Ondergewaardeerde Liedjes


De Seventies-battle

De jaren zeventig waren misschien wel het decennium met de grootste muzikale tegenstellingen: van bubblegum-pop tot punk, experimentele muziek en glam-rock, afschuwelijke MOR en juweeltjes. Jaarlijks stemmen de luisteraars massaal op platen uit dit decennium, getuige acht van de tien liedjes in de Top 10 van die andere lijst.

Maar er zijn zo veel meer mooie liedjes, die een verblijf in de donkere grotten van de vergetelheid niet ontstegen zijn. En dus doen wij een greep.

Keuze van Frans Kraaikamp: Bill Withers – Who Is He (And What Is He To You)? (1972)

De mooiste tekst die ooit over jaloezie geschreven is

Soms verwonder ik mezelf er over dat bepaalde artiesten uit de 70’s zo ondergesneeuwd zijn geraakt bij muziekliefhebbers. Eén duidelijk voorbeeld daarvan is Bill Withers. Zowel bij de Top 2000 als de Snob 2000 staan er maar twee liedjes van de Maestro in de eindlijst van 2016. Wat mij betreft vrij onbegrijpelijk!

In de Snob 2000 van 2016 haalde hij zeer bescheiden noteringen met Hope She’ll Be Happier (1684) en Lean On Me (1812). Het lied van Bill Withers dat heel – maar dan ook héél – hoog in de Snob 2000 behoort te staan is: Who Is He (And What Is He To You)?

Baanbrekend zou ik dit soulnummer wel willen noemen. Wat de beste man in dit nummer van album Still Bill laat horen is pure magie. Een dijk van een baslijn die je voelt in je lichaam en een cadans veroorzaakt die maar doorgaat en doorgaat. En niet te vergeten de funky gitaren. En misschien wel de mooiste tekst die ooit over jaloezie geschreven is:

A man we passed just tried to stare me down

And when I looked at you
You looked at the ground

I don’t know who he is
But I think that you do
Dadgummit
Who is he, and what is he to you

Volgend jaar een plekje in de Top 100 van de Snob 2000? Zou toch meer dan terecht zijn!

Keuze Ronald Eikelenboom: Montrose – Space Station #5 (1973)

Een ster in de hemel

Het is 1973. De NASA heeft haar reizen naar de maan  net afgerond maar de Pioneer 11 is op weg naar Jupiter. Plannen voor bewoonde ruimtestations worden gesmeed en de eerste Skylab missies vinden plaats. Het hekje betekent gewoon nog nummer in plaats van hashtag. En in Californië neemt Montrose zijn eerste album op, onder leiding van Ted Templeman.

Montrose is vernoemd naar gitarist Ronnie Montrose, een sessiemuzikant die gewerkt had met Van Morrison en Herbie Hancock. Het debuutalbum Montrose is zijn eerste opname als  bandleider. Het album is ook het debuut van de nog volstrekt onbekende zanger Sammy, toen nog Sam, Hagar die later solo en, vooral hier in Nederland, als zanger van Van Halen bekend zou worden.

Platenmaatschappij Warner Brothers weet niet zo goed raad met het album en verkoopt er aanvankelijk niet veel van. Een flop. Een jaar later werd het album onder de titel Rock The Nation in Europa uitgebracht, met een van een doorkijkblouse voorziene rondborstige blondine op de hoes in plaats van een bandfoto. Zoiets verkoopt altijd wat beter.

Tegenwoordig wordt het album gezien als het eerste Amerikaanse heavy metal album en ook wel als het Amerikaanse antwoord op Led Zeppelin. Van Halen speelden in hun begindagen, nog voor Ted Templeman ook hun debuut zou produceren, met regelmaat Make It Last van het Montrose album en Iron Maiden nam een cover op van Space Station #5, voor de B-kant van hun Be Quick Or Be Dead uit 1992.

De ruimtevaart mag dan voorzichtig weer een comeback maken, voor Montrose zit dat er niet in. Ronnie Montrose stapte in 2012 uit het leven met een vuurwapen, naar zeggen wegens een jarenlange depressie.

Keuze Marcel Klein: Judee Sill – The Donor (1973)

Niet groot maar heel fijn

Ik heb weleens het gevoel dat het bij de muziek tegenwoordig niet meer alleen om het nummer of de stem of de instrumentatie gaat, maar veel meer om hoe men eruit ziet. ‘The Looks’ zijn dan belangrijker dan ‘The Voice’. Wellicht is deze dame daarom juist wel ondergewaardeerd gebleven, want hoe kan het anders dat je met zo’n stem niet veel verder bent gekomen.  Het is tijd om haar ook op dit podium te tillen, want als er een artiest in slechts 2 studio albums het onderste uit de kan heeft weten te halen, dan is het wel Judee Sill.

Het is het begin van de 70’er jaren.  Zij wordt ontdekt door David Geffen en Graham Nash is de producer van haar eerste album. Haar hoge stem is haar handelsmerk en met die betoverende stem speelt ze ook in het voorprogramma van Graham Nash en David Crosby. Speciaal bij de opnames was dat haar stem veel overdubs kreeg, waardoor nummers bijzonder klonken.  Een typisch voorbeeld van zo’n nummer is The Donor.  Dit nummer van ruim zeven minuten lang ademt alles wat Judee kon.  Het komt van haar tweede studioalbum Heartfood en is niet haar meest bekende nummer.  Dat is zonder enige twijfel Jesus was a Crossmaker, maar dit nummer laat veel meer zien waar Judee toe in staat was.  Niet alleen de stem, maar ook de overdubs van haar stem maken dit een bijzonder en prachtig nummer.

Letterlijk in staat. Na enkele auto ongelukken ontwikkelde ze chronische rugpijn, die zelfs zo erg was dat medicijnen en drugs niet hielpen. Langzaam verdween ze uit de muziekscene en uiteindelijk overleed ze aan een overdosis in 1979. Of het zelfmoord was of niet, daar lagen de meningen over uiteen, maar hoe het ook was: The Donor toont een singer-songwriter die haar tijd ver vooruit was.  Helaas is haar muzikale nalatenschap niet groot, maar wat ze heeft opgenomen klinkt als een huis.

Keuze Willem Kamps: The Pretty Things – Dream/Joey (1974)

Pure vrolijkheid

The Pretty Things stonden halverwege de jaren ’60 zo’n beetje model voor wat toen langharig tuig werd genoemd. Net als de Stones, waar gitarist Dick Taylor nog een tijdje heeft gebast, speelden ze rhythm and blues, geënt op dan wel covers van zwarte bluesmuzikanten. Zo was hun grootste hit, Road Runner, net als de bandnaam, goed gejat van Bo Diddley.

De Pretty Things speelden met een voor die tijd ongekende heftigheid en werden dan ook, in de na-ebbende spruitjeslucht uit de jaren ’50, door de boze witte mannen van toen verafschuwd. Zoals vele van hun tijdgenoten evolueerden de Things echter mee met de tijdgeest en hadden ze in ’68 zelfs een primeur: SF Sorrow, de eerste rockopera, enkele maanden vóór het veel bekendere Tommy van The Who verscheen. Hits hadden de heren evenwel niet meer en hun laatste wapenfeit in Nederland was in 1970 een tip-paradenotering met het zwoel slepende October ’26.

Daarmee zijn we aanbeland op de rand van de seventies, daar waar het eigenlijk om gaat. The Pretty Things maken in de eerste helft van dat decennium enkele prima langspelers: Parachute (hun eigen Abbey Road), Freeway Madness, Silk Torpedo en Savage Eye. Silk Torpedo opent met Dream/Joey en als er iets behoorlijk is ondergewaardeerd is het wel dit nummer. Drie keer uitgebracht op single, waarvan de eerste keer als B-kantje, maar nooit in de charts gestaan. Onbegrijpelijk.

Na een aanzwellend intro wordt met een lichtvoetige uptempo tweekwartsmaat een heerlijk fris klinkende toon gezet. Couplet en refrein hebben een prettig meezinggehalte – één keer horen is genoeg, zowel qua tekst als melodie – waarna je bij het daaropvolgende opgewekte pianothemaatje van pure vrolijkheid spontaan rondjes gaat draaien door je huiskamer. Naar het einde toe keert die piano terug en je moet niet vreemd opkijken als je ineens met een luchtgitaar in je handen staat wanneer Pete Tolson zijn solo inzet. Misschien eerst even de gordijnen sluiten, al zou ik schijt aan de overburen hebben. Het is toch zeker jóuw droom, lekker ding! Zíj mogen dan misschien boos zijn, jij toch niet?!

Keuze Richard Rombouts: Kiss – Detroit Rock City & Beth (1976)

Gedraaid

Is het een typisch geval van commercie? Of wansmaak, misschien? Ik doel op hun grootste (wereld)hit I Was Made For Lovin’ You. Het is aardig, maar absoluut niet representatief voor Kiss; in haar thuisland haalde het lied de Billboard Top 10 ook niet. Nu is de band in Europa nooit op waarde geschat, terwijl ze in de V.S. mega waren (tot de heren enkele jaren geleden ruzie kregen).

Ik maakte kennis met het geweld van Kiss in 1976. Er was weer een verse lading singletjes per post aangekomen; liedjes, die in Nederland nog onbekend waren. Het duurde in die dagen wat langer voor een lied de plas overstak, want internet bestond nog niet. Detroit Rock City was de A-kant en Beth de flip-zijde. Twee totaal verschillende liedjes en stijlen; twee uitersten van het kunnen van Paul Stanley, Ace Frehley, Peter Criss en Gene Simmons; de man met de immens lange tong. Detroit Rock City is hun zogenaamde ‘signature song’; rauwe hardrock, die het beste tot z’n recht komt met de luidsprekers vol open. De toenmalige buren zijn mij nog dankbaar.

Beth is een gevoelige piano-ballad, daterend uit de tijd dat Criss nog drumde in een onbekend bandje. De oorspronkelijke titel was Beck en het lied ging over de vrouw van de gitarist van de band, die continu de oefeningen van de band onderbrak om te vragen wanneer hij naar huis zou komen. Een zwaar gevalletje van onder de plak zitten? Componist Penridge zei dat hij deze telefoongesprekken vrijwel letterlijk een paar dagen lang in zijn notitieboekje heeft opgeschreven. Ze hebben wel een demo opgenomen, maar het lied nooit uitgebracht totdat Criss bij Kiss terecht kwam. De naam werd veranderd in Beth en de tekst werd iets sentimenteler. I know you love complaining, but Beck what can I do? Werd veranderd in I think I hear them callin’, Oh, Beth what can I do? De radiostations draaiden Beth en de platenmaatschappij heeft toen snel Detroit Rock City de achterkant gemaakt. Het werd hun grootste hit.

In 1980 werd Criss uit de band gezet en hij stelt dat hij een belangrijk aandeel heeft in de populariteit van de band. Echter, en hier ligt de basis voor de ruzie, zanger Stanley stelt dat Criss helemaal niets met de compositie te maken had. It was a lifeline that Peter hung on to validate himself, but it wasn’t based on reality. Neemt niet weg dat Criss het lied gevoelig zingt. Simmons en Stanley weigeren tot op de dag van vandaag met Criss op het podium te staan en op hun wijze voeren ze al jaren hun versie van Beth op: bitchen op een afstand.

Keuze Ton van Hoof: Big Star – Holocaust (1978)

Somber

Your eyes are almost dead
Can’t get out of bed
And you can’t sleep

De titel van het liedje, wat naar mijn mening totaal ondergewaardeerd is, roep terechte rillingen bij menigeen op. Begrijpelijk maar met de vreselijke Holocaust heeft het niets van doen.

Het is echter geen vrolijke deun. Zanger/componist Alex Chilton schreef het en nam het op tijdens zijn depressiedieptepunt en weet zijn duisterste kant met ons te delen. Je voelt dan ook de pijn van hét zijn keihard binnendruppelen in je oren. Het is zo fragiel, zo intens. Je hoort duidelijk dat hij een emotioneel wrak is, en dat hij ieder moment kan breken.

Meer woorden van bejubeling zijn niet nodig voor dit pijnlijke muzikale document, dim de lichten en ervaar de pijn.

Keuze Danny den Boef: KC & The Sunshine Band – Please Don’t Go (1979)

Een beetje misselijk

Ok, laat ik maar gelijk met de deur in huis vallen; ik heb een bloedhekel aan de muziek van KC & The Sunshine Band. Dat te vrolijke disco-light gereutel met That’s The Way I Like It, Boogie Shoes, Get Down Tonight en het absolute miserabele dieptepunt (Shake, Shake, Shake) Shake Your Booty. Ik moet daar altijd een klein beetje van overgeven in m’n mond. Maar goed, het was de 70’s zullen we maar zeggen. Het kon toen. Blijkbaar.

Toch maakte men, KC en zijn Sunshine Band, in de jaren ’70 en net op de grens van de jaren ’80, iets dat tot op de dag van vandaag nog steeds tot één van mijn favoriete nummers aller tijden behoort. Ok, die lijst is relatief lang, maar toch. Ik heb het uiteraard over het nummer Please Don’t Go. Dat nummer was, net als zo’n beetje alles van KC (en die hele Sunshine riedel) een hit. Niet zo’n hele grote, en dat zorgde ervoor dat het al vrij snel een beetje in de vergetelheid raakte. En dat is zonde.

Het is namelijk een ontzettend briljant nummer. Tekstueel is het allemaal niet heel hoogstaand, maar het is juist zo meesterlijk op muzikaal gebied. Dat moet je echter willen horen. Als je enkel naar het nummer als geheel luistert, valt het misschien niet zo op, maar het steekt verdomd goed in elkaar. Alles klopt. Zeker als de bass er richting het einde meer en meer inkomt. Het bombast wordt alsmaar groter en groter, het geluid zwelt aan. Het klopt. Magistraal.

Het mooiste is toch wel dat, hoe groot je hekel richting een bepaalde artiest of groep ook is, er kan best iets bijzonders uit voortkomen. Don’t judge a book by it’s cover. Dat zouden we met elkaar een stuk meer moeten doen.

Keuze Eric van den Bosch: Thin Lizzy – Róisin Dubh (Black Rose): A Rock Legend (1979)

De zwarte roos die nooit verwelkte

Deze week was het dertig jaar geleden dat Phil Lynott, de charismatische frontman van de Ierse rockers Thin Lizzy, op 36-jarige leeftijd overleed aan de gevolgen van een leven vol drugs en drank.

De doorbraak voor de band was Whiskey In The Jar uit 1972, maar het kenmerkende geluid met dubbele gitaarsolo’s kwam pas nadat in 1974 Brian Robertson en Scott Gorham werden aangetrokken. Die doorbraak liet nog even op zich wachten overigens. In twee jaar tijd namen ze vier albums op: Nightlife, Fighting, Jailbreak en Johnny The Fox. Pas bij het derde album – met de single The Boys Are Back In Town was de echte doorbraak een feit. De piepjonge Robertson (hij was pas 18 toen hij bij de band kwam) kon het exorbitante drugs- en drankgebruik nog slechter aan dan zijn bandmaatjes en bij het volgende album Bad Reputation was hij al min of meer op weg naar de uitgang.

Na het livealbum Live And Dangerous – hoeveel live was en hoeveel overdubs wordt tot op de dag van vandaag sterk betwist door betrokkenen – maakte Robertson plaats voor de Ierse legende Gary Moore. Het was al zijn derde periode in de band, maar voor de eerste én laatste keer zou hij een volledig Thin Lizzy-album inspelen, Black Rose: A Rock Legend.

Het titelnummer was de afsluiter en met zeven minuten veruit het langste nummer van het album. Lynott had met Moore nu een gitarist naast zich die ook Ierse roots had en dat is te horen. Ingebed in het nummer zijn drie Ierse traditionals, Shenandoah, Danny Boy en The Mason’s Apron, met daar nog tussen Will You Go Lassie Go, een folksong van de in Ierland vermaarde Francis McPeake.

Het is voor mij één van de meest karakteristieke Thin Lizzy-songs. Voortdurend van pop naar rock en terug bewegend, met nadrukkelijke Ierse roots. Fraaie dramatische drumroffels, twingitaren, de Ierse gitaarlicks die ook later vaak bij Gary Moore te horen waren en de broeierige, verhalende zang van Phil Lynott. Het is Thin Lizzy op zijn best.

Moore kapte er halverwege de volgende tournee mee, ook al zou hij later nog regelmatig met Lynott werken. Thin Lizzy zou nog drie uitstekende album maken, Chinatown en Renegade met Snowy White als gitarist (hij is te zien in een Rockpalastversie) en Thunder And Lightning met John Sykes als gitarist.

De Ierse roots waren nooit ver weg bij Thin Lizzy, maar zelden waren ze zo prominent. Jammer genoeg was Phil Lynott veel te weinig tijd gegeven.

 

 
 

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *