Maanden kijk je er naar uit. Zo’n kaartje koop je immers snel, je wilt een kaartje voordat het concert is uitverkocht. Tegenwoordig leg je ook nog eens best een bedrag neer voor een beetje concert. En vaak, als de wisselwerking tussen artiest en publiek goed is, is live muziek heerlijk. Louterend zelfs. Je kunt er als concertganger soms weer tijden tegenaan met de herinnering aan een prachtavond. Eigenlijk is een concert zelden weggegooid geld: een concert van een jaar of vijf geleden kun je je herinneren, terwijl je met moeite nog weet wat je drie dagen geleden op TV zag.

Maar soms, heel soms, valt het toch tegen. Zit je er zelf niet lekker in. Heeft de artiest er niet zo bar veel zin in. Of is het gewoon vals, een aanfluiting, een schande hoe de band op het podium met je favo-liedje om gaat. Vandaag op de rol: het teleurstellende concert.

Keuze Annemarie Broek: The Beatles (Blokker, 1964)

Vrijdag 5 juni 1964

Tussen neus en lippen door vraagt mijn vader of ik zin heb om naar het concert van de Beatles te gaan. Dat had hij eventjes geregeld met één van zijn klanten. Want dat middagconcert was nog lang niet uitverkocht. Mijn broertje (9 jaar) ging mee en ook aan onze dienstbode Beppie (bijna 17 jaar) had hij gedacht.

De Veilinghal in Blokker: daar kon een blind paard geen schade aanrichten. Het voorprogramma, ik heb nog medelijden met die arme artiesten, vermeldde onder andere kinderact Jack & Bill, Herman van Keeken, Wanda en nog meer in de vergetelheid geraakte artiesten. Zij hadden de ondankbare taak om het publiek te vermaken tot de Fab Four (of eigenlijk 3 + 1) eindelijk arriveerden na een uit de hand gelopen grachtenrondvaart in Amsterdam.

Toen dat voorprogramma eindelijk klaar was, kwamen we allemaal in actie: mijn vader zette mij en Beppie bovenop een stapel veilingkratten met een goed uitzicht op het podium. Mijn broertje scharrelde overal doorheen en werd teruggevonden op het podium naast Jimmy Nicol, de drummer van dienst. Er zijn zelfs foto’s van!

Maar de muziek van de Beatles was vrijwel niet te horen. Ze werden luidkeels overstemd door het uitzinnige publiek. Iedereen gilde door elkaar naar zijn of haar favoriete Beatle. John en Paul werden het meest geroepen. Beppie riep toch maar naar Ringo Starr – principekwestie – en ik nam het op voor George Harrison, de minst populaire van het viertal.

Het is echt geen wonder dat dit soort optreden voor deze muzikanten geen enkele artistieke uitdaging was, mede door de beperkte stand van de techniek anno 1964. Ik had vluchtig gedacht aan de mogelijkheid om hun handtekeningen te vragen, maar dat durfde ik toch niet door te zetten. Bij het einde van het concert stroomde het publiek naar buiten. Wij bleven even wachten, want wie weet…
We hadden makkelijk op zoek kunnen gaan naar de kleedkamers maar dat durfde ik niet.
Pas vorig jaar kwam het verhaal naar buiten van de broodjesbrenger, die de Beatles nog in de kantoorruimte had gezien; weggedoken onder bureaus en tafels lagen ze daar te slapen.

Keuze van Annemarie Broek: Jimi Hendrix (A 2nd flight to Lowlands Paradise, 1968)

Zaterdag 28 december 1968

Jimi Hendrix zien, dat was mijn ultieme rock-wens. Nooit heb ik daarna een gitarist meegemaakt die me zo betoverde, zeg maar behekste, als hij. Wat hij speelde had stevige wortels in de bluestraditie maar tegelijkertijd bewandelde hij ongebaande paden in de gitaarmuziek. Mijn ouders achtten mij verstandig genoeg om de reis naar Utrecht en de nachtelijke concerten aan te kunnen. En zo stond ik zaterdagmiddag 28 december om 15.00 uur in de natte sneeuw met velen te wachten tot de zaal openging. Opeengepakt als haringen in een ton en omsingeld door politiebewaking.

Mijn plastic tasje met belegde broodjes – dank je wel, mam – hield ik stevig vast maar uit mijn schoudertas was opeens van alles verdwenen. Een politie-escorte loodste mij de hal binnen.
Er waren vrijwel geen voorzieningen in die hal, alleen toiletten, en je jas moest je gewoon maar aanhouden of overleveren aan onbetrouwbare sujetten (die er inderdaad later met alle jassen vandoor gegaan waren).

Maar het ging toch om de muziek, dus moest ik verder maar niet zeuren. Van de optredens heb ik niet zo veel meegekregen omdat ik vooral gespitst was op Jimi Hendrix en Jeff Beck. Maar het was noodweer op de dag dat een chartervlucht de muzikanten naar Nederland zou brengen. Uiteindelijk belandde een aantal muzikanten via Parijs toch nog in Utrecht. Jeff Beck en Jethro Tull waren al afgemeld, maar Tyrannosaurus Rex en The Pretty Things waren er wel. Op een gegeven moment moest de organisatie doorgeven dat ook Jimi Hendrix het had laten afweten. Er stonden wel veel Nederbeat bandjes op het programma maar daar had ik nog niet zoveel mee.

Ik kon me enigszins me Tyrannosaurus Rex vermaken (het latere T-Rex van Marc Bolan), maar die vond ik saai. Het eerste Nederlandse optreden van Pink Floyd, mét vloeistofdia’s kon me ook niet bekoren, toen niet en later ook niet meer. Ik troostte mij met het optreden van McKenna Mendelson Mainline, een Canadese bluesgroep, die in die nacht zijn eerste Europese optreden beleefde. De naam is mij altijd bijgebleven.

Je zult misschien begrijpen dat ik, na het mislukte Beatlesconcert en deze chaotische beatnacht, later geen interesse meer had in groots georganiseerde popevenementen.

Keuze Ed van Nunen: Screaming Trees – Dying Days (Roskilde, 1992)

Mark Lanegan op de vuist met de stage crew

Roskilde 1992 was een euforische editie omdat tijdens het festival Denemarken tegen Duitsland in het WK voetbal stond. Een flink deel van het publiek waren Duitsers, de rest was voor Denemarken. Het festival werd stilgelegd met enorme schermen op de podia en underdog Denemarken won. Die dag werd sowieso legendarisch want eerst speelde Pearl Jam, daarna Nirvana en om één uur ‘s nachts de band die ik het liefst van allemaal wilde zien: Screaming Trees. Dat concert liep wat anders dan ik dacht. In mijn herinnering was het na pakweg 20 minuten al afgelopen omdat Lanegan stomdronken met monitorboxen ging gooien, op de vuist ging met de stage crew en de rest van de band gefrustreerd het podium afbrak. Einde concert en ik stond er, flink teleurgesteld, met m’n mond open. Wat gebeurde hier?

Lanegan beschrijft het in zijn memoires Sing Backwards and Weep. Kurt Cobain wilde perse dat ST na Nirvana zouden spelen, niet ervoor, omdat hij ze zo geweldig vond. Mark had al de hele dag met Mike McCready van Pearl Jam flink zitten zuipen en scheet zeven kleuren stront omdat ze natuurlijk nooit Nirvana (nog volop in de hype) konden overtreffen. Tijdens het ST-concert kon hij zichzelf niet goed horen door de monitors; funest voor een zanger. Hij ging gefrustreerd nog meer zitten zuipen, gooide microfoonstandaards het publiek in en ging uiteindelijk, al bozer en bozer, die joekels van monitorboxen te lijf. Hij wist er een van het podium te duwen, bovenop de fotografen met hun dikke camera’s. Toen had de stage crew er echt genoeg van. Na een Tom en Jerry-achtig schijngevecht werd hij het podium af geslingerd, klaar om even flink op z’n sodemieter te krijgen. Blijkbaar wist Krist Novoselic er nog tussen te springen. Seattle kwam voor elkaar op. Ondertussen sloeg de rest van de band, ook gefrustreerd, hun apparatuur aan gort.

Maar ST werd vervolgens wel door alle festivals geweerd dat seizoen. Alleen op het Reading Festival weigerde Kurt Cobain op te treden als ST niet terug op de bill kwam. Dat werd nog vrij penibel want daar stond dezelfde stage crew, die ‘m alsnog heel graag z’n verdiende pak slaag wilden geven. Een paar jaar later komen ze met de single Dying Days, van hun laatste album Dust, maar die sterfdagen waren nu eigenlijk al wel duidelijk.

Het concert staat op YouTube en blijkt net wat langer te zijn dan in mijn herinnering. Vanaf zo’n 30 minuten begint het geklooi maar op 38 minuten gaat het echt mis:

Keuze Jeroen Mirck: Wu-Tang Clan – Protect Ya Neck (The R&B Event, 1997)

De dag dat The Clan z’n platen kwijt was

Op 8 juni 1997 belandde ik op The R&B Event in De Kuip in Rotterdam. Ik schrijf ‘belandde’, want ik was vooraf helemaal niet van plan om dit festival te bezoeken. Mijn broer wel, want die is meer van hiphop en R&B dan ik. Hij zou gaan met zijn vriendin, maar die maakte het uit vlak voor het evenement. Hij zat in zak en as, had niemand om met hem mee te gaan (Ticketswap bestond nog niet) en belde mij. Ik kon het mijn verdrietige broer niet weigeren. De meeste acts zeiden me weinig (behalve Montell Jordan en Xzibit), maar ik verheugde me op de afsluiter: Wu-Tang Clan. Dat collectief vond ook ik fantastisch.

Het festival kabbelde voort en kon me niet echt boeien. Gelukkig zou The Clan dat allemaal goed maken, hield ik mezelf voor. Vlak voor hun optreden kwam echter de mededeling dat al hun vinyl niet was meegevlogen vanuit New York. Er kon dus niet live worden gescratcht en gesampled. Dus startte de band een bandje op en ging lopen meezingen. Ik zeg het wat flauw, maar de live-ervaring viel hierdoor toch een beetje tegen.

Op de koop toe was mijn favoriete bandlid er niet bij: Ol’ Dirty Bastard. Natuurlijk vond ik het geen straf om naar Method Man en Ghostface Killah te moeten luisteren, maar ik ben echt een ODB-fan. Ik miste hem tijdens de knaller Protect Ya Neck, waarin zijn karakteristieke vierde couplet door iemand anders werd vertolkt. Terwijl toch niemand dit beter kan zingen dan wijlen ODB himself:

Same on you when you step through to
The Ol’ Dirty Bastard straight from the Brooklyn Zoo.

Kortom: dit festival was het net even niet voor mij. Al had ik ondanks alles toch een bijzondere dag samen met mijn broer. En dat is ook wat waard.

P.S. Reactie van mijn broer: “Nou, ik heb ODB live gezien in Paradiso en dat was veruit het meest tegenvallende concert dat ik ooit bezocht. Dus vraag ik me af of zijn aanwezigheid in Rotterdam een groot verschil had gemaakt. Wat Wu-Tang Clan betreft: ik zag ze onlangs samen met Nas in Ziggo Dome en dat was geweldig.”

Keuze Remco Smith: Faith No More – Be Agressive (Lowlands, 1997)

Voorbode

Pas recentelijk bedacht ik me dat het best uniek was. Ik kwam begin juni 1997 terug uit Australië, zonder huis, geld en werk. Een paar weken ging ik terug naar Tilburg, waar ik via studievriend Coen bij Interpolis kon werken. Telefonische helpdesk: veel net afgestudeerde begin-twintigers en een loeiwarme zomer, dus iedere avond zaten we op het terras. Ik vermoed dat één van die collega’s, Erwin (die nog shag rookte op het kantoor, andere tijden) mij vroeg of ik zin had om mee te gaan naar Lowlands. Die zal ik toen net een paar weken hebben gekend. Dat was best opvallend. Dat er een maandje voor Lowlands nog kaarten te koop waren, is nu onvoorstelbaar. Ticketprijs voor een heel weekend: Fl. 145 (€ 65,79). Andere tijden. Geweldige muziek heb ik gezien. Jon Spencer met theremin herinner ik me nog, Motorpsycho, 16 Horsepower. Chemical Brothers als afsluiter!

Maar ook teleurstellingen. Een nogal opgefokte Tom Barman van dEUS, Blur, maar vooral Faith No More. Wat had ik daar zin in. Wat keek ik er naar uit! Mike Patton vond ik de beste rockzanger ooit (vind ik nog steeds wel eigenlijk), Digging the Grave, Midlife Crisis. Eén van de beste rockbands ooit. Punt.

Nou was Album of the Year uit 1997 me al ontgaan. Het was al een beetje richting het einde van de band. Dan nog is er geen reden om zo inspiratieloos op het podium te staan. Ik kan me gewoon nauwelijks iets herinneren van het concert behoudens mijn teleurstelling achteraf. Oud-blogger Edgar was op dezelfde editie van Lowlands en hij beaamde het. Het lag dus niet aan mij. Ze hadden gewoon echt geen zin. Ik denk dat ze Be Aggressive speelden, maar zeker weten doe ik het eigenlijk niet. Die tour stond het nummer wel met regelmaat op de setlist. Een beetje agressie op het podium had niet misstaan, maar het zat er niet in. Misschien een voorbode: dik een half jaar nadien was Faith No More uit elkaar. Voor het eerst.

Keuze Quint Kik: Gene – Be My Light, Be My Guide (Melkweg, 1997)

Uitgeblust

Of Gene nou de hoofddis was, of het toetje dat je bij nader inzien niet had moeten bestellen, is me niet bijgebleven. Kwam ik die bewuste avond naar de Melkweg voor de Smith-cloon of was het me om het voorprogramma van de Folk Implosion te doen? Feit is dat Gene bij mij een nogal uitgebluste indruk achterliet. Terwijl ze sinds 1994 een reeks sterke singles hadden afgeleverd.

Het zal eraan gelegen hebben dat hun nieuwe, tweede album geen partij was voor het tussendoortje To See The Lights: een verzamelalbum waarvan het concept schaamteloos werd gekopieerd van Hatful Of Hollow. De verzamelaar met op zichzelf staande singles en radiosessies die hun overduidelijke voorbeeld de Smiths uitbrachten tussen hun debuut en Meat Is Murder.

Dubbele pech voor Gene: in het tijdperk van Britpop-euforie (Alright, Parklife en Live Forever) was er geen plek voor huilen-op-je-bedje. In de oude zaal van de Melkweg leken ze dat zelf ook door te hebben. Omgekeerd evenredig aan het voorprogramma de Folk Implosion: zelfs van hun a capella uitgevoerde Daddy Never Understood van de Kids-soundtrack spatte het venijn af.

Keuze Erik Stam: Eric Clapton – Pilgrim (Ahoy, 1998)

Clapton ≠ God

Eveline en ik zijn in september 1998 getrouwd. Van een vriend van mij kregen we voor ons trouwen kaartjes voor het concert van Eric Clapton, begin november dat jaar in Ahoy. Clapton stond bij mij op het lijstje ‘ik zou er zelf niet snel een kaartje voor kopen maar als ik er een krijg vind ik het wel leuk’. Precies wat hier dus gebeurde.

Bij aankomst in Ahoy kreeg ik de eerste verrassing. Ik wist niet dat er ook staanplaatsen waren op de ring. Geen staanplaats beneden, geen zitplaats op de tribune maar ergens een plekje zoeken op de eerste ring. Zou ik zelf niet snel voor kiezen, maar een gegeven paard…

Bij een goed concert maakt het eigenlijk niet uit waar je zit of staat. Voor deze tour had Clapton echter besloten zich te laten sponsoren door de dat-jaar-uitgekomen VW New Beetle. Dat betekende dat er aan de zijkant van het podium zo’n auto stond opgesteld en dat Clapton zelf ook met een T-shirt met die afbeelding stond op te treden. Het deed mij allemaal een beetje denken aan de TV predikers uit de VS die alles doen om het geld uit de zak van hun kerkleden te kloppen. In de jaren ’60 verscheen in Londen de graffiti Clapton is God. Voor mij verloor Clapton bij dit concert zijn goddelijke status.

Overigens kan ik mij van de muziek van het concert niets meer herinneren. Ik lees enthousiaste reviews uit die tijd, maar bij mij is vooral de bittere nasmaak van commercie blijven hangen.

Keuze Leendert Douma: The Prodigy – Nuclear (Seat Beach Rock, 2002)

Chagrijn

We gingen in juli 2002 naar Oostende om David Bowie te zien spelen. Het voorprogramma duurde twee dagen en was ook best de moeite waard. Wat dacht je van Paul Weller, Muse, Garbage, No Doubt, Primal Scream en Jamiroquai op één festivalweide? En ’s nachts dj’s als Derrick May, DJ Krush, Felix Da Housecat of Michel de Hey? (Mijn god, wat jammer dat ik toen nog een blinde vlek had voor de Belgische band Gorki. Ze stonden er ook, maar ik had geen interesse. Helaas heb ik de legendarische Luc De Vos dus nooit live zien optreden.)

De headliner op de eerste avond van Seat Beach Rock heette The Prodigy. Daar keken wij – en met ons alle Belgen – natuurlijk ook naar uit. Maar de band liet lang, heeeeel lang op zich wachten. Ver na middernacht raakte het publiek geïrriteerd. Van tevoren waren er al fluitconcerten. De weerstand bouwde zich op. Toen The Prodigy arrogant het podium opkwam klonk her en der een welgemeend ‘fuck you’.

Wat dacht de band toen? “We zullen ze eens een poepie laten ruiken”? … Nou, nee. Het werd een tam en ongeïnspireerd optreden. Nummers als Poison, Firestarter en Smack My Bitch Up kwamen wel voorbij, maar krachteloos. Als een saaie bak herrie. En ondertussen kreeg Oostende een scheldkanonnade vanaf het podium over zich heen. Na 55 minuten stapte Het Wonderkind mokkend van het podium. Het publiek bleef achter in chagrijn. Het werd een gedenkwaardige avond.

Hoe werkt dat dan door? Het is heel stom. Iedereen kan een offday hebben. Maar sinds 6 juli 2002 luister ik met minder plezier naar The Prodigy.

Keuze Luistertips: Sophia – Deserted song No. 2 (Effenaar, 2007)

Norse opa

Als Sophia na de release van Technology Won’t Save Us besluit om op te treden in De Effenaar, zijn de kaartjes snel gekocht. De band rondom Robin Proper-Sheppard weet namelijk al een aantal jaren mijn muzikale leven op te vrolijken. Tussen aanhalingstekens. Sophia zwelgt in melancholie en somberheid door vooral nummers te brengen die verhalen over de dood en mislukte liefdes. Ondanks dat, lijkt de zanger in opperbeste stemming als hij het podium betreedt. Hij is zelfs niet van zijn stuk gebracht als hij merkt dat zijn gitaar niet goed gestemd is.

Op volle oorlogssterkte treedt de band aan. Twee extra gitaristen, een bassist een drummer en Robin, die een laptop heeft meegenomen voor het afspelen van de samples die hier en daar zijn composities ondersteunen. Emotionele liedjes worden afgewisseld met relatief stevig gitaarwerk. De nadruk ligt op het nieuwere materiaal, maar ook wonderschone oudjes als Bastards en Woman worden op een mooie wijze vertolkt. Als het reguliere concert afgelopen is, komt de band terug voor een toegift. Tijdens de eerste twee nummers is er nog niets aan de hand, alhoewel hij al wel iemand uit het publiek er de schuld van geeft dat hij River Song niet zal spelen.

Als hij start met Desert Song No. 2, klinkt er gerinkel van glazen vanachter de bar. Het publiek maakt ssst-geluiden. Dit wekt irritatie bij hem op. Hij waarschuwt ons, waarna hij opnieuw start. Als hij vervolgens weer ssst-geluiden hoort, stormt hij van het podium af. Ondertussen het Nederlandse publiek verwijten makend. De stomverbaasde band besluit hem niet lang daarna te volgen. Het publiek blijft in verwarring achter. Als een klein kind dat van een norse opa een veeg uit de pan krijgt. Een gitzwart einde van een avond die zo veelbelovend leek.

Keuze Patrick Schellen: Manic Street Preachers – Me And Stephen Hawking (Brixton Academy, 2010)

Ken je de mop van de band die zou spelen?

Juist, ze speelden niet. Er zijn periodes dat de Manic Street Preachers vrijwel uitsluitend in het Verenigd Koninkrijk spelen. In 2010 zat de band in zo’n periode. Omdat ik niet wist of ze ooit nog naar Nederland zouden komen, ging ik uiteindelijk dus maar naar een concert van ze in London. Enkele uren voordat het concert zou beginnen kwam het bericht echter: afgelast, stemproblemen van zanger James Dean Bradfield. Dat is als je er speciaal voor reist toch net wat teleurstellender dan wanneer het in de buurt is en je het ruim tevoren hoort.

En ja, ik heb ook heus concerten gezien die tegenvielen. Het was misschien meer in de geest van de battle om er daar een van te kiezen. Ik voel er alleen niet zo voor om een artiest af te kraken en iedereen heeft wel eens een mindere dag. Daarom dus maar een concert dat niet doorging.

Enkele maanden later werd het concert gelukkig ingehaald en ging ik wederom naar London, deze keer niet voor niks. Hoogtepuntje van de show was het nummer Me And Stephen Hawking, afkomstig van het album Journal For Plague Lovers. Het album is gemaakt op basis van teksten die verdwenen bandlid Richie Edwards voor de band had achtergelaten. Intens en daarmee toch een soort opvolger van het fantastische album The Holy Bible uit 1994.

Keuze Marco Groen: The Pogues – Streams of Whisky (Melkweg, 2010)

Comazuipen

Zijn oor werd ooit letterlijk afgekloven tijdens een concert van The Clash, zijn gebit was de natte droom van elke tandarts en de Guiness-brouwerij is nooit echt hersteld van zijn dood. Niettemin was Shane MacGowan al bij leven een legende. De man met de opmerkelijk veerkrachtige lever stak Ierse traditionals in een nieuw (punk)jasje, schreef een aantal iconische nummers en werd het boegbeeld van de folkpunkbeweging.

Om één of andere reden was het mij echter nog nooit gelukt om deze wandelende dipsomaniefolder live op een podium te zien. Tot 2010, toen hij en de overige Pogues na een jaar of vijftien afwezigheid ineens acte de présence gaven in de Melkweg. Dus daar togen wij naartoe. Over toog gesproken; Shane deed voor dat precies wat van hem verwacht wordt en had blijkbaar een bar opgezocht. Resultaat hiervan was dat het opeengepakte publiek minstens een uur extra de tijd kreeg om hetzelfde te doen, alleen wisten we dat natuurlijk niet. Na die tijd kwam de band op, zonder Shane, waarna besloten werd om dan maar een instrumentaal nummer te spelen. Kort daarna kwam een breedgeschouderd sprookjesfiguur op, die in de ene hand een zaklantaarn had en Shane MacGowan in de andere. Shane werd voor een microfoon gezet, mompelde iets onverstaanbaars tegen een opgeluchte Melkweg en begon foutloos de meest ingewikkelde teksten in zijn microfoon te spugen.

Na twee nummers had hij daar genoeg van, maakte een sissend geluid en een obsceen gebaar richting het publiek, waarna hij wankelend het podium verliet. We pinkten allen een traantje weg uit nostalgie, ‘wat mooi!’

Na -opnieuw- een instrumentaal nummer kwam de dwerg met zaklantaarn en Shane opnieuw het podium op, werd de verbouwereerde Ier wederom bij de microfoon gedeponeerd en begon hij (Shane, niet de dwerg) wederom foutloos de songteksten eruit te klappen. Dit ritueel herhaalde zich een paar keer tot Shane uiteindelijk helemaal instortte en Spider Stacey de zangpartij maar overnam. De arme ziel mocht het boe-geroep vanuit het publiek onterecht incasseren. Dat was natuurlijk voor Shane bedoeld, maar die hoorde of zag waarschijnlijk helemaal niets meer.

Het was hilarisch, legendarisch en gelijktijdig hallucinant slecht. Het eerste nummer dat ze speelden (mét Shane) was Streams of Whiskey. De hele zaal zong mee (en dat was maar goed ook). Het jaar daarop ging het overigens ietsiepietsie beter met Shane in dezelfde Melkweg.

Keuze Marèse Peters: Gary Numan – When The World Comes Apart (TivoliVredenburg, 2018)

Baaldag

Elk mens heeft recht op een flinke baaldag zo nu en dan. Een dag waarop alles tegenzit. Waarop je niet je beste werk levert en waarop je liever onder de dekens was blijven liggen. Maar ja, als artiest moet je opdraven als er een paar honderd mensen op je staan te wachten in de Ronda van TivoliVredenburg. Dat deed Gary Numan dus ook op 7 maart 2018.

Ik stond in het publiek en het werd een moeizame avond. De twee nummers die ik kende (Are Friends Electric? en Cars) stonden natuurlijk als laatste op de setlist. Eerst moesten er andere nummers worden gespeeld, onder meer van Numans nieuwste album Savage (Songs from a Broken World). Dat was op zich nog niet zo erg geweest als het geluid niet zo slecht stond afgesteld. Op de een of andere manier verdwenen alle nummers in een donkere, dreinende basruis die vrijwel het hele concert aanhield. Of was dat juist de bedoeling? Kwam nog bij: Gary was niet lekker bij stem.

Nu voel ik best een grote portie liefde voor Gary Numan sinds ik deze sympathieke minidocu zag. En hij sloeg ook zich dapper door de avond heen. Maar echt overtuigend werd het niet. Ik hoop eigenlijk dat hij een enorme baaldag had. Want ik gun hem dat zijn andere concerten beter waren!

Keuze Alex van der Heiden: Balthazar – Fever (Maassilo, 2020)

Vlak en fantasieloos

Corona was nog iets van ver weg in China op Valentijnsdag 2020. Nog geen drie weken later zouden we wel beter weten. Dus totaal onbevreesd bezocht ik met wat concertmaten de Maassilo om van Balthazar te genieten. Met het album Fever was iedereen overtuigd van de kwaliteit en dit hadden zij bevestigd op de diverse Europese festivals in 2019. Dus ik ging in de herkansing, want de mannen van Balthazar moest ik gezien hebben.

Wat volgde was een aaneenschakeling van liedjes die ik net zo goed vanaf mijn eigen streamingdienst zou kunnen luisteren. Het miste iedere diepgang en wist totaal niet te boeien. Normaal gesproken heb ik een bloedhekel aan theekransjes tijdens concerten, maar bij Balthazar in de Maassilo was hier geen ontkomen aan. Iedereen in de directe omgeving richtte zich tot elkaar met wat muzak van Balthazar op de achtergrond. Ik denk dat alleen vooraan bij het podium de aandacht bleef en kennelijk stonden daar ook de recensenten, want die waren lovend. Kennelijk keken zij naar iets anders dan wij, want zij werden geboeid door de broeierig verlokkende sfeer (NRC). Nou broeierig was het vooral van ongenoegen over de vlakke fantasieloze opvoering van liedjes.

Wat ik toen nog niet wist, was dat dit het laatste concert zou zijn voor mij voordat de COVID-lockdowns en beperkingen van start gingen. Ik moest dus lange tijd teren op dit waardeloze concert. In de Snob 2000 vonden we Fever op plaats 736. Op zich een prima nummer, maar Balthazar kon niet op mijn stem rekenen.

Keuze Martijn Vet: The Sisters of Mercy – This Corrosion (Doornroosje, 2022)

Lang gewacht, stil gezwegen, veel verwacht, dat viel tegen

Op de oorspronkelijke datum van dit concert stortte alles in. Een voorteken?

Vijf dagen voor het langverwachte optreden van The Sisters of Mercy in Doornroosje omhelsden we elkaar nog vrolijk. Een dag later vroegen vrienden uit Brabant zich af of het wel slim zou zijn om naar Nijmegen te komen. In hun provincie was COVID inmiddels een serieuze zaak. Nog een dag later werd duidelijk dat het hem niet ging worden. 27 september werd de nieuwe datum. Dat leek nog een eeuwigheid weg.

Hoe lang die eeuwigheid in werkelijkheid duurde, weten we allemaal. Er volgden eindeloos veel mailtjes met wéér een nieuwe datum. Dat doet iets met je verwachting.

Maar goed, in de eerste maand dat alles weer open kon, zag ik The Sisters of Mercy dan eindelijk voor het eerst – en ongetwijfeld voor het laatst. Het risico met oude helden is dat ze op een gegeven moment slecht bij stem raken, gaan teren op oude roem en er eigenlijk gewoon niet zo veel zin meer in hebben. Bar slecht, maar al met al toch een louterende ervaring: het markeerde het definitieve einde van this corona.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.