Ondergewaardeerde Liedjes


De Nineties-battle

Nog maar net bijgekomen van het tijdvak Eighties, dat we vorige week behandelde, gaan we nu verder met de Nineties. Voor velen zal dit een feest van herkenning zijn, omdat het een periode is die velen bewust hebben meegemaakt. Als Skater, Gabber of Alto. Misschien had je zelfs wel een Oilily-sjaaltje om.

Hoe dan ook het was een tijd van vooruitgang en de opkomst van nieuwe stromingen in de muziek, die blijvend veel invloed hebben gehad op muzikanten van nu. Al kun je van mening verschillen over genres als Eurodance en gabberhouse, die ook heel populair waren.

Wat hebben de 90’s ons dan gebracht? Nou legendarische grote artiesten als: Pearl Jam, Radiohead, Red Hot Chili Peppers, Nirvana, The Manics en Jeff Buckley! Maar ook kwamen triphop-artiesten als Portishead en Tricky ten tonele. En niet te vergeten: de hiphop en rapscene kleurde de muziekgeschiedenis verder in. Kunnen we ons nog een muzieklandschap zonder rap voorstellen? Nee, toch!

Onze bloggers kijken terug op deze enerverende periode in de muziekgeschiedenis: opzoek naar het ondergewaardeerde pareltje, dat jij mogelijk gemist hebt of juist ook geweldig vindt.

Keuze Erwin Tijms: Paris – The Devil Made Me Do It (1990)

Compromisloos

Eind jaren ’80. De golden age of hiphop. New York staat op de kaart met Public Enemy en eerder Run DMC, KRS-One en vele anderen. Aan de westkust schrijft Ice-T 6 I The Mornin’ en de gangsta rap is geboren. In San Francisco benadert de jonge rapper Paris zijn muziek vanuit een heel andere invalshoek dan zijn zuidelijke collega’s. Hij vindt inspiratie bij Malcolm X en de Black Panthers.

This Is A Warning, begint hij. En neemt u het maar serieus. Paris predikt krachtig en boos over raciale spanningen. Het masterplan tegen de zwarte bevolking. Hij heeft wat te vertellen. Onder begeleiding van kerkorgels rapt hij intens en rauw verder.

Just The Way The Devil Had Planned It.
Rape Then Pillage Everyone On The Planet.
Then give ‘em fake gods at odds with Allah.
Love thy enemy and all that hoola

Het moge duidelijk zijn wie in zijn ogen de duivel is. En weer door. Over de crack cocaïne die zorgt voor bendegeweld en de zwarte wijken in de grote Amerikaanse steden overspoelt. Op naar het felle Unless You Don’t Give A Fuck To Be Free, waar niet eens meer een beat onder staat. Dit nummer was niet voor niets door MTV in de ban gedaan.

The Devil Made Me Do It is een compromisloos nummer van een controversieel artiest. Hij predikt revolutie. Paris is geen gangsta rapper en heeft niets met het hedonisme waar hiphop nu om bekend staat. In plaats daarvan probeert hij bewustzijn te creëren bij zijn luisteraars. Dit nummer is een van de hoogtepunten van hiphop als creatieve én politieke uiting.

Keuze Remco Smith: Chris Whitley – Living With The Law (1991)

Woestijnblues

In 2000 trad Chris Whitley in Nijmegen op. Alleen, met gitaar, tussendoor zelf stemmend. Met zijn magere armen een beetje krom over zijn gitaar buigend. In een donker, nog minder dan half vol Doornroosje. Ik had er al lang naar uitgekeken om hem live te zien optreden. Voorafgaand het concert had ik mij nog bedacht, dat zijn muziek altijd bij mij was geweest. Als steun. Als troost. Op dat moment, een paar maanden voor het concert, was mijn relatie nogal hardhandig geëindigd. In 1997, bij het uitkomen van Terra Incognita, was ik ontheemd mijn weg in Nederland aan het zoeken na een lange reis Down Under. In 1995 bij het uitkomen van Din of Extacy: de zoektocht naar wie ik wilde worden. In 1991 bij het uitkomen van Living with the Law: de vaak erg leuke maar ook eenzame start van mijn studie rechten in Tilburg.

Voor het concert zat ik in de bar bij Doornroosje nog wat te drinken. Aan de tafel naast mij zat Chris Whitley rustig de krant te lezen. Een enkeling sprak hem aan, vroeg met succes om een handtekening op shirt, poster of CD. Zou ik hem aanspreken? Vertellen wat zijn muziek voor mij betekende? Hoe zijn woestijnblues mij raakte? Hoe zijn volstrekt eigenzinnige combinatie van dobro, liedjes en stem mij net dat duwtje in de rug had gegeven dat ik soms nodig had? Ik ben blijven zitten. Heb hem niet aangesproken. In 2005 is hij door longkanker overleden.

1991 was één van de jubeljaren in de muziek. Ga maar na: Nevermind, Out of Time, Blood Sugar Sex Magic, Achtung Baby, Woodface, Ten en ga zo maar door. Stuk of stuk klassieke, vaak baanbrekende rockalbums. Maar wat ik door jaren het meeste heb gedraaid van alle muziek uit 1991, is Living with the Law van Chris Whitley.

Keuze Ronald Eikelenboom: Body Count – Cop Killer (1992)

Wonderlijke carrières

Mijn eerste gedachte toen ik een oude foto van Steel Prophet tegenkwam was ‘De wonderlijke carrière van Ruud Gullit’. Maar nee, het is Vince Dennis. Je ziet het niet veel in de metal wereld, zwarte muzikanten. Zelfs black metal is een blanke aangelegenheid. En speelt er dan een keer een gekleurde medemens mee op een metalplaat, zoals Vince Dennis bij Steel Prophet, dan hoor je dat er niet aan af. Er zit niet ineens veel meer swing in of zo.

Nee, dan die andere band waar Vince Dennis bas in speelt, Body Count. De metal band van rapper/acteur Ice-T. Nog iemand met een wonderlijke carrière. Van original gangsta via Cop Killer naar politie detective in Law & Order: Special Victims Unit.

Maar Cop Killer dus. Een aanklacht tegen politiegeweld. Alleen zodanig onhandig geformuleerd dat politie en politici er mee aan de haal gingen, en wat er uiteindelijk toe zou leiden dat het nummer verwijderd werd van het debuut album van Body Count. In plaats van een discussie over politiegeweld werd het een discussie over vrijheid van meningsuiting. Vijfentwintig jaar later roept de zwarte gemeenschap Black Lives Matter in het kader van politiegeweld tegen zwarten, en is de boodschap van Ice-T en consorten misschien wel actueler dan ooit.

En voor wie op zoek is naar Ruud Gullit in de onderstaande videoclip, het is die kale met de zonnebril op.

Keuze Stefan Koopmanshap: Tasmin Archer – Sleeping Satellite (1992)

Vanaf de allereerste twinkelende geluiden was ik verkocht

De jaren negentig zijn voor mij dé jaren van muzikale vorming. Had ik in de jaren tachtig vooral met mijn vader meegeluisterd naar Paul Simon, The Beatles en Chris De Burgh, in het decennium erna begon mijn eigen smaak zich te vormen. Die smaak was heel breed, die ging van Bryan Adams via Live naar Nirvana, maar ook van underground club house via 2 Unlimited naar de wat hardere stijlen housemuziek.

Ook in die tijd had ik al de neiging om totaal verliefd te worden op bepaalde nummers. Ik heb dat nog steeds regelmatig, zoals bijvoorbeeld met Elastic Heart en een aantal Nederlandse artiesten. Ik ben vaak al vanaf de eerste luisterbeurt compleet overdonderd, en naast dat ik onverminderd enthousiast ben over zo’n nummer probeer ik ook iedereen te overtuigen over hoe goed zo’n plaat is.

Als ik terugdenk aan de jaren negentig zijn er een paar platen die zo waren. Lightning Crashes van Live bijvoorbeeld, en ook The Wanderer van Romanthony. Maar toen deze battle als eerste ter sprake kwam wist ik eigenlijk meteen waarover ik wou schrijven: Sleeping Satellite van Tasmin Archer.

Vanaf de allereerste twinkelende geluiden was ik verkocht. De stem van Tasmin Archer werkt vervolgens betoverend, en de melodie is prachtig. Maar onder die schoonheid die je direct hoort zit ook nog eens een tekst die wat belangrijke vragen stelt.

Did we fly to the moon too soon,
did we squander the chance in the rush of the race

En ook

Have we got what it takes to advance?
Have we peaked too soon?
If the world is so green
Then why does it scream under a blue moon?

Voer voor een tienergeest. Sterker nog, nog steeds (of misschien nu wel meer) voer voor de geest. Waar zijn we eigenlijk mee bezig?

De combinatie van muziek en tekst is eigenlijk tijdloos, het is een prachtig nummer. En toch hoor je het veel te weinig op de radio. Waarom? Waarom?!

Keuze Richard Rombouts: Daryl Hall – I’m In A Philly Mood (1993)

Kleurenblind

Sinds ik (circa negen jaar geleden) Live At Daryl’s House op internet ontdekt heb, ben ik het werk van Hall & Oates en met name Daryl Hall’s solowerk opnieuw gaan waarderen. De heren hebben altijd een sterke voorliefde voor soul gehad; iets wat in hun latere werk sterk naar voren kwam met de albums Live At The Apollo (met David Ruffin en Eddie Kendrick) en Our Kind Of Soul.

Daryl Hall deed daar solo nog een schepje bovenop met zijn fantastische album Soul Alone. Verreweg de meeste liedjes zijn van zijn hand, zoals I’m In A Philly Mood. Maar ook een grandioze cover van Marvin Gaye’s Stop Loving Me, Stop Loving You. De platenbons had echter weer eens geen idee hoe ze deze plaat moesten promoten; de soulmarkt, de rockmarkt (vanwege zijn eerdere succesvolle album Three Hearts in the Happy Ending Machine) of mainstream. Het gevolg was dat het album slechts marginaal succes had.

Hall woonde vier jaar in Londen zonder zijn vaste kompaan, John Oates. Daar besloot hij meer tijd te besteden aan zijn solocarrière, want diep in zijn hart wilde hij liever geen helft van een duo zijn. Liever een Soul Alone. Tevens wilde hij hommage geven aan zijn Philadelphia-wortels en de soulmuziek uit die stad, waar hij in zijn jeugd deel van uit maakte. Hij speelde als sessiemuzikant bij onder andere The Stylistics, The Intruders en The Delfonics en mocht in de keuken kijken van producers Kenny Gamble en Leon Huff. Smokey Robinson wilde hem zelfs contracteren voor Motown, maar hij koos (gelukkig) een andere route.

In those days – this was before Martin Luther King got killed. Everything changed in 1968. Before that, it was a white/black scene. White people, black people, it was color-blind. It was truly color-blind. And you know, you can say that today and nobody believes you. But it actually was true. And then things changed. And then that’s when the walls came up.

Keuze Danny den Boef: Grant Lee Buffalo – Fuzzy (1993)

Kabbelen

De jaren negentig. Ik ben er in opgegroeid. Als kind uit ’85 heeft het me zeker ook kennis laten maken met de muziek. Vanaf een jaar of vijf begon het muzikaal te kriebelen. Dat wil zeggen, écht muzikaal. Daarvoor was het voornamelijk Samson en Gert. En om dat nou ‘muzikaal’ te noemen, nee. Daar zullen we het allemaal over eens zijn. Alhoewel ik dus muzikaal ben opgegroeid in de good old 90’s, is het toch, zeker achteraf gezien, m’n minst favoriete muzikale decennium. Want wat een bagger is er in die tien jaar uitgekomen zeg. Ongelooflijk. De jaren negentig zijn het anusgaatje uit de muziekgeschiedenis. Natuurlijk zijn er ook prachtige nummers, albums en artiesten voortgekomen uit deze periode. Ik zal de laatste zijn die dat ontkent. Het is gewoon, als geheel gezien, niet mijn favoriete periode. Kan toch?

Een nummer dat onverslijtbaar is en blijft, is het nummer Fuzzy van Grant Lee Buffalo uit 1993. Nooit echt een hit geweest hier, maar ook niet volledig onbekend. Met name bij het festivalpubliek destijds was men erg geliefd. De band viel een paar jaar na Fuzzy uit elkaar en op een paar reünieconcerten in 2011 na, is het nooit meer wat geworden.

Als je nu naar Fuzzy luistert, snap je eigenlijk niet waarom dit niet een monster van een hit geworden is. Toch is het volgens mij simpel. Men was een jaar of twintig te vroeg. Dit nummer was zijn tijd ver vooruit. Dat hoor je aan alles. De singer-songwriter-achtige allure past veel beter in de jaren ’10 dan in 1993. En dat is toch best bijzonder.

Fuzzy kabbelt zo heerlijk voort. En dat doet het al bijna 25 jaar. Laten we hopen dat dit nog even zo door blijft gaan.

Keuze Erwin Herkelman: The Grid – Rollercoaster (1994)

Lekker spacen

Met Swamp Thing legden ze onbedoeld de fundamenten voor de halverwege de jaren ’90 kort populaire ‘countryhouse’. Het idee van de vrolijke banjomelodie vergezeld van een housebeat werd opgepikt door Rednex, die vocalen toevoegden en vervolgens met Cotton Eye Joe een nummer 1 hit scoorden.

Maar dat was niet helemaal waar de ambities van The Grid lagen. De tweede single van de dance-act van David Ball (bekend van het synthesizer-duo Soft Cell) was namelijk van een hele andere orde. Rollercoaster heette het nummer en als je een keer goed wilt spacen dan is dít de plaat die je moet opzetten.

Direct vanaf het begin wordt je meegenomen naar een soort van parallel universum, zweeft gedurende drie-en-een-halve minuut tussen allerlei meteorieten en sterren door om vervolgens weer zachtjes met beide benen op de grond te belanden. Zet de originele clip erbij op en succes is gegarandeerd. Daar heb je geen 3D-bril bij nodig.

Een heerlijk nummer dat in Engeland en Ierland nog hoog in de hitparades eindigde, maar in Nederland jammer genoeg niet verder kwam dan de Tipparade.

Keuze Eric van den Bosch: Whale – Hobo Humpin’ Slobo Babe (1994)

Aanstekelijke herrie

In maart 1994 werd de top 40 gedomineerd door diva’s als Mariah Carey, Celine Dion en Toni Braxton en dance van bijvoorbeeld 2 Unlimited en Dr. Alban. Later dat jaar zou ook Marco Borsato zijn grote doorbraak beleven. Het was dan ook rond die tijd dat mijn interesse voor radio definitief verdween.

Dankzij MTV was er toch nog een positief puntje te noteren: Hobo Humpin’ Slobo Babe van Whale. Een merkwaardige low-budgetvideo en een bak herrie waar je u tegen zegt. Ongetwijfeld stevig beïnvloed door Blood Sugar Sex Magik, het album waarmee de Peppers een paar jaar eerder commercieel doorbraken, en dan vooral de track Give It Away.

Whale bestond uit de Amerikaans-Zweedse producer/labeleigenaar/videoregisseur Gordon Cyrus en comedian/acteur/MTV VJ(!) Henrik Schyffert. Ze schreven samen een nummer en hadden een zangeres nodig. Nou ja, zangeres. Cyrus vriendin Cia Berg werd aangetrokken, die vooral bekend was al presentatrice en (alweer) VJ.

Je kunt wel concluderen dat Whale beroepshalve prima wist hoe je een hit kon scoren. Afwijken van wat er verder te horen is, een opvallende clip zodat je veel gedraaid wordt en zoveel mogelijk doelgroepen tegelijk aanspreken. Vandaar dat het album We Care volstond met een mengeling van triphop (Tricky schreef mee aan twee tracks), rock en funk met iedere keer weer een refreintje dat meteen blijft hangen. Op de tweede single van het album, Pay For me, stond nog een fijne cover van Prince’s Darling Nikki.

Hobo Humpin’ Slobo Babe was de eerste single en die bevatte gelijk alle elementen van Whale. De titel is een pleonasme, want ‘slobo’ is slang voor slutty hobo. Maar ja, zeg nou zelf, het bekt zo een stuk lekkerder. Het nummer kent geen intro, het knalt zo het lawaaiige mee-brul-refrein in. Met een vette Flea-achtige baslijn is de toon gezet en door alle herhalingen hoef je het ook maar één keer te horen om mee te brullen. Door in de triphopcoupletten gas terug te nemen heeft het refrein ook in het vervolg de goede impact. Naar het einde toe komen de beide onderdelen bijeen en eindigt het in een kakafonie van geluid. Tussen alle diva’s en dance was het vier minuten lang ineens iets heel anders.

Hobo Humpin’ Slobo Babe was meteen een voltreffer, met noteringen in Europa en de VS. Maar ja, één hit scoren of een reeks hits, dat maakt nogal een verschil. Het zou dan ook uiteindelijk het enige hitje buiten Zweden en Engeland blijken. Ze gingen op tournee met Tricky, Blur en Placebo en een paar jaar later brachten ze nog het album All Disco Dance Must End in Broken Bones uit. Het verging Whale echter zoals de meeste min of meer toevallige one-hit-wonders: de ‘gewone’ werkzaamheden gingen ook door en de band stierf een zachte dood.

Maar we hebben voor altijd de aanstekelijke herrie van Hobo Humpin’ Slobo Babe.

Keuze Marcel Klein: Echolyn – Never the Same (1995)

Halfvol

Soms heb je van die liedjes die je halve leven al meegaan. Dat zijn bijvoorbeeld ook nummers die je draait bij speciale gelegenheden of die tekstueel iets voor je zeggen.  Dit nummer doet dit met mij.  Never The Same gaat over de pijn van de rouw en geeft iets van hoop:

What can I say?
What can I do you for you?
Some are here for but a moment
Then are taken in an instant to eternity
Remember life and what’s been shared with you
That you have shared

It’s funny how we feel closer
With the ones that we love
When they’re farthest away
You can feel them so near
Just ‘round the corner the memory still clear

Do not stand at my grave and cry
I am not there I did not die.
I say to you I will see you again
On the other side someday

Echolyn is een Amerikaanse progrock band. In de jaren negentig kwamen ze – onder contract bij Sony – met het album As The World waar dit nummer ook op staat. Maar zoals het met veel progbandjes ging: geen commercieel succes en ze werden gedumpt.  De band hield daardoor zelfs op te bestaan, maar in het begin van de Zero’s begonnen ze toch weer en maakten ze hun beste platen. Never The Same echter blijft voor mij hun mooiste song.  Juist vanwege de lading van rouw, pijn en verdriet. Een lied tot troost, tot het terughalen van mooie herinneringen, het glas blijft halfvol en ik denk aan alle mooie dingen die er waren.

Keuze Freek Janssen: Tool – Stinkfist (1996)

Schande dat deze band hier nog nooit voorbij is gekomen

Gottegot, waar te beginnen. Waar ik het niet laten kan: even een kleine bloemlezing van liedjes uit de nineties die ik al eerder heb verdedigd op Ondergewaardeerde Liedjes.

Ter ere van de vijftigste verjaardag van Boudewijn de Groot coverden een aantal Nederlandse artiesten op Als De Rook Is Verdwenen zijn bekende en minder bekende liedjes. De versie van Bettie Serveert van Verdronken Vlinder, Drown Butterfly Drown, móet je gewoon even luisteren. Hij kwam voorbij in de Bettie Serveert-battle in 2013. Ook van dat album: het weergaloze And Again van The Prodigal Sons.

Mijn favoriete Nederlandse band van de jaren negentig was wel Hallo Venray: met Las Vegas (ook in de Snob 2000) kwamen de Haagse (!) mannen al eens voorbij in de plaatsnamen-battle. Ook dEUS kan ik niet ongenoemd laten – iedereen moet minstens een keer in zijn leven Right As Rain hebben geluisterd.

Een ontzettend invloedrijke band die nog nooit langs is gekomen op Ondergewaardeerde Liedjes is Tool. Ze staan maar liefst acht keer in de Snob 2000, maar nooit is er een liedje van hen voorbij gekomen in een battle of een individuele bijdrage. Dat viel me eigenlijk pas op toen ik een DJ van KX Radio tijdens de uitzending van de Snob hoorde zeggen, dat hij Tool helemaal niet kende. Het zal aan zijn leeftijd hebben gelegen, want wie (alternatief) muzikaal is opgegroeid in de jaren negentig kon niet om ze heen. Maar blijkbaar is Tool toch niet voor iedereen meer vanzelfsprekend, laat staan bekend.

Hun muziek laat zich het beste omschrijven als wollige metal. Dat ligt vooral aan de  productie: de stem van Maynard James Keenan komt nooit helemaal boven de gitaren uit, maar vormt één geheel met de rest van de noise. Hun video’s zijn helemaal een klasse apart: donkere, sinistere horror.

Zoals Tool is er geen één. Aangezien we duidelijk wat recht te zetten hebben, verdedig ik deze band vandaag met trots. Hun meest toegankelijke nummer is hun droorbraak-single Sober, maar ik ga voor het exemplarische Stinkfist van het magistrale album Ænima.

Keuze Ton van Hoof: Primitive Radio Gods – Standing Outside A Broken Phone Booth With Money In My Hand (1996)

Totaal achterhaald

Kan je het je nog herinneren? De jongere generatie ondergewaardeerde liedjes lezers hoogstwaarschijnlijk niet. Zij zijn volgroeid met een hippe iPhone, android smartphone of een microsoft GSM. Daarvoor hadden we de blackberry’s en de onverwoestbare nokia 3310 telefoons.

Voor de GSM ten tonele kwam, stond Nederland vol met telefooncellen, Niet zo mooi als het Britse equivalent, maar toch erg nuttig. En dat was eigenlijk ook het enige doel van een telefooncel. En dat is eigenlijk waar de Primitive Radio Gods een song over wisten te schrijven, een song die deze primitive radio god (met een radioshow op vrijdagavond bij een lokale omroep) enorm van hield.

De song doet me de hoogtijdagen van Kink FM herinneren, waar het een behoorlijke hit was in de toenmalige Outlaw 41, waarbij de beats overduidelijk geleend zijn van Soul II Soul’s Keep On Moving, en de do-do-doo’s doen mij wel erg veel aan Walk On The Wildside denken van ome Lou denken.

Eigenlijk gebeurt er niet zo veel in het nummer, maar toch houdt de pianosolo mijn aandacht erbij. Het lome ritme, de totale sfeer: wat mij betreft totaal ondergewaardeerd. En misschien niet het beste liedje uit de jaren ’90, maar wel een liedje dat ik graag bij je onder de aandacht wou brengen.

Waarvan akte.

Keuze Willem Kamps: The Dandy Warhols – Not If You Were The Last Junkie On Earth (1998)

Papapapapah-koortjes

Wat een verademing, die nineties na die sombere eighties. Er gebeurde van alles: Koude Oorlog voorbij, Duitsland herenigd, Rusland (al was het voor korte tijd) een democratie, Mandela vrij, maar bovenal werd er (daardoor?) weer frisse muziek gemaakt. Die muziek sprong dan ook alle kanten op, de één nog lekkerder dan de ander. Stagedivend en crowdsurfend op de grunge van Nirvana, Pearl Jam of Soundgarden, beukend in de moshpit bij Green Day of de Chili Peppers of loom triphoppend bij Portishead of Massive Attack. Ik ga niet alles opnoemen want dan blijf ik aan de gang, wat te denken bijvoorbeeld van Radiohead, Blur of de rock ’n rollebollende broertjes Gallagher?

Genoeg nieuw, sprankelend, maar wat ook ontstond – en dat moest natuurlijk vroeg of laat gebeuren – was dat je in bijna alles invloeden van vroeger jaren terug hoorde. Zo werd ik (en word ik nog steeds) helemaal blij van The Dandy Warhols, die op hun album The Dandy Warhols Come Down klinken als The Mamas & The Papas, maar dan dertig jaar later in een psychedelisch shoegaze-jasje. Catchy nummers met stemmen alsof Big Mama Cass is gereïncarneerd en huist in de ietwat fragieler gebouwde Zia McCabe. De band uit Portland, Oregon, is in 2001 echt bekend geworden met Bohemian Like You, dat – weet je het nog? – Vodaphone groot heeft helpen maken. Maar in de nineties timmerden zij al aan de weg met het heerlijke pompende Not If You Were The Last Junkie On Earth. Het nummer gaat over de vriendin van zanger Courtney Taylor-Taylor. Terwijl hij een tour deed met de band geraakte zij, tot Courtneys verbazing, aan de heroïne.

In a way, I can’t help but feel responsible,
I always knew that you were insane
With your pain, but I never thought you’d be a junkie
because heroin is so passe, hey.

Zware kost zou je zeggen, maar met die geweldige sixties (wat maakt het uit, een 9 is niet meer dan een omgekeerde 6, en andersom) papapapapah-koortjes is het eigenlijk toch wel een klein beetje een feestje.

Keuze Frans Kraaikamp: Lauryn Hill – Lost Ones (1998)

Beter muziekonderwijs is niet denkbaar

Om meteen maar met de deur in huis te vallen: mijn absolute favoriete album uit de nineties is Achtung Baby van U2. Een album wat ik misschien wel 200 keer – in zijn geheel – beluisterd heb en maar niet stuk te draaien is! Maar ik moet eerlijk zijn: als ik de keuzelijst van U2 liedjes in de Snob 2000 en Top 2000 optel, heb ik er niet zoveel ondergewaardeerd materiaal meer aan toe te voegen. Ik gooi het daarom over een andere boeg. Ik kies voor een liedje van een artieste, die uit de keuzelijst van de Snob 2000 verdwenen is, omdat onze grote broer haar ook graag wilde hebben: Lauryn Hill!

Lauryn Hill, door mij al zeer gewaardeerd voor het materiaal dat ze met The Fugees maakte, bracht in 1998 haar album The Miseducation of Lauryn Hill uit. Het album is op allerlei fronten geniaal en briljant. Naast bekendere songs al Doo Wop (That Thing), Ex-factor en Everything Is Everything staat er ook een keur aan vette soul en hiphop tracks op. Neem de samenwerking met D’Angelo op Nothing Even Matters. Een track die zo op D’Angelo’s plaat Voodoo had kunnen staan. Ik heb gekozen voor Lost Ones, omdat dat toch wel een klassieker is die nooit mag worden vergeten.

Waarom? Al haar talent komt in het liedje aan bod! Haar raps en een unieke authentieke performance. Dit is iemand waar je je graag door wil laten leiden: beter muziekonderwijs is niet denkbaar!

Nb. Kijk ook eens naar deze versie waar je ziet hoe bassist Jay Rosado en drummer George McCurdy uit hun stekker op het nummer gaan en laten zien wat geniaal improviseren op een podium inhoudt.

Keuze Marcel Dalvoorde: Shiver – Gate of Heaven (1998)

Will Ed still be waiting for his friend Roy at the Gate of Heaven?

Het was in de laatste maanden van 1998 toen ik op de radio bij – ik denk – Henk Westbroek of Rob Stenders ineens een prachtig nummer voorbij hoorde komen. De betreffende band bleek Shiver te heten en ze kwamen ook nog eens uit Twente. Verder was er op dat moment niets bekend bij mij.

Totdat op een zondagmiddag Shiver in de lokale pub (akoestisch) zou komen optreden. Na die middag is deze band niet meer uit mijn systeem verdwenen. De band trad in die tijd ook vaak op de U2-fanclubdag op, maar daar ben ik zelf nooit getuige van geweest. Maar dat de stem van zanger Roy bij vlagen heel dicht bij Bono komt is één ding wat zeker is.

Zijn versie van Running To Stand Still – zittend op een veel te klein krukje – maakte die middag enorme indruk op me. Maar ook hun eigen nummers waren geweldig. En dan begint zanger-schrijver Roy in ’t Veld een indrukwekkend verhaal over zijn vriend Ed, die hij is verloren door een motorongeluk. En vervolgens volgt dus het nummer Gate Of Heaven, waarin hij zich uiteindelijk afvraagt of Ed Still Will Be Waiting For Him, At The Gate Of Heaven.

Het album Mirror kwam niet veel later uit met het hoog U2-gehalte bevattende Future Child en als slotnummer Holy Sick Man, een nummer dat ik pas later ben gaan waarderen. De tekst is voer voor psychologen.

Echt doorgebroken zijn ze nooit maar ik ben ze altijd blijven volgen. Het 2de album is van mindere kwaliteit en niet lang daarna stoppen drummer Frits en bassist Liejondo er mee. Maar hier staat nog wel het nummer 10.000 Miles op met de geweldige tekst:

On New Year’s Eve we blow our money in the air till it hurts.
In Holland you get bombs for free at SE Fireworks

een verwijzing naar de ramp van Enschede.

Er worden wel andere mensen aangetrokken en in eigen beheer wordt het derde album Red River gemaakt, maar ik haak dan een beetje af. Helemaal als gitarist Ronny om gezondheidsredenen moet stoppen. Zanger Roy zie ik af en toe nog Gate of Heaven spelen, wanneer hij optreedt met zijn PianoHouse, maar zo mooi als die ene middag in de pub op dat veel te kleine krukje zal het nooit meer worden vrees ik.

Keuze Rob Gommans: Blur – Tender (1999)

En de winnaar is…

O wat een mooie storm in een glas water was het: de ‘oorlog’ tussen Blur en Oasis. Respectievelijk de prins William en prins Harry van de Britpop. U weet wel, het genre dat een groot stempel drukte op zowel de mainstream als alternatieve pop in de jaren ’90. De ultieme oorlogsdaad in dat kader: het op dezelfde dag uitbrengen van hun singles Country House (Blur) en Roll With It (Oasis). Overigens twee van de slechtste nummers van beide bands óóit, maar dat terzijde. Veertien augustus 1995 was de dag, en Blur won. Damon Albarn en zijn band bezetten de eerste plaats in de Britse hitlijsten, de broertjes Liam en Noel Gallagher de tweede.

Ik vond dat helemaal prima; Oasis was stom en jaren zestig. Blur had de lekkere popliedjes met credible randje (Girls & Boys!) waar het altijd fijn op rondspringen was tijdens studentenfeestjes. En omdat ik de kast nog niet uit was, had ik aan de binnenkant van de deur in ieder geval een poster van Damon hangen, stiekem hopend dat-ie in z’n dagelijkse leven net zo anti-establishment was als tijdens zijn werk. Maar nee, hij bleek gewoon hetero, en had een lange relatie met Justine Frischmann van gitaarbandje Elastica.

Maar zoals Damon zelf al zong: Love in the nineties, It’s paranoid. En dus ging het uit met Justine, wat de songwriter in hem inspireerde tot het schrijven van zijn beste werk. Het album 13 is een ultiem break up-album. Tracks als Coffee And TV, Battle en No Distance Left To Run trekken barsten in gebroken harten kundig nog net wat verder open. Maar het nummer Tender topt het af. Hartverscheurende pijn, berusting en troost; het is zelden zo mooi in 7½ minuut samengevat. Stadionproof, mét gospelkoor en instant mee-zingbaar, om de universaliteit van zo’n inktzwarte periode in een leven nog maar eens te onderstrepen. Dat dit nummer alleen in de UK een respectabele plek in de hitlijsten heeft gehaald en daarbuiten weinig aandacht en airplay heeft gekregen, mag een ernstige vorm van onderwaardering heten. This has anthem written all over it. Tijd voor rehabilitatie.

 
 

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *