Eerder deze maand stonden we tijdens een van onze wekelijkse battle stil bij de Week van de Afvalhelden. Dat leverde een mooie editie op, waarbij onder andere Spirit, de Cramps & Suede de arena betraden. Gladiatoren van dit kaliber gooi je niet voor de leeuwen, laat staan bij het koffiedrab en de aardappelschillen. Wie tot mijn verdriet schitterden door afwezigheid: The Trashmen uit Minneapolis. Een kwartet dat in 1963 hun naam wilde vestigen met surfmuziek, daarbij in het geheel niet gehinderd door het feit dat hun thuisstaat Minnesota in de verste verten niet aan zee ligt.
De band was vernoemd naar het nummer Trashman’s Blues van lokale held en mede-Minneapolitan Kai Ray. De grootste hit van The Trashmen hing van slim jatwerk aan elkaar: ze smolten Papa Oom Mow Mow en The Bird’s The Word van doowoppers-on-speed de Rivingtons samen tot het volstrekt van de pot gepleurde Surfin’ Bird. In de tijd dat de Beatles nog maar net aan de weg timmerden en hits als Louie Louie en Green Onions de ether onveilig maakten, sloeg dit nummer in als een bom: zodra die vreemde vogel zich op je trommelvlies nestelde, bleek hij verdomd lastig te verjagen.
The Trashmen lieten ze zich mede inspireren door Dick Dale, die op dat moment furore maakte als surfgitaargod. Een knaller als Surfin’ Bird noopte onvermijdelijk tot een gehaast uitgebracht album. De hoesfoto met de heren van The Trashmen olijk poserend naast een vuilnistruck vormde alvast een teken aan de wand: de afvalemmer bleek tot aan de rand toe gevuld met onvermijdelijke covers en novelty-hits: Bird Bath, Bird Dance Beat en ook Misirlou van de meester zelve ontbraken niet. Drie nummers waren afkomstig van Larry LaPole, waaronder het lang niet onaardige King Of The Surf.
Over Larry LaPole is even weinig bekend als over Kai Ray. Daarvoor zouden we toegang moeten krijgen tot de rolodex van Lux Interior, wijlen zanger van de Cramps. Samen met ega Poison Ivy was hij warm pleitbezorger van lokale helden in het ondergewaardeerde R&B/ doowop/ rockabilly/ garagerock-spectrum, als je de geruchten over hun omvangrijke singlescollectie mag geloven. Ik heb me altijd afgevraagd of André van Duin zich daar ook tussen bevond. Zijn uitvoering van Surfin’ Bird schijnt echter nooit op single te zijn uitgebracht, ook niet nadat hij het Kurhaus mocht opwarmen voor de Stones.
Flash forward naar 2005, het jaar waarin Wau Y Los Arrrghs de achterafzaaltjes van Valencia bejegenden met de tactiek van de verschroeide aarde. Garagerock c.q. protopunk á la de Sonics, met teksten vertaalt in willekeurig Spaans, waardoor ze net zo misvormd klinken als hun gitaren. Vijf mafkezen aangevoerd door zanger Juanitos Wau veegden de vloer aan met alle halfzachte garagerockwannnabes van begin deze eeuw (ik heb het tegen jullie, beste Hives). Geïnspireerd door onder meer de verwilderde Los Saicos uit Lima, Peru, waar ik vorig jaar een stukkie over pende.
Prijsnummer Rey De Tablistas vormde op een namiddag in platenzaak Shiva Music te Tarragona mijn kennismaking met de Arrrghs. Een beestachtige interpretatie van het achteraf betrekkelijk gevaarloze King Of The Surf van de Trashmen. Compleet met een niet eerder vertoonde tablabreak op 1.31. Tablista is de benaming in Spaanstalige landen voor de onbesuisde berijder van de surfplank. Die braaf bezongen koning van The Trashmen is in handen Wau en kornuiten echter verworden tot een zoutwaterkrokodil, die vanuit de golven komt toegesneld en die je te laat ziet aankomen: arrrgh…
