Er zijn nogal wat bands uit de Californische hippie-scene die groot en legendarisch zijn geworden. Zoals Jefferson Airplane, Grateful Dead, Janis Joplin, The Doors, Love en veel bands van en rondom Crosby, Stills, Nash & Young. In dat illustere rijtje had nog een band moeten staan: Moby Grape. Die band had echt alles in zich om minstens zo groot te worden; barstensvol talent, alle vijf goede songschrijvers en net als bij The Band ook alle vijf goede zangers. Hun titelloze eerste album is een parel van de sixties en zou minimaal dezelfde status moeten hebben als Love’s Forever Changes. Maar waarom is dat bij Moby Grape dan niet gelukt? Het is een saga van gemist potentieel, stomme pech, flinke blunders, slecht management en een zeer labiele mentale staat van enkele kernleden. Om maar een paar dingen te noemen.

De band is opgericht door Skip Spence, de eerste drummer van Jefferson Airplane. In Moby Grape wordt hij een van de drie gitaristen; samen met Peter Lewis en Jerry Miller. Goede gitaristen ook. Meestal elektrisch maar hun mooiste liedje vind ik het akoestische 8:05. Miller speelt hier de helemaal niet makkelijke fingerpicking gitaarpartij. Maar luister ook eens Omaha op hetzelfde album voor die lekkere elektrische drie-eenheid.

De ellende begint klassiek met een wurgcontract. Neil Young is er ook bij maar houdt zijn mond. Volgens gitarist Peter Lewis: “I think Neil knew, even then, that this was the end. We had bought into this process that we should have known better than to buy into“. Tijdens de fotoshoot voor de hoes van de titelloze eerste plaat, uit 1967, heeft drummer Don Stevenson er nogal de pest in, en op elke foto die genomen wordt toont hij baldadig z’n middelvinger (flipping the bird heet dat). Op de uiteindelijk hoes legt hij ‘m op het wasbord. Columbia Records vindt het in eerste instantie wel grappig, totdat platenzaken de plaat gaan verbieden en er steeds meer protest komt (het was in sommige opzichten nog een onschuldige tijd). Tegelijkertijd komt Columbia op het lumineuze idee om vrijwel de hele plaat in één keer op vijf singles uit te brengen. Waardoor geen enkel nummer de aandacht krijgt om uit te groeien tot een hit en ze allemaal ondersneeuwen.

Tijdens de opnames van de wat teleurstellende tweede plaat Wow/Grape Jam neemt Skip Spence helaas eenzelfde route als Syd Barrett in Pink Floyd in die tijd. Door overmatig LSD gebruik wordt hij steeds onvoorspelbaarder en onhandelbaarder. Met als apotheose dat hij met een bijl door de hoteldeur van drummer Stevenson heen beukt, die moet vrezen voor z’n leven. Hij gaat de bak in en wordt meteen daarna, wegens schizofrenie, opgesloten in een psychiatrisch ziekenhuis. In dat ziekenhuis schrijft hij z’n solo-album Oar, dat wel gelijkenis vertoont met het solo album van Syd Barrett: raar, pijnlijk, verwarrend maar met ook mooie momenten. In 1999 komt er, een paar weken na zijn dood, een bijzonder tribute-album uit met o.a. Tom Waits, Beck, Robert Plant en Mark Lanegan: More Oar, waardoor Skip weer even in de belangstelling staat. Hij heeft dat album nog op zijn sterfbed kunnen horen.

Ondanks dat de derde plaat Moby Grape ’69 weer van hoog niveau is, slaat het noodlot weer toe. Na een tour door Nederland wordt bassist Bob Mosley óók opgenomen met schizofrenie en verlaat hij de band. Ook hij belandt uiteindelijk, net als Spence, jarenlang op straat. Het sprankelende is er nu wel vanaf. De druif is nooit de goede wijn geworden die het had kunnen zijn. Voor deze bijdrage kon ik kiezen uit legio geweldige nummers maar ik vind het rustige 8:05 het allermooiste. 8:05, I guess you’re leaving, goodbye!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.