens een blogje over. Sorry, niet-Limburgers, maar daar kunnen jullie een hele dikke punt aan zuigen.

Rowwen Hèze is een klasse apart. Niet alleen binnen Limburg, maar ik durf te beweren dat ze een hele grote rol hebben gespeeld in de emancipatie van dialect-muziek in heel Nederland. Rowwen Hèze was net als Normaal bier gooien in een feesttent, maar ook mooie luisterliedjes.

En ga er dan maar eens eentje kiezen. Er zijn drie liedjes uit de beginperiode van Rowwen Hèze die mij kunnen onderdompelen in het kippenvel, en eigenlijk zijn ze me alle drie even lief. De Peel in Brand gaat over de magie van het kind zijn. Blieve Loepe beschrijft prachtig over hoe oneerlijk het verdeeld is in het leven

De iene dea rent veur zien leave
Den andere wandelt hiel rustig veurbeej
Heej zuj der alles veur geave, en heej zeit ze moge het hebbe va meej
Woa ge ook loept en wat ge aug denkt
Neejmand dea zeit ow wat good is of slech
Neejmand dea wet wie verlust of weej wint
Ge komp op ut end beej owzelf tereg

Over Twieje Wurd kan geen enkel dialect-liedje voor mij heen. Het is al eens voorbijgekomen in de begrafenis-battle, en als Sander er toen niet voor was gegaan, dan zou ik het hebben gekozen. Geen liedje kan zo mooi verwoorden hoe een gemeenschap verslagen is na het overlijden van iemand uit hun midden.

Ik heb de tekst zelf al eens gebruikt op een rouwkaart:

Enne gojje mins blieft altied leave

Dat andere liedje, dat houden jullie nog van me tegoed.

Keuze Eric van den Bosch: Daniel Lohues – De Trein Rolt Verder (2005)

Lohues bewees dat Drents en de blues voor elkaar zijn gemaakt

Het is een bijzonder jong, en dat is ‘ie. Daniel Lohues ging naar het Zuiden van de Verenigde Staten om zelf de blues te ontdekken en het resultaat was zompige blues uit de moerassen van, ehm… Erica.

Paul Ruven legde de reis vast in Heugste Tied Veur De Blues en je ziet beurtelings het kleine jongetje Daniel dat zijn ogen uitkijkt bij de bron van de blues en de nuchtere Drent, die op enig moment (in de documentaire vanaf ongeveer 11 minuten) even naar Drenthe belt en meldt: Ik zit op dit moment bij Elvis Presley in de tuune!

Het tweede album, Grip uit 2005, is tot op heden helaas het laatste resultaat van Een Drent In Bluesland. De ultieme versmelting van Amerika en Drente is te horen in het titelnummer van die plaat. Het is feitelijk het crossroads-verhaal van Lohues’ held Robert Johnson, maar dan met een volstrekt eigen, Drentse twist. Zelfs Maria wordt nog aangeroepen. En dan krijgt hij het óók nog voor elkaar om een woord als ‘balsturig’ te gebruiken, naast ‘hellig’ en ‘gloepens duur’.

Twee albums lang bewees Lohues dat Drents en blues voor elkaar gemaakt zijn. Meesterlijk!

 
 

2 Comments

  1. do ma gewoan da doe I a gek genog
    gewoon niet aankomen

  2. eric

    Huh! je bent een raar persoon Freek,als ik 3 Rowwen heze liedjes moest kiezen koos ik dezelfde!!!!!!

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe jouw reactie gegevens worden verwerkt.